Kunst en publiek Het DNA van Amsterdam

Het volk bedienen

Volgens Paul Spies, directeur van het Amsterdams Historisch Museum, concurreren musea elkaar stuk door dezelfde mensen zo vaak mogelijk te laten terugkeren. Hij wil ook de mensen in de buitenwijken bereiken. ‘De handschoen van de PVV neem ik op.’

IN AMSTERDAM is het hysterisch druk. Nog voordat het culturele seizoen met de Uitmarkt is ingezet, zijn daar de honderdduizenden bezoekers van Sail op en langs het water, terwijl indrukwekkende hoeveelheden eerstejaars studenten met uniform slonzig haar en slonzige stropdassen op het fietspad bier drinken. Het pontje naar Noord slalomt behendig tussen de zeilschepen en plezierbootjes op het IJ door.

Paul Spies, directeur van het Amsterdams Historisch Museum (AHM), woont met zijn gezin in het midden van Amsterdam-Noord, in een huis aan het water dat je eerder in Zaandam zou verwachten dan binnen de Amsterdamse stadsgrenzen. De kat komt met een molletje in zijn bek de kamer binnenlopen. Het enige moment dat je iets van Sail merkt is als het vuurwerk de lucht in gaat.

Spies ziet uit naar de Uitmarkt. Op zijn mobieltje laat hij een foto zien van iets wat het midden houdt tussen een opblaasbare pop en een soort steltenloper. ‘Deze komt op de Uitmarkt te lopen. Zestien meter hoog. Krijgt een grote klassieke molensteenkraag om.’ De pop, vertelt Spies, gaat A'dam heten en dient als reclame voor de tentoonstelling die het AHM eind september opent: A'dam, man & mode, over mannenmode door de eeuwen heen. Het is niet echt iets wat je met het AHM associeert, zo'n pop, zegt Spies. Het museum heeft altijd een wat meer bescheiden reputatie gehad. Maar het is een goed onderwerp: 'Volgens mij is het erg kwalijk met de man gesteld - in het algemeen, maar met de mode in het bijzonder. In de natuur is het mannetje altijd de getooide sekse, de meest gevederde vogel, en is het vrouwtje nogal flets. Bij de mens is dat precies omgedraaid.’

Wanneer mannen vroeger geld kregen gingen ze zich meteen tooien, zegt Spies. Denk aan de molensteenkragen, Japanse rokken, de pruikentijd. Het dandykostuum in de negentiende eeuw. Toen in de twintigste eeuw confectiekleding beschikbaar werd, kon de werkende klasse zich ook nette herenkleding veroorloven. In de jaren zeventig zette de man zich daar weer tegen af, met lang haar, bakkebaarden, fladderende shirts, broeken met wijde pijpen en strakke dijen. Maar sindsdien staat de mannenmode stil.

Paul Spies: 'Het is een interessant onderwerp waarover wij veel schilderijen en ander beeldmateriaal hebben. Wij hebben een jonge curator die zich met textiel bezighoudt, Annemarie den Dekker, en zij heeft al eens tentoonstellingen gemaakt over waaiers en modehuizen. Met haar heb ik het over deze tentoonstelling gehad, ik zie het echt als wake up call voor de man.’

Het is ook een populair onderwerp. Op modetentoonstellingen in het Centraal Museum in Utrecht, van Victor & Rolf en Alexander Slobbe, waren de zalen bomvol. Modestudenten zaten op de grond te schetsen. Maakt dat zo'n onderwerp ook niet interessanter voor u?

'De conservatorenstaf van het AHM werkt vanuit een ontzettende integriteit, waarbij het marketingtechnische element nog wel eens onderbelicht bleef. We zijn niet een museum dat de reputatie heeft van blockbuster-tentoonstellingen. Bij mijn komst kreeg ik een marketingonderzoek gepresenteerd waaruit bleek dat we vooral door toeristen worden bezocht, en dan vooral door buitenlandse toeristen. Dat is best. Dan hebben we tenminste een functie in het cultureel-toeristisch aanbod in de stad. Maar we worden betaald door de gemeenschap, er liggen mooie opdrachten waarmee we de Amsterdammer naar ons toe moeten krijgen.’

Wat zijn die opdrachten?

'We hebben een heel brede collectie - we hebben geschiedenis, we hebben kunst, het gaat over vroeger, het gaat over nu, het gaat over grootstedelijkheid en over artisticiteit. Die breedte is ook een valkuil; als museum wil je toch een duidelijk onderwerp hebben, zodat je bezoeker je weet te vinden. Deze week hebben we daar uitgebreid over vergaderd en nu ligt er een beleidsplan dat AM 2020 heet.’

De 'H’ is weg?

'Juist.’

Dan wordt het Amsterdams Museum?

'Amsterdam Museum - dan hoeven toeristen het ook niet te vertalen.’

SPIES SCHEURT EEN PAGINA uit een beleidsplan waarop zeven argumenten voor de naamsverandering staan. De argumenten zijn stuk voor stuk herformuleringen van wat neerkomt op een helderdere positionering in het culturele Umfeld.

'2. Het woord “historisch” suggereert een fixatie van het museum op “oude dingen” en “tijden van weleer”, terwijl het de ambitie van het museum nu juist is om het historische verhaal te vertellen vanuit of uitmondend in eigentijdse thematiek en problematiek.’

'5. De eenduidige keuze voor “Amsterdam” als onderwerp ondersteunt een duidelijker profiel ten opzichte van andere aanbieders in de stad.’

'In een ideale situatie vervul je als Amsterdam Museum een verbindende rol in de stad. Laat je zien hoe de onderdelen van een stad met elkaar, historisch en cultureel, in verband staan. Dat is niet vanzelfsprekend. Ik groeide op in Amsterdam Slotervaart en ging met een vriendje van judo, op de fiets, naar de binnenstad omdat zijn broer werkte in de Drugstore aan de Nieuwendijk. Dat was eigenlijk op veertienjarige leeftijd de eerste keer dat ik de binnenstad leerde kennen. Ik kwam er nooit, op de keren na dat ik mijn moeder parkeerde bij het Spui, achter het AHM, en ik met haar in de Bonneterie ging winkelen. Tegenwoordig is de scheiding tussen de historische kern en de buitenwijken van de stad nog veel groter. We moeten ervoor waken dat de A10 niet als muur tussen de binnenstad en de banlieue komt te staan, want dan krijg je vanzelf die Parijse toestanden. De mensen in de buitenwijken moeten wij ook proberen te bereiken. Dat is bijna een morele kwestie, vanuit onze overheidsfinanciering, maar ook oprecht vanuit onze integriteit.’

Maar hoe pak je dat aan?

'Onze collega’s in Liverpool, met wie wij samenwerken, zijn daar al langer mee bezig, en met succes. Het idee is simpel: als je mensen laat zien hoe iets tot stand is gekomen - een gebouw, een wijk - gaan ze er eerder om geven. Toen ik klein was wilde ik archeoloog worden. Ik ben geen kunsthistoricus geworden voor de esthetiek, maar vanuit een sociaal-maatschappelijke interesse. Wij zijn al een tijdje bezig met een project dat “Buurtwinkels” heet en gaat over de renaissance van buurtwinkels in de buitenwijken die nu plaatsvindt. Winkeltjes die vaak worden gerund door nieuwe Nederlanders, die behalve een economische ook een sociale functie in een wijk hebben. Mensen komen er samen, het geeft toezicht. Via een website kunnen mensen foto’s en oral histories uitwisselen. Nostalgio’s kunnen hun verhaal kwijt.’

NA MEER DAN TWINTIG JAAR D'Arts te hebben geleid, een adviesbureau voor musea en culturele instellingen, trad Spies vorig jaar januari aan als directeur van het Amsterdams Historisch Museum. Hij schreef een aantal boeken over de Amsterdamse geschiedenis, met name over de grachtengordel. Spies praat makkelijk, met een soms opvallend harde 'r’. 'Ik was heel blij met D'Arts. Ik had maximale vrijheid, een goede boterham en had ook nog altijd die vraag in mijn hoofd: ben ik wel geschikt voor een normale baan? Maar na twintig jaar adviseren krijg je toch zoiets van: ik loop maar langs de zijlijn, nu wil ik een keer in het veld staan. Kijken of die theorieën van me ook in de praktijk kloppen.

Toen ik door een headhunter voor deze positie werd benaderd, heb ik dat aanbod heel serieus genomen. Ik kende het AHM van een aantal projecten die we hadden gedaan. Het museum gaat over Amsterdam en als kunsthistoricus is Amsterdam altijd mijn onderwerp geweest. Ik wist ook dat het een museum was dat zou moeten veranderen, en ik wist dat die mogelijkheid er daadwerkelijk was. De vertrekkend directrice Pauline Kruseman liet het heel netjes achter, er was een zekere stroom van bezoekers en een goede relatie met de gemeente - waarbij het AHM op het punt stond zelfstandig te worden. Dus het argument dat ik nooit ambtenaar wilde worden ging ook niet op. Ik heb het toen overlegd met mijn compagnon van D'Arts en hij zei tot mijn verrassing: het zou goed zijn voor het Amsterdams Historisch, en goed voor jou.’

En wat zijn uw praktijkervaringen, na ruim anderhalf jaar?

'Ken je het boek De Barbaren van de Italiaanse schrijver Alessandro Barrico? Dat is een essaybundel over “de muterende mens”. Barrico groeide op in een klein dorpje, in absolute verveling. Er was niets te doen. Zulke verveling bestaat niet meer; door de nieuwe media krijgen jonge Italianen vandaag onvoorstelbare hoeveelheden informatie en entertainment op zich af. Het gevolg is dat waar we vroeger op een paar onderwerpen de diepte in gingen, we nu op veel onderwerpen aan de oppervlakte blijven. Diepgang vinden we eng, daar komen wereldoorlogen van - dat zegt-ie tussendoor een keertje. Weet je, ik vroeg me altijd af waarom de generaties na mij - ik ben vijftig - massaal wereldreizen maken. Dat doe je toch als je oud bent? De generatie na mij gaat naar India, bij een goeroe studeren. Of naar Zuid-Amerika, waar als je niet oppast je bij een of ander bevrijdingsleger terechtkomt. Door De Barbaren snap ik hoe de generatie nu die reis maakt; die doen in drie maanden heel Azië of heel Latijns-Amerika. Geen probleem.’

Alles gaat sneller.

'Vroeger had je ervaring als je heel veel van hetzelfde had gedaan, die diepte in (verbeeldt met zijn handen een verticale kolom). Nu is ervaring het tegenovergestelde, zoveel mogelijk verschillende dingen (legt de kolom horizontaal). Je moet deze oppervlaktesurfers niet veroordelen, zegt Barrico, de hoeveelheid ervaring, de grootte van de kolom, blijft hetzelfde. Dat betekent iets voor museumbezoekers. In dat half uurtje surfen ze door wat je ze aanbiedt, of dat nu veel of weinig is. Dus dan heeft het geen zin iets te maken van drie uur. Die grote ploegen toeristen krijgen nu een eindeloos chronologisch lint te zien. Maar toeristen hebben zojuist die gekke stad gezien, willen weten hoe dat nu zit met die verbouwingen en die prostitutie. Na drie uur geschiedenis zijn ze murw. Daarom werken we aan een permanente tentoonstelling, werktitel Amsterdam DNA, waarin we de geschiedenis van de stad laten zien aan de hand van vier thema’s - ondernemerschap, creativiteit, vrijdenken en burgerschap - en die voor drie kwartier goed en overzichtelijk is.’

ER ZIJN MEER BARBAREN. Of tenminste, dat was de reactie in kunstland toen begin deze zomer de gemeentefractie van PVV Den Haag alle musea en culturele instellingen een brief stuurde waarin ze een verklaring eiste over wat er met het subsidiegeld gebeurt. 'De barbaren staan aan de poort’, zo was de sfeer. Hoe zou u gereageerd hebben als u zo'n brief had gekregen?

'Sinds ik Barrico gelezen heb ben ik wat milder over dat soort acties, en weet ik: rustig aan, niet meteen op je achterste benen gaan staan en roepen dat het niet oké is. In feite wordt er een discours gestart, als museum moet je je daar juist in willen mengen. Een belangrijk punt van die PVV-brief is identiteit. Als daar volgens de PVV vraag naar is, en dat is er ook, prima, daar kunnen musea heel direct iets over zeggen. Maar dan moet je ook accepteren dat de uitkomst niet in de richting is van wat zo'n partij veronderstelt.

Het is een correctie op “when in Rome, do as the Romans do”. In Amsterdam waren er vele Romes, allerlei enclaves met een eigen identiteit. En als je de stadsgeschiedenis bestudeert zie je dat telkens als er een periode van bloei was, alle culturen werden gedoogd, en telkens als er crisis was er repressie op identiteiten werd uitgeoefend. Dat is het fijne van het AHM: met onze collectie kun je al die momenten feilloos boven halen en dan is er geen ontkennen aan. Dus op het moment dat jij xenofobisch klaagt zit je óf in een periode van verval, óf je bent er de vooraankondiging van. Maar soms moet je ook rock bottom halen om weer tot bloei te komen.’

U bent positief.

'Het is de politieke realiteit, en daar moet je gewoon mee omgaan, anders zet je jezelf buitenspel. In feite is de brief hoopgevend; de PVV gaat er in ieder geval vanuit dat het publiek ontvankelijk is voor de kunst en cultuur die wij, de musea, aanbieden. Kunst is dus in hun ogen niet alleen maar een linkse hobby. Dat is al iets. Maar de brief is volgens mij ook bedoeld als een kritische benadering van wat er wordt aangeboden - en nou ja, dan moet ik eerlijk zeggen, ik ben bepaald geen PVV'er, maar in de tijd dat ik langs de zijkant stond met mijn adviesbureau dacht ik ook vaak genoeg: wordt hier wel het onderste uit de kan gehaald?

Ik heb jarenlang gezien, hier in Amsterdam, hoe de markt overkookte. Musea concurreerden elkaar stuk - niet door zo'n groot mogelijk publiek te vinden, maar door dezelfde mensen zo vaak mogelijk te laten terugkeren. Doet men nog wel eens zijn best de markt te vergroten? De mensen te vinden die nooit naar musea gaan maar misschien wel zouden willen? Dat zou de rol van kunst en cultuur moeten zijn. Daar heeft de PVV het ook over: het volk bedienen. Nogmaals, ik voel me niet thuis bij de PVV-club, maar de handschoen neem ik op.

Het is een uitstekende uitdaging. We hebben mooie spullen, een mooi pand, oké, we zijn een beetje moeilijk te vinden en het pand is wat kapotgerestaureerd, maar kom maar op. Een tijdje terug kwam Ahmed Marcouch hier met een groep Marokkanen en die keken hun ogen uit. Ze vonden het gewoon mooi. Ja, kijk, zo begon het voor mij ook.’

De PVV heeft het er vooral over de musea uit de multicultihoek te trekken en terug te geven aan 'het volk’, de Henken en Ingrids.

'Nu heeft de PVV het niet over nieuwe Nederlanders; ze hebben het over de lager opgeleide Nederlander die minder makkelijk de drempel van het museum neemt. Ik wil graag op pad - en daar zijn we ook mee bezig - om die mensen te vinden, en als het moet doe ik dat samen met welke politieke partij dan ook. Want dat is wel een vereiste: we doen het samen. Je kunt als politieke partij niet die kritische vraag stellen en vervolgens jezelf er vanaf maken. Die vraag stellen heeft consequenties. Jij wilt dat wij de “gewone burger” vinden? Dat kan, maar dan wil ik een dependance in de buitenwijk. Maak er maar budget voor vrij. Dan stop ik daar keiharde mooie kunst in - wel met een beetje extra beveiliging.’