De Algerijnse impasse

Het volk is moe

Anders dan in bijvoorbeeld Tunesië of Egypte groeiden de protesten in Algerije niet uit tot een grote beweging die het hoofd van president Bouteflika eist. De reden? Bouteflika trekt af en toe zijn portemonnee. Bovendien: is hij wel de echte machthebber?

ALGIERS - Met zijn driedelige maatpak, zijn grijze haardos en zijn zachte stem oogt Mustafa Bouchachi niet direct als een gevaarlijke onruststoker. Toch denken de Algerijnse autoriteiten daar anders over. Zo bleek in februari dit jaar, toen de jurist, in zijn hoedanigheid van woordvoerder van de Nationale Coördinatie voor Verandering en Democratie, opriep tot een protestmars door de hoofdstad. Het regime nam geen enkel risico. De paar duizend mensen die aan de oproep gehoor gaven, zagen zich geconfronteerd met een politiemacht van 35.000 man.

De flegmatieke Bouchachi ontvangt in zijn kantoor op een steenworp afstand van La Grande Poste, het architectonisch hoogtepunt van het door de Franse kolonisator aangelegde stadscentrum. Bouchachi is tevens president van de Algerijnse Liga voor de Mensenrechten. Ook in deze hoedanigheid speelt hij de rol van luis in de pels van het autoritaire bewind met verve. Een ingelijste foto op het mahoniehouten dressoir toont Bouchachi met Hillary Clinton tijdens zijn bezoek aan het Witte Huis. In Washington bepleitte hij de zaak van de families van de zogeheten disparus. Tijdens de burgeroorlog van de jaren negentig verdwenen vijftienduizend Algerijnen. Sommigen werden ontvoerd door extremistisch-islamitische groeperingen, anderen vielen in handen van de veiligheidsdiensten. In het kader van de verzoeningspolitiek van president Abdelaziz Bouteflika werden familieleden een paar jaar geleden financieel gecompenseerd. Maar tegelijk werd bij wet verboden de zaak van de vermisten publiekelijk aan de orde te stellen. Wie nu nog lastige vragen stelt omtrent het lot van zijn verdwenen dierbaren riskeert sinds 2006 gevangenisstraf - een beleid waar Bouchachi zich tot op de dag van vandaag tegen verzet.

Die vasthoudendheid maakt hem er bij het regime niet geliefder op, maar geeft hem in de samenleving groot moreel gezag. Dus toen dit voorjaar een speciale commissie tal van prominenten uitnodigde, kon zij moeilijk om Bouchachi heen. Doel was een consultatieronde naar aanleiding van de ‘diepgaande politieke hervormingen’ die de president op 15 april in een televisietoespraak had aangekondigd. Onder druk van de golf van volksopstanden elders in de regio toonde Bouteflika zich hierin bereid tot een serie wetswijzigingen, nota bene ook van de wet waarmee de oprichting van nieuwe politieke partijen sinds 1996 wordt geblokkeerd.

Bouchachi bedankte voor de eer. 'Het probleem van Algerije ligt niet zozeer in de wetteksten als wel in de handelwijze van de zittende macht’, zo licht hij toe. 'Die opereert buiten de wet om en toont haar minachting voor de wet. Algerije is een schijndemocratie; het overgrote deel van de wetten wordt door Bouteflika gedecreteerd.’ De consultatierondes en het eindrapport dat de commissie in het najaar aan de president zal aanbieden noemt Bouchachi de zoveelste poging om zand in de ogen van de bevolking te strooien: 'Meer dan een bliksemafleider voor de maatschappelijke onvrede is het niet.’

AANGEMOEDIGD DOOR het snel aanzwellende volksprotest in buurland Tunesië gingen op 3 januari bewoners van de westelijk gelegen kustplaats Oran de straat op. Ze protesteerden tegen de spectaculair gestegen voedselprijzen: in een paar maanden tijd zijn producten als suiker, olijfolie, graan, maar ook groenten en fruit voor een groot deel van de Algerijnse bevolking onbetaalbaar geworden. De protesten sloegen over naar andere steden en op 5 januari braken in Algiers rellen uit toen de gemeente een groep straatverkopers oppakte in een ongelukkig getimede poging paal en perk te stellen aan de zwarte handel in de hoofdstad. Groepjes gemaskerde jongeren trokken vernielend en plunderend door de straten. Wegen werden geblokkeerd en in de wijk Les Eucalyptus werd een stadhuis van de deelraad in de as gelegd. Toen de ordepolitie massaal uitrukte, kalmeerde de situatie, maar in steden elders in het land kwamen de protesten toen pas goed op gang, vooral in Tizi Ouzou, Bejaïa en andere steden van de Berberregio Kabylië. Stadhuizen, postkantoren en andere symbolen van het staatsgezag moesten het hier ontgelden.

Op 10 januari luwde het geweld. De balans: zes doden, negenhonderd gewonden en ruim duizend arrestaties. In de opeenvolgende maanden was Algerije het toneel van vreedzame protestmarsen, stakingen, sit-ins. Nog steeds gaan er dagelijks wel ergens in het land mensen de straat op en koelen hun woede en frustratie op het stadhuis of een ander overheidsgebouw. Inmiddels volgden tientallen Algerijnen het voorbeeld van Mohammed Bouazizi, de Tunesische groente- en fruitverkoper die zichzelf eind 2010 in brand stak en daarmee het begin van het einde van het bewind van Zine el-Abidine Ben Ali inluidde.

IN EEN DOOR de klokkenluiderswebsite Wikileaks vrijgegeven ambtsbericht uit 2008 karakteriseert Robert Ford, toenmalig ambassadeur van de Verenigde Staten in Algiers en huidig ambassadeur in Damascus, Algerije als een 'unhappy country’. Ford, wel omschreven als 'de beste arabist van het State Department’, maakte gewag van het schrijnende gebrek aan betaalbare woonruimte, de hoge werkloosheid (onder jongeren vaak meer dan vijftig procent) en de zogeheten harraga, jonge Algerijnen die het land per boot proberen te ontvluchten om elders hun heil te zoeken, meestal in Frankrijk.

De sfeer die de diplomaat in zijn scene letter oproept is in Algiers duidelijk voelbaar. Het uitzicht op de Middellandse Zee vanaf het zonovergoten Place du Port Saïd staat in schril contrast met de ernstige gezichten van de slenteraars die het plein bevolken. Veel gelachen wordt er niet in de talloze eettentjes rondom het plein die allemaal dezelfde vette hap serveren. De winkeltjes onder de langgerekte arcades van het in hausmanniaanse stijl opgetrokken centrum verkopen allemaal dezelfde goedkope Chinese import. 'Dat hebben de Fransen allemaal gebouwd’, zegt een jongeman ongevraagd terwijl hij wijst op de grauwwitte gevels met verstofte blauwe luiken. 'Wij Algerijnen bouwen niets. Wij eten en slapen slechts.’

Bewoners hebben de blik beschaamd afgewend. Op vrijwel ieder balkon wijst een satellietschotel richting Qatar, de golfstaat waar de zender Al Jazeera is gehuisvest. Het is een zwijgend protest tegen de monotone programmering van de Algerijnse staatstelevisie. 'Mijn leven is een langgerekte sleur’, zegt Ismael (28) vanachter de kassa van de kledingwinkel waar hij werkt sinds hij een paar jaar terug afstudeerde als jurist. 'Het is een sleur die bezit van je neemt en waarin alles eigenlijk steeds slechter wordt.’

Ford wees in zijn ambtsbericht op de historisch lage opkomst bij de meest recente parlementsverkiezingen. Slechts 35 procent van de kiesgerechtigde Algerijnen maakte in 2007 de gang naar de stembus. 'De jeugd van Algerije ziet het huidige politieke systeem als irrelevant waar het aankomt op het oplossen van hun problemen’, droeg hij ter verklaring aan.

VAN EEN AFSTANDJE bekeken lijkt in Algerije dus aan alle voorwaarden te zijn voldaan om een volksopstand te ontketenen zoals die de afgelopen maanden in de regio plaatsvonden. Toch zit president Bouteflika er nog steeds. Waar elders de dictators als rijpe vruchten naar beneden kwamen vallen, daar kwam zijn regime de recente golf van protesten zonder al te grote kleerscheuren door. Veel nieuws is er in feite niet onder de zon: sinds de grote opstand van de Berberbevolking in Kabylië (2001) vormen volksprotesten een vast onderdeel van het politieke landschap. Alleen al over het jaar 2010 registreerde de politie meer dan tienduizend relletjes op het Algerijnse territoir. De aanleiding kan van alles zijn: een beloofde water- of gasleiding die maar niet wordt aangelegd; aanhoudende elektriciteitsstoringen; huisvuil dat nooit wordt opgehaald of het zoveelste dodelijke verkeersongeval ten gevolge van een niet gerepareerde weg. Hoe kan het dat de protesten in Algerije, anders dan in bijvoorbeeld Tunesië of Egypte, niet uitgroeiden tot een breed gedragen politieke beweging die het hoofd van Bouteflika eist?

Tot op zekere hoogte is dat de verdienste van het regime zelf, gepokt en gemazeld als het in de loop der jaren is geraakt in het beheersbaar houden van de sociale onvrede. Een autoritair regime dat onder vuur komt te liggen probeert het eerst met intimidatie en dan met de belofte van politieke hervormingen. In Tunesië en Egypte bleek dat onvoldoende. Maar Algerije beschikt daarbij over een bijzondere troefkaart: een met 130 miljard dollar gevulde staatskas, afkomstig van heffingen op de olie- en gasexport. En anders dan Moammar Kadhafi weet Bouteflika hoe hij daarvan gebruik moet maken.

Daarover vertellen Algerijnen elkaar de volgende grap. Vraagt Kadhafi aan zijn goede vriend Bouteflika: 'Hoe ben jij er in vredesnaam in geslaagd het gevaar van een volksopstand af te wenden?’ 'Nou gewoon: waar jij zenga zenga riep, daar deed ik banka banka.’ Oftewel: daar waar Kadhafi dreigde de opstandelingen van steeg tot steeg te achtervolgen, trok Bouteflika simpelweg de portemonnee. Na de gewelddadigheden in januari kocht het regime direct een miljoen ton graan op de internationale markt en kondigde subsidies op tal van andere voedselmiddelen aan. Politieagenten konden rekenen op een loonsverhoging van vijftig procent met een terugwerkende kracht van drie jaar. Stakende artsen, leraren, spoorwegbeambten enzovoort konden loonsverhogingen tot soms wel honderd procent tegemoet zien. De regering stelde gratis landbouwgrond in het vooruitzicht aan werkloze jongeren en staat de illegale straathandel nu oogluikend toe. In totaal deelde het regime in de eerste helft van 2011 voor twintig miljard euro aan cadeautjes uit.

'Net als in Saoedi-Arabië werd de sociale onvrede letterlijk afgekocht’, zegt Ali Benyahia in zijn werkkamer op de redactie van de Franstalige krant El Watan. Samen met de andere Algerijnse kranten is El Watan ondergebracht in La Maison de la Presse, een zwaar beveiligde faciliteit die werd gebouwd tijdens de burgeroorlog toen journalisten regelmatig doelwit waren van aanslagen door moslimextremisten. 'Algerije is een wachtkamer geworden’, vervolgt de hoofdredacteur minzaam. 'Iedere beroepsgroep zit erin en wacht tot hij aan de beurt is om geholpen te worden.’ Daarmee toont het regime volgens Benyahia zijn ware gezicht: 'Het corrumpeert, zoals het zelf corrupt is. Het deelt geld uit en houdt de bevolking zo afhankelijk, terwijl het eigenlijk ondernemerszin en staatsburgerschap zou moeten stimuleren. Het is paradoxaal. De regering doet er alles aan om te zorgen dat de protesten geen politiek karakter krijgen, terwijl het probleem juist bij de politiek zit.’

Hij erkent dat dit tot dusver aardig is gelukt: 'Algerije is een snelkookpan op hoog vuur. Het regime weet op het juiste moment de juiste ventielen open te zetten. Toch vraag ik me af hoe lang dat nog goed kan gaan. De druk loopt op; er komt een dag dat de hele zaak uit elkaar zal spatten.’ Benyahia wijst op de impopulariteit van het regime die volgens hem niet alleen tot uitdrukking komt in lage opkomstcijfers bij verkiezingen maar ook in de breed gedragen afkeer van de corruptie, het machtsmisbruik en de willekeur van de machtselite (door de Algerijnen kortweg aangeduid als la hogra, de minachting). Volgens Ahmed Benbitour kan het regime wellicht nog wat tijd kopen, maar géén populariteit. Benbitour ging de geschiedenis in als de premier die opstapte toen Bouteflika voor het eerst buiten het parlement om een wet probeerde door te voeren.

In zijn uitgelekte ambtsbericht had ambassadeur Ford het over 'een gebrek aan visie aan de top’. Benbitour onderschrijft dat volledig. Behalve de corruptie hekelt hij de onverantwoordelijke wijze waarop er met de olie- en gasinkomsten wordt omgesprongen: 'Toen het geld begin 21ste eeuw, dankzij de stijgende olieprijzen, binnen begon te stromen, hebben de autoriteiten verzuimd een eigen industrie op te zetten. Dat zou banen hebben opgeleverd en het land minder afhankelijk hebben gemaakt van import.’ In plaats daarvan werd een deviezenvoorraad aangelegd en geïnvesteerd in megalomane infrastructurele projecten, die niet zelden ten onder gingen in corruptieschandalen. 'Feitelijk is er vanaf 1999 een kloof ontstaan tussen de institutionele macht en de problemen - politiek, economisch en sociaal - die dienen te worden aangepakt. Dit leidde tot een verdieping van de crisis, een toenemende onverschilligheid van de kant van de elite en uiteindelijk tot het verlies van alle moreel onder de bevolking.’

ONDERTUSSEN LEGT de behendigheid waarmee Bouteflika de politieke angel uit de protesten weet te halen het onvermogen van de bevolking bloot om zich te mobiliseren en het regime zo niet omver te werpen, dan toch diepgaande hervormingen af te dwingen. 'De Algerijnse samenleving is volledig geatomiseerd’, verzucht Wassyla Tamzali. De prominente publiciste en vrouwenrechtenactiviste probeert deze situatie te verduidelijken met behulp van de volgende parabel. Een Arabische vorst krijgt op een dag een grote mannetjesolifant cadeau van een bevriende heerser. De vorst is zeer vereerd met het geschenk, maar weet niet precies wat hij ermee aan moet. In zijn paleis is voor een olifant geen plek. Daarom geeft hij het dier de vrijheid. Maar de rondzwervende olifant richt in de omliggende dorpen een geweldige ravage aan. De bevolking zit met de handen in het haar. Ze vrezen de toorn van de vorst wanneer ze zich bij hem gaan beklagen. Maar er moet iets gebeuren. Daarom spreken ze af met z'n allen te gaan. Eén persoon zal het woord voeren, waarbij de anderen dan instemmend zullen knikken. Ze gaan naar het paleis en de woordvoerder begint zijn verhaal. 'Sire, ik weet niet goed waar ik moet beginnen, maar die olifant van u…’

'Wat is daarmee?’ antwoordt de geïrriteerde vorst op bitse toon. Angstvallig draait de woordvoerder zich om en ziet dat alle anderen bedremmeld naar de grond staren. 'Nou’, vervolgt hij tot de vorst, 'we vonden het zo zielig dat het dier alleen is en vroegen ons daarom af of u geen vrouwtje voor hem regelen kunt.’

De geografische, culturele en linguïstische verscheidenheid is groot in Algerije en volgens Tamzali is het beetje civil society dat er bestond, verzwolgen door de burgeroorlog van de jaren negentig. 'Algerije heeft een relatief grote persvrijheid’, zegt ze. 'Maar het zijn individuen die daar gebruik van maken. Een georganiseerde protestbeweging ontstaat er niet uit.’

Je kunt je afvragen in hoeverre landen als Egypte, Syrië en laat staan Libië beschikken over de civil society waar Tamzali op doelt. Het ontbreken daarvan stond een massale volksopstand tegen het regime in ieder geval niet in de weg. Volgens Nacer Djabi verklaart het geatomiseerde karakter van de Algerijnse samenleving dan ook lang niet alles. 'Anders dan de omringende Arabische landen heeft de macht in Algerije geen duidelijk gezicht’, zo zegt de socioloog in de marge van een wetenschappelijke conferentie in Algiers. 'In Tunesië had je Ben Ali, in Egypte Moebarak, in Libië Kadhafi, enzovoort. Maar van een persoonlijkheidscultus vergelijkbaar met die rond deze leiders is bij Bouteflika geen sprake. Bovendien weet iedereen in Algerije dat de president slechts een van de actoren is binnen een systeem dat hij zelf amper controleert.’

De woede van de Algerijnen richt zich dan ook niet zozeer op de persoon van Bouteflika, maar op 'het systeem’ - een ondoorzichtige machtskliek waar naast politici ook generaals van het leger en de veiligheidsdiensten deel van uit maken. Maar net zoals niemand tijdens de burgeroorlog precies wist wie wie vermoordde en waarom, zo weet ook niemand in Algerije wie er nu eigenlijk precies de baas is. 'Het is een maffia in de klassieke betekenis van het woord’, zegt Benyahia. 'Binnenin is een nietsontziende factiestrijd gaande met als inzet de van olie- en gasdollars uitpuilende staatskas. Maar op het moment dat de rivaliserend groepen van buiten worden aangevallen, sluiten de rijen zich.’

Sinds de onafhankelijkheid in 1962 nemen leger en veiligheidsdiensten een hegemoniale positie in binnen de Algerijnse samenleving, een positie die mogelijk nog werd versterkt tijdens de burgeroorlog van de jaren negentig. Door een aantal machtige generaals met pensioen te sturen heeft Bouteflika weliswaar zijn best gedaan het primaat terug te brengen bij de politiek, maar toch lijkt dat slechts gedeeltelijk gelukt. Sommigen fluisteren dat het in werkelijkheid nog steeds Mohammed Mediene is die achter de schermen bepaalt wat er gebeurt. Mediene, bijgenaamd 'Toufik’, werd in de jaren zestig opgeleid in de Sovjet-Unie en is sinds 1990 directeur van de machtige binnenlandse veiligheidsdienst DRS. Vanwege zijn zorgvuldig mijden van de openbaarheid - er is slechts één foto van hem bekend - groeide hij in Algerije uit tot een figuur van welhaast mythische proporties.

Volgens Djabi heeft het diffuse karakter van de macht in Algerije belangrijke consequenties. 'De revoluties in Tunesië, Egypte et cetera begonnen als opstanden tegen de leider die symbool stond voor het autoritarisme, het machtsmisbruik en de corruptie. Zo'n figuur ontbreekt in Algerije. Tegen wie moet je in opstand komen in een land waar niemand precies weet wie er de lakens uitdeelt?’

Fadila Chitour ervoer wat dat betekende. Met een klein groepje medeactivisten trotseert het afdelingshoofd van het ziekenhuis in de volkswijk Bab El Oued elke zaterdag het demonstratieverbod dat in de hoofdstad geldt. 'We dachten eerst: we schrijven “Bouteflika, wegwezen!” op onze spandoeken, net zoals ze dat in Tunesië eerder met Ben Ali hadden gedaan’, zegt ze in een brasserie. 'Maar toen beseften we dat daar totaal geen mobiliserende kracht vanuit ging en zijn vertrek bovendien niets zou oplossen.’

MAAR HET IS niet alleen onvermogen om een revolutie te ontketenen. Het is ook onwil. 'Vergeet niet dat wij onze revolutie in zekere zin al achter de rug hebben’, zegt Tamzali, onder verwijzing naar 5 oktober 1988, toen bij een volksopstand vijfhonderd mensen omkwamen na ingrijpen van het leger. Het luidde het begin in van wat destijds de 'Algerijnse Perestrojka’ werd genoemd: een serie hervormingen zoals de introductie van een meerpartijenstelsel en vrijheid van expressie. 'Het politieke leven kreeg meer schakeringen’, zegt Tamzali, 'al bleef het onder streng toezicht van het leger.’

De jaren daarna werden gemarkeerd door de opkomst van de Islamitische Heilspartij (FIS), die openlijk pleitte voor afschaffing van de democratie en de invoering van een islamitische staat. Zij kon rekenen op steun van radicale moslims, maar ook op veel gewone Algerijnen die gaandeweg teleurgesteld waren geraakt in de twee constanten van de Algerijnse politiek sinds de onafhankelijkheid: de almacht van de generaals en de socialistische orthodoxie. Toen de FIS in december 1991, in de eerste ronde van de parlementsverkiezingen, een overweldigende meerderheid haalde, greep de legertop in. De tweede ronde van de verkiezingen werd afgelast en de leiders van de FIS verdwenen achter de tralies. De partij zelf werd ontbonden. In de jaren erop zagen groeperingen als de Gewapende Islamitische Groep (GIA) het licht. Zij toonden zich vastbesloten alsnog met wapens te veroveren wat hun eerder via de stembus was onthouden. Een guerrillastrijd volgde en een golf van aanslagen op de burgerbevolking ontwrichtte het land. Tijdens het Zwarte Decennium, zoals de jaren negentig in Algerije heten, kwamen naar schatting 150.000 mensen om.

'Ik heb hier destijds de afgerukte lichaamsdelen met eigen ogen voorbij zien vliegen’, zegt Rachid, een 46-jarige restauranthouder aan Place du Port Saïd. 'De mensen koesteren weliswaar diepe minachting voor het regime, maar ze zien geen alternatief. Ze houden hun hart vast op dit moment, want ze zijn als de dood voor een nieuwe geweldsgolf.’

'Aan verzetsgeest ontbreekt het ons allerminst’, zegt de Algerijnse romancier Yasmina Khadra (pseudoniem voor Mohammed Moulessehoul) tweeduizend kilometer verderop, in zijn werkkamer in het Algerijnse cultureel instituut te Parijs. 'Dat hebben ze al 150 jaar achtereen bewezen. Eerst streden ze tegen de Fransen en toen tegen hun eigen autoritaire leiders. Nooit hebben ze zich de mond laten snoeren.’ En inderdaad, de radio en televisie staan weliswaar onder strenge staatscontrole, maar in kranten en op internet wordt ongehinderd op het regime ingehakt. 'Maar de burgeroorlog van de jaren negentig heeft diepe sporen achtergelaten.’

Moulessehoul, wiens oeuvre in 38 landen werd vertaald, weet waarover hij spreekt. Als officier in het Algerijnse leger bond hij gedurende de jaren negentig de strijd aan met de moslimextremisten. 'Het volk is moe’, zegt hij nu. 'Algerije kan er niets meer bij hebben, na de wonden die het terrorisme heeft geslagen, na de jarenlange cyclus van opstand en geweld. De tragiek van dit land is dat er een elite zit die haar verantwoordelijkheid niet neemt. Politici vertegenwoordigen slechts zichzelf. Het regime heeft gefaald en denkt nu dat het nog steeds iets kan betekenen voor dit land. Ten onrechte.’

'We lopen langs het ravijn’, zegt Fadila Chitour. 'De mensen houden echt de adem in. Ze worden gekweld door het idee dat het mogelijk allemaal kan mislukken. Maar tegelijk beseffen ze ook dat er iets fundamenteel moet veranderen. De grote vraag is of dat op een vreedzame manier zal gebeuren of toch via geweld.’

IS HET REGIME in staat het tij ten goede te keren? Ali Benyahia heeft daar grote twijfels bij: 'Het is bejaard, in zichzelf gekeerd, niet geloofwaardig en incapabel. Ministers geven dat privé ook toe. Ze koesteren een diepe minachting voor het systeem waar ze zelf deel van uitmaken.’ Daarmee tekent de werkelijke tragiek van Algerije zich af. Goed bewind vraagt om controlemechanismen en heeft druk nodig van buitenaf. Maar het zittende regime is te gecorrumpeerd en te verkalkt om dergelijke mechanismen te organiseren. Tegelijkertijd is de bevolking niet bij machte zich te mobiliseren om deze desnoods via de straat af te dwingen.

'We zitten echt in een impasse’, zegt Ahmed Benbitour. Volgens de oud-premier is een vreedzame uitweg slechts mogelijk wanneer burgers en overheid zich gezamenlijk beraden op een geheel nieuwe wijze van besturen. 'Het allerbelangrijkste is dat er, via eerlijke verkiezingen, een nieuwe generatie politiek leiders aan de macht kan komen. Competent, integer en hervormingsgezind.’

'Idealiter zien de huidige beslissers in dat ze het land niets meer te bieden hebben en verdwijnen ze met stille trom van het toneel’, aldus Mustafa Bouchachi. 'Geld en staatseigendommen die ze gestolen hebben, mogen ze wat mij betreft houden.’ Ondertussen kijkt Algerije vanaf de zijlijn toe hoe de karavaan van de Arabische lente voorbij trekt. Wassyla Tamzali blijft niettemin hoopvol: 'Met de revoluties in Tunesië en Egypte is de geschiedenis weer in beweging gezet. Er wordt nu afgerekend met het postkoloniale tijdperk en de regimes die op hun beurt het product van de kolonisatie waren. De draad kan nu weer worden opgepakt bij het moment van de onafhankelijkheid. Vroeg of laat zal ook Algerije daarin volgen, want de geschiedenis laat zich niet hervormen. Zij ontrolt zich.’