De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Dictatuur en democratie

Het volk bestaat niet

In het Westen wordt het verschijnsel dictatuur vooral gedemoniseerd. Maar de tegenstelling democratie-dictatuur is minder zwart-wit dan ze lijkt. Zo klinkt in elke democratie wel eens de roep om een sterke leider, en toont de dictatuur vaak meer slagkracht dan een open samenleving.

Medium essay

Een van de invloedrijkste boeken van de afgelopen decennia is Gene Sharps From Dictatorship to Democracy. Dit handboek voor het geweldloos omverwerpen van dictatoriale regimes verscheen voor het eerst in Birma in 1993 en is vertaald in meer dan dertig talen, waaronder Arabisch, Farsi, Russisch en Chinees. Het speelde een hoofdrol in Otpor!, de Servische beweging die Slobodan Milosevic ten val bracht, en was een voorname inspiratiebron voor de opstanden en protesten in Teheran, Tbilisi, Kiev en Caïro.

Er bestaat geen handboek From Democracy to Dictatorship, of het zou Machiavelli’s De vorst, favoriete lectuur van Jozef Stalin, moeten zijn. William Dobson beschrijft in zijn The Dictator’s Learning Curve (2012) hoe dictators zichzelf kunnen verbeteren, maar dat is een boek voor hen die willen begrijpen waarom ook hun tegenstanders, de dictators, steeds slimmer worden. Dictators leren hun vak al doende en van elkaar. Daarbij hoeven ze zich, anders dan hun tegenstanders, niet druk te maken over principes als geweldloosheid. Een dictatoriaal regime kan praktische redenen hebben om te kiezen voor propaganda of omkoping met oliedollars, maar geen principiële. Zoals Deng Xiao Ping wereldfaam verwierf met zijn ‘Het maakt niet uit of een kat zwart of wit is, als hij maar muizen vangt’, zo heeft de hedendaagse dictator keuze tussen onderdrukking en hegemonie, vervolging en vergelding, geweld en geld.

Een recent voorbeeld is het ‘democratische experiment’ in Egypte. Hoewel op de door Mohammed Morsi gewonnen verkiezingen niet zo veel aan te merken was, is het leger dat onder Moebarak en nu onder al-Sisi aan de macht is, geen moment van de macht af geweest. Morsi werd een tijdlang getolereerd en mocht laten zien dat de Moslimbroeders niet tot regeren in staat waren. Toen hij was afgezet verscheen de politie weer in de straten, was er ineens benzine in de pomp en werd het vuilnis eindelijk opgehaald. De wereld mocht concluderen dat de Moslimbroeders niet deugden en dat Egypte niet ‘rijp’ was voor democratie. Het mislukte democratische experiment is onderdeel van de dictatoriale leercurve.

Is het verhaal dan simpelweg dat van de wellicht eindeloze strijd tegen het Kwaad van de Dictatuur? Bevinden we ons, na een Arabische lente die een vierde wave of democratisation (Samuel Huntington) leek, in een wave of dictatorship met Vladimir Poetin, Tayyip Erdogan en Jacob Zuma als protagonisten? Dictatuur als een monster waarbij elke afgehakte kop wordt opgevolgd door minstens een nieuwe? Zeker moeten we onze energie niet richten op het afzetten van dictators in de hoop dat ze ooit ‘op’ zullen raken. Eerder doen we er verstandig aan drie vragen te stellen. Wat is precies de verhouding tussen democratie en dictatuur? Wat bedoelen we als we ‘democratie’ zeggen? Waarom bestaat democratie überhaupt (en dezelfde vraag kunnen we stellen ten aanzien van ‘dictatuur’)?

***

De tegenstelling democratie-dictatuur is minder zwart-wit dan ze lijkt. Allereerst is democratie altijd het resultaat van herhaalde democratisering. Dat wij dat in Nederland vergeten, komt doordat mijlpalen als het parlementair stelsel (1848) en het algemeen kiesrecht (1919) lang geleden gepasseerd zijn. Elders is die herinnering verser. Nergens is democratisering ooit ‘af’. Democratisering is een proces waarin iets, bijvoorbeeld een land, democratisch(er) (gemaakt) wordt, en het heeft betrekking op politieke macht. Maar niet alle macht is politieke macht. Decennia van neoliberale deregulering hebben weliswaar niet geleid tot minder regels, maar wel tot depolitisering en daarmee dedemocratisering van vooral de economie.

Daarnaast moet democratie onderhouden en vernieuwd worden: iedere vorm van vertegenwoordiging of verkiezing leidt tot de vorming van een elite van beroepspolitici en daarmee tot netto dedemocratisering. Het linkse en rechtse populisme dat in Nederland en elders opgeld doet leidt niet tot verandering op dit punt, maar is wel een authentieke democratische impuls die ‘de macht’ weer (meer) terug bij ‘het volk’ wil brengen. Dedemocratisering en democratisering zijn beide permanent.

De afgelopen decennia zijn we getuige geweest van twee processen, die beide onder de noemer democratisering gebracht kunnen worden. Enerzijds de overgang van een groot aantal landen van een eerder dictatoriaal naar een eerder democratisch regime, vooral in Oost-Europa, Afrika en Latijns-Amerika. Anderzijds talrijke manifestaties van massale volkswoede: de colour revolutions in het voormalige Oostblok, de opstanden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten en massale protesten in gevestigde democratieën: de indignados in Spanje, Taksimplein en Gezi-park in Istanbul, Occupy in de financiële hoofdsteden New York, Londen, Frankfurt. Alle regimes, van het theocratische Saoedi-Arabië tot de cradle of democracy Amerika, zien zich geconfronteerd met groepen burgers die zich niet (meer) vertegenwoordigd voelen. ‘We are the 99%’ was de slogan van Occupy Wall Street. Overal ter wereld zijn ‘we’ het zat.

Democratie en dictatuur lijken uitersten op een schaal: of het volk is de baas of één persoon is de baas. Het ligt echter ingewikkelder. Een dictator is nooit alleen, maar vormt het vooruitgeschoven boegbeeld van een clan, een partij, een zakelijk imperium, een leger of een geheime dienst. Het gaat nooit om de persoon van de dictator. Uit strategische overwegingen kan het verstandig zijn om alle politieke energie op de ‘gehate’ tiran te richten, bijvoorbeeld omdat hij losgeweekt moet worden van een leger of een staatsapparaat dat de nieuwe machthebbers weer nodig zullen hebben. Die strategie heeft als nadeel dat het oude apparaat ongezuiverd voortbestaat – daar heeft Griekenland de fascistoïde Gouden Dageraad aan te danken. Ook dictatoriale regimes profiteren van een focus op ‘de tiran’: het leger kon in Egypte de machtspositie handhaven door Moebarak te offeren.

Een dictator is nooit alleen, maar vormt het vooruit­geschoven boegbeeld van een clan, een imperium, een leger of een geheime dienst

Hoe belangrijk de persoon van de dictator in symbolisch opzicht ook moge zijn, de mensen eromheen zijn belangrijker. Komt er bijltjesdag, vergelding, wraak? Wordt er ingezet op de doofpot, zoals in Tunesië, of komt er een verzoeningscommissie, zoals in Zuid-Afrika? Zo simpel als het is om tegen een dictatoriaal regime te zijn, zo lastig is het om de erfenis ervan kwijt te raken. Zuiverheid is een politieke illusie, zuivering draait gauw uit op nieuwe terreur. Het idee van het ene onschuldige, onderdrukte volk is politiek gezien net zo riskant als dat van de éne schuldige onderdrukkende dictator. Het volk is één zolang het van de dictator af wil, maar toont na diens vertrek onmiddellijk de onderlinge verdeeldheid.

Zoals bij dictatuur niet één persoon de baas is, zo is bij democratie niet ‘het volk’ de baas. Beide illusies duiken telkens opnieuw op, niet omdat ze een kern van waarheid bevatten, maar omdat politiek niet zonder illusies kan. Deze illusies moeten daarom telkens opnieuw bestreden worden. Democratie draait niet om volksheerschappij, maar om de beslissende macht van een ‘functionele’ démos (Dick Pels, Het volk bestaat niet) – dat kan het electoraat van een land zijn, de burgerij van een gemeente, of het kunnen de deelnemers van een coöperatie of commune zijn. Steeds draait het om het ‘politieke volk’.

***

In een wereld waarin democratie de norm is, wordt ‘democratisch’ ook een voornaam ideologeem: een element van de ideologische rechtvaardiging van regimes met dictatoriale of, iets milder, autoritaire tendensen. Wanneer in Rusland of Turkije de kiesdrempel op tien procent gesteld wordt, dan wordt dat niet gepresenteerd als een inperking van democratie, maar juist als een versterking daarvan: democratie mag niet leiden tot verdeeldheid van een volk dat één moet zijn.

Het contrast tussen ware democratie en window dressing is daarom minder duidelijk dan we graag zouden willen. In nieuwe democratieën, bijvoorbeeld in de landen van het voormalige Oostblok, blijft democratie vaak beperkt tot algemene verkiezingen eens per vier jaar, waarbij de strijd gaat tussen partijen die weinig meer zijn dan de verkiezingsplatforms van de leiders van lokale zakenimperia. Oekraïne, ineens onze ‘bondgenoot’, is daarvan een voorbeeld. Opvallend is echter dat ook in Nederland democratie gereduceerd is tot de vierjaarlijkse verkiezingen voor de Tweede Kamer, waarbij ‘het volk’ geamuseerd toekijkt hoe de kandidaten hun best doen elkaar belachelijk en zichzelf belangrijk te maken. Politieke partijen en leiders worden in de markt gezet als willekeurig welke andere brand. Natuurlijk is dat een karikatuur, maar de nieuwe convergentie tussen democratische regimes overal ter wereld roept zeker nieuwe vragen op.

Het type politiek systeem dat wij als vanzelfsprekend beschouwen is niet de democratie, maar de liberaal-democratische rechtsstaat. Ons politieke systeem bestaat uit drie componenten, elk gedragen door drie principes die elkaar veronderstellen noch impliceren. Samen vormen ze een systeem dat, idealiter, enerzijds de flexibiliteit bezit die nodig is om maatschappelijke dynamiek een politieke vorm te geven, maar dat anderzijds op ieder gegeven moment de stabiliteit biedt die burgers nodig hebben om zich cultureel, economisch én politiek te ontplooien. Samen bieden ze ook de context voor wat Pierre Rosanvallon de contre-démocratie genoemd heeft: het geheel van wakende, controlerende, hinderende en oordelende machten dat vanuit gezond wantrouwen de professionele politieke elite het noodzakelijke tegenwicht biedt. Het paradoxale gegeven dat dit systeem zijn stabiliteit ontleent aan maximale flexibiliteit maakt het even krachtig als kwetsbaar: een liberaal-democratische rechtsstaat moet het hebben van het permanente vermogen zichzelf op het spel te zetten.

Het principe dat niemand (ook een staatshoofd niet) boven de wet staat, het principe van de machtenscheiding (de trias politica van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht, inmiddels verder verfijnd tot een systeem van elkaar controlerende en eventueel blokkerende machten) en het principe van de politiek neutrale overheid zijn de drie principes van de rechtsstaat: ook hier kan een regime zichzelf de schijn van rechtsstatelijkheid geven, bijvoorbeeld wanneer een grondwet bepaalt dat decreten van de president automatisch kracht van wet hebben.

Zonder de liberale en rechtsstatelijke dimensies kan democratie gemakkelijk afglijden naar dictatuur van de meerderheid

De drie liberale principes zijn, allereerst, het principe van individuele rechten en vrijheden, inclusief eigendomsrecht, verder het principe van (universele) mensenrechten, en ten derde de bescherming van minderheden. Het laatste principe kan in conflict komen met het democratische beginsel dat de meerderheid beslist, namelijk wanneer dat laatste dreigt uit te monden in een ‘dictatuur’ van telkens dezelfde meerderheid. Dit conflict ligt op het moment aan de basis van de politieke crisis in Irak, waar de soennitische minderheid zich structureel benadeeld voelt. De kleinst mogelijke minderheid bestaat uit één persoon, zodat individuele rechten en vrijheden uiteindelijk beslissend zijn voor het vormen van politieke oppositie.

Zowel de rechtsstaat, die niet zomaar opzij gezet kan worden, als de liberale principes zijn belangrijk om een democratisch systeem te laten functioneren: ze garanderen de mogelijkheid van kritische organisaties, onafhankelijke pers, bescherming van burgers tijdens demonstraties et cetera. De recente rel rond demonstraties en tegendemonstraties in Den Haag is een testcase voor de liberale rechtsstaat, niet voor democratie. Hetzelfde geldt voor de publiciteitsgeile arrestatie van veronderstelde jihadi’s. Deze flinkheid zou best eens een stevig democratisch draagvlak kunnen hebben. Het is de liberale rechtsstaat die onder druk staat, niet de democratie.

***
Medium essay2

Het belangrijkste democratische principe is de politieke gelijkheid van alle leden van een démos. Het algemeen kiesrecht, maar vooral het one-(wo)man-one-vote is daarvan de uitdrukking. Dit principe is niet vanzelfsprekend, het is zelfs contra-intuïtief. Is het niet veel logischer, rechtvaardiger of verstandiger om het relatieve gewicht van iemands stem af te laten hangen van de hoeveelheid betaalde belasting, het aantal kinderen, of een officieel vastgesteld IQ? Het gelijkheidsbeginsel is echter het enige waarvoor geen bijzonder argument nodig is en dat daarom, eens gevestigd, nauwelijks meer ter discussie gesteld kan worden.

Vaak is sprake van een tweede bron van soevereiniteit, bijvoorbeeld in de vorm van een monarch of een constitutie (gerepresenteerd door een Verfassungsgericht of een Supreme Court of Justice), maar ook die constellatie is afhankelijk van de politieke wil van de ruime meerderheid van de démos. Zoals minister Piet Hein Donner ooit terecht zei: invoering van de sharia kan volledig democratisch zijn, zoals rassenwetgeving dat ook kan zijn. Als de démos soeverein is, zijn de liberale en rechtsstatelijke componenten alleen mogelijk in de vorm van zelfbeperking door die démos van de eigen macht.

Indien de démos soeverein is, maar (zoals meestal) niet tot een unanieme beslissing kan komen, dan komt het derde democratische principe in het spel: de meerderheid beslist. Majority rule betekent binnen het democratische proces de aflossing van de ene politieke meerderheid door de volgende. Wanneer deze politieke meerderheid echter steeds dezelfde is, bijvoorbeeld doordat een strak gedisciplineerde partij de meerderheid heeft (Venezuela, Turkije) of doordat een démos langs etnische of religieuze lijnen is samengesteld, dan dreigt de dictatuur van een meerderheid die correspondeert met een meerderheid in de samenleving, dat wil zeggen buiten het democratisch proces. De huidige antizigeunerwetgeving op diverse plaatsen in Tsjechië en Slowakije is hiervan het meest schrijnende Europese voorbeeld.

Zonder de liberale en rechtsstatelijke dimensies kan democratie gemakkelijk afglijden naar dictatuur van de meerderheid, of dat nu een sprekende of een zwijgende is. Als we dus voor democratie en democratisering zijn, dan moeten we altijd en overal ook voor vrijheden en rechtsstaat zijn en niet veronderstellen dat het ene het andere met zich meebrengt.

***

Maar waarom eigenlijk democratie? In beginsel zijn er twee antwoorden mogelijk op deze vraag. Enerzijds is het bestaan van democratie het gevolg van politieke claims: vrouwen eisen kiesrecht, burgers claimen hun recht op participatie, werknemers eisen grotere zeggenschap van de ondernemingsraad, leerlingen willen inspraak op school. Aan dergelijke eisen wordt in uiteenlopende mate tegemoet gekomen en dat bepaalt het feitelijke niveau van democratisering. Anderzijds kan democratisering, bijvoorbeeld het organiseren van verkiezingen, vanuit bestaande machtscentra en -structuren gezien worden als een goede of een efficiënte manier om draagvlak te creëren en de legitimiteit van politieke macht te vergroten. Vooral nu, sinds 1948, democratie de globale norm geworden is, komt deze tweede vorm naar voren. Het lastige is dat de twee vormen niet zo eenvoudig te onderscheiden zijn.

Het feitelijk democratisch gehalte van een land of een andere politieke eenheid is de uitkomst van de strijd tussen hen die medebeslissingsrecht eisen en hen die proberen daar een inperkende vorm aan te geven, bijvoorbeeld door democratische invloed te beperken tot kiesrecht of door beleidsterreinen te depolitiseren. Dit feitelijk democratisch gehalte hoeft niet overeen te komen met het publiekelijk getoonde democratisch gehalte. Wanneer regeringsleiders spreken over ‘onze democratie’, dan is wantrouwen de terechte reactie. Vermoedelijk vinden veel bestuurders een land als Nederland meer dan democratisch genoeg, maar ze kunnen dat gezien hun functie niet zeggen. In die zin is democratie altijd ook ideologisch.

Democratie heeft enkele objectieve voordelen. Allereerst is het de meest rechtvaardige manier van omgaan met (de mogelijkheid van) conflict tussen hen die zich als elkaars gelijken beschouwen. Democratie doet daarmee recht aan het idee dat niemand meer recht van spreken en meebeslissen heeft dan een ander.

Een sterke man (of vrouw) is nog geen dictator, maar het verlangen ernaar wijst op de objectieve voordelen van een dictatuur

Verder vergroot democratie zowel de legitimiteit van politieke macht en openbaar bestuur als het commitment van hen die aan democratische procedures en praktijken hebben deelgenomen. Het gevaar van een systeem waarin de meerderheid van de burgers niet actief participeert, maar slechts reageert op wat gekozen politici op het politieke toneel laten zien (waarbij de toeschouwers terecht denken dat het spektakel in de coulissen is voorbereid), is dat de ‘positieve medeplichtigheid’ van de démos vervaagt. Verantwoordingsplicht en ‘afrekenen’ schieten dan als democratische vorm te kort.

Ook is democratische politiek de beste manier om ongenoegen in de samenleving de mogelijkheid te bieden tot openlijke articulatie. Vervolgens kan dan in de politieke arena de strijd uitgevochten worden, in plaats van ondergronds te gaan en tot veenbranden of ressentiment te leiden. Voorwaarde voor democratische transformatie van maatschappelijk antagonisme in agonistische politiek (Chantal Mouffe) is de aanwezigheid van de liberale component: de individuele rechten en vrijheden (vrijheid van pers, meningsuiting, vergadering, demonstratie). Nadeel van openlijke politieke strijd is dat alle conflictstof op tafel komt te liggen: als veertienhonderd demonstraties op jaarbasis in Den Haag één ding duidelijk maken, dan is het dat we te maken hebben met een tot op het bot verdeelde démos en juist niet met een volk dat (het) één(s) is.

Het aantal burgers dat verschil van mening en verscheidenheid van elkaar verketterende standpunten als een groot goed beschouwt, is vermoedelijk klein. Veel talrijker zijn zij die dit zien als een aanvaardbare prijs die nu eenmaal betaald moet worden voor vrijheid en gelijkheid. Dat is tegelijk de sleutel om dictatuur te begrijpen, immers daar wordt die prijs niet betaald.

***

In plaats van dictatuur te demoniseren moeten we daarom onderkennen dat ze de limiet vormt van daadkrachtig bestuur dat niet voortdurend verantwoording hoeft af te leggen. Demonisering en ridiculisering van de dictator in de populaire cultuur (van Charlie Chaplin tot Sacha Baron Cohen) dient precies ter maskering van het feit dat dictatuur door en door menselijk is. Niet alleen omdat we allemaal zo onze ‘dictatoriale neigingen’ hebben of deze ook om ons heen zien, maar ook omdat ‘dictatuur’ een reële politieke optie is. In de Romeinse republiek was een ‘dictator’ iemand met vergaande bevoegdheden die tijdelijk aangesteld werd in tijden van nood. Iedere constitutie kent de uitzonderingstoestand die leidt tot tijdelijke inperking van vrijheden; in Nederland is deze inperking minimaal, maar niet afwezig (Grondwet, artikel 113). De gedachte dat een noodtoestand een meer dictatoriale vorm van besturen rechtvaardigt is niet irrationeel.

De vraag naar dictatoriaal bestuur is bovendien van alle tijden. De roep om een sterke man was in het interbellum in Europa zeer sterk, ook in Nederland (slechts enkele Europese landen kenden in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog een liberaal-democratische rechtsstaat). Een sterke man (of vrouw) is nog geen dictator, maar het verlangen ernaar wijst op de objectieve voordelen van een dictatuur.

Een eerste voordeel is de helderheid van machtsverhoudingen: het is duidelijk wie over beslissende bevoegdheden beschikt en dus ook wie niet. Het is duidelijk wie gevreesd moet worden en ook van wie eventueel privileges verwacht kunnen worden.

Een tweede voordeel wordt vaak geuit door hen die maatschappelijke problemen eerder technisch dan politiek begrijpen. Het compromis dat uit democratische processen voortkomt is vaak inhoudelijk minder overtuigend dan elk der mogelijkere alternatieven. Vooral grote problemen die particuliere belangen overstijgen, zoals klimaatverandering, mondiale arbeidsmigratie of afnemende biodiversiteit, lijken onmogelijk langs democratische weg aangepakt te kunnen worden (Jeremy Gilbert, Common Ground, 2014). Wie meent dat die problemen, indien niet opgelost, uiteindelijk alle minor issues letterlijk te niet zullen doen, kan neigen tot dictatoriale oplossingen.

Vooral in tijden van (dreigende) oorlog blijken de voordelen van autoritair en dictatoriaal bestuur. Wie ziet hoe een deskundig geadviseerde Poetin een schipperende en schutterende EU keer op keer voor gek zet, heeft weinig fantasie nodig om te dromen van een tijdelijke volmacht voor IJzeren Angela, zestalig bijgestaan door Frans Timmermans.

In de buitenlandse politiek leggen gevestigde democratieën bovendien een sterke voorliefde voor dictaturen aan de dag. Met de mond bepleiten ze graag democratie en mensenrechten, maar feitelijk is het beter zaken doen met een Azerbeidzjan waar de regerende Aliyev-clan de olie-export regelt of met een Egypte waar de legerchef de ‘vrede’ met Israël bestendigt om beschermheer VS ter wille te zijn. Democratie wil dat soort deals nog wel eens verstoren – ook daarom kreeg Morsi geen kans. Het lot van democratisch geregeerde landen wordt mede bepaald door het vinden van de werkbare balans tussen de noodzaak van vastberadenheid in de buitenlandse politiek en de wens, al dan niet oprecht, om maximaal recht te doen aan diversiteit en verschil in de binnenlandse.

Tegenover dictatuur staat niet alleen democratie, maar ook vrijheid. Democratie en liberale rechtsstaat zijn een sterke combinatie, maar geen vanzelfsprekende. Democratie daagt ons uit om de ontevredenheid over de resultaten van besluitvormingsprocessen te compenseren met tevredenheid over de wijze waarop de besluiten tot stand gekomen zijn. De roep om flinkheid die de afgelopen jaren in de Nederlandse politiek geklonken heeft, geeft aan dat de rek niet eindeloos is. De paradox is dat het alleen de démos zelf is die gaat over de mate van democratie in een liberaal-democratische rechtsstaat.


Lezing ter gelegenheid van de Nacht van de Dictatuur in LUX (Nijmegen) georganiseerd door het Soeterbeeck Programma van de Radboud Universiteit. Evert van der Zweerde is aan deze universiteit werkzaam als hoogleraar politieke filosofie. Dank aan Sofie Kemps voor assistentie bij het maken van de tekst.


Beeld: Pavel Constantin / Cagle Cartoons