Rusland - Artemy Troitsky

‘Het volk is passief, apathisch, cynisch’

Hoewel de cultuur onder Vladimir Poetin zeker nog leeft, wordt de ruimte voor kunstenaars beperkter. ‘De angst is terug’, zegt de Russische journalist Artemy Troitsky, die zelf vertrok naar Estland.

Medium hh 7227934
Moskou, augustus 2010. Politie probeert journalist Artemy Troitsky (links) tegen te houden bij het Poesjkinplein © Jeremy Nicholl / HH

Het is dat we een afspraak hebben, anders had ik de Russische journalist Artemy Troitsky (1955) niet herkend. Hij heeft grijs borstelhaar en onder zijn zwarte coltrui prijkt een buikje. Maar als je door de tijd heen kijkt, staat daar de man die ik 25 jaar geleden sprak in zijn appartement in Moskou. Tijdens het interview over het culturele leven in het postcommunisme hing zijn beeldschone vriendin broeierig om hem heen. Zij was modeontwerpster en organiseerde met hem shows in oude fabriekshallen waar fotomodellen in tsaristische outfits onder begeleiding van rockbands over de catwalk liepen. De hoofdstad van het ingestorte sovjetrijk bruiste van optimisme.

‘Die tijd is ver weg, de angst is weer terug’, zegt Troitsky enigszins mat in het restaurant van een Amsterdams hotel. Hij is een paar dagen in Nederland voor een debatavond die is georganiseerd door het Institute for War and Peace Reporting, een internationaal media-instituut dat in 1991 is opgericht en zich richt op landen waar de persvrijheid onder druk staat. Mediamagnaat Derk Sauer zet zich hiervoor in vanuit Nederland. De bijeenkomst gaat over de lange arm van president Vladimir Poetin en hoe journalisten in Rusland en Oekraïne moeten omgaan met nepnieuws en desinformatie. Troitsky staat op het programma vermeld als een Russische activist. Zo zou hij zichzelf in de jaren negentig niet hebben betiteld. Wél in de periode daarvoor.

Artemy Troitsky was in de jaren tachtig de stuwende kracht achter de culturele undergroundbeweging die zich letterlijk in de kelders van de Sovjet-Unie afspeelde. ‘Daar waren we, jong, kwaad en bezield, in het hartje van het imperium van de Leugen, en we moesten op de een of andere manier zien te overleven. Onze woede was gerechtvaardigd, maar gevaarlijk. Het lot van de meerderheid was vervreemding. Velen belandden in psychiatrische inrichtingen of – een heel drastische oplossing voor het probleem – emigreerden’, schreef hij in 1990 in zijn boek Tusovka: Who’s Who in New Soviet Rock Culture (in het Nederlands vertaald als Kinderen van de glasnost). Hij beschrijft daarin hoe zijn generatie leefde in ‘een permanent buitenstaanderschap’ en zich uitsluitend bezighield met allerlei onofficiële kunstvormen als experimentele punkrock, avant-gardeschilderkunst en design, performancekunst en radicale mode.

Ze deelden met elkaar een grondige hekel aan de staat, de politiek en vooral aan de brave ‘goedgekeurde’ levensstijl. Eerder verscheen van hem Back in the U.S.S.R.: True Story of Rock in Russia (1987). Beide boeken brachten hem grote bekendheid in het buitenland. Onder president Boris Jeltsin groeide hij uit tot de ongekroonde koning van het opkomende uitgaansleven. Hij publiceerde artikelen over popmuziek en was hoofd van de muziekafdeling van de nieuwe televisie. Met zijn rossige bos krullen, hippe bril en zwarte kleren zag hij er zelf uit als een rockster. De vrijheid gaf hem vleugels, hij werd een tv-persoonlijkheid. En ook een beetje rijk.

Hij zucht een paar keer als hij vertelt hoe het intellectuele klimaat nu is. ‘De wetenschap wordt relatief met rust gelaten, onafhankelijke wetenschappelijke instituten blijven onder de radar van de politie. Voor kunstenaars en journalisten is de speelruimte daarentegen zeer beperkt. Er is weliswaar formeel geen censuur, maar de grens is duidelijk: patriottisme, Poetin en corruptie. Sinds de oorlog in Oost-Oekraïne is de uitingsvrijheid verder gekrompen. Sites van kritische journalisten worden vaak uit de lucht gehaald. De redacteuren van de onafhankelijke krant Novaja Gazeta zijn niet bang. Het is een heel kleine groep.’

Veel intellectuelen zijn de laatste jaren geëmigreerd. De performancekunstenaar Pjotr Pavlenski, die uit protest tegen de arrestatie van Pussy Riot in 2012 zijn lippen dichtnaaide en later zijn testikels vastnagelde aan het Rode Plein, vertrok bijvoorbeeld naar Parijs toen hij officieel werd beschuldigd van verkrachting. ‘Iemand zwartmaken is een communistische manier om van tegendraadse burgers af te komen.’ Troitsky emigreerde in 2014 naar Tallinn, samen met zijn derde vrouw en twee kinderen. Hij schrijft in het Russisch voor onder meer Novaja Gazeta en voor zijn eigen blog. Hij heeft een radioprogramma over popmuziek en geeft lezingen. Geen vetpot, maar dat was hij onder het communisme al gewend.

‘We besloten weg te gaan in de zomer, de hysterie van het militarisme was op een hoogtepunt door de strijd in Oekraïne. Ik voelde me vreselijk, moreel zeer oncomfortabel en ik maakte me speciaal zorgen om mijn kinderen, toen elf en vier jaar, die op school vergiftigd werden met propaganda.’ Er speelde meer, geeft hij toe. Hij verloor zijn werk als hoogleraar op de universiteit en bij de tv lag hij onder vuur. ‘Ik stond al langer op een zwarte lijst. Mijn salaris ging in één keer twintig keer omlaag, van zestigduizend naar drieduizend roebel. Ze zeggen niet direct dat je moet ophoepelen.’

‘Pussy Riot was een hamerslag in het gezicht van het Kremlin. Helemaal in de traditie van Russische avant-garde’

Tallinn lijkt wel wat op Nederland, zegt hij. ‘Het is een klein land, netjes, schoon, rustig. Economisch gaat het goed. Er heerst een creatief klimaat, Skype is hier bijvoorbeeld uitgevonden. Het is een vrijplaats geworden voor Russische schrijvers, kunstenaars en jonge ondernemers die het onder Poetin niet meer uithouden. Volgens de Russische propaganda is het een nationalistisch pseudo-fascistisch land. Dat is totale onzin. Net als de zogenaamd vijandige houding van de bevolking tegen Russen. Daar merk ik niks van, zolang je je niet bruut gedraagt zoals vroeger de manschappen van het Rode Leger deden die zich hier heer en meester voelden. Het is allemaal mythevorming.’

De Troitsky’s hebben niet alle bruggen achter zich verbrand, ze houden hun appartement in Moskou aan, in de hoop dat Rusland ooit een normaal land zal worden. ‘Zonder orthodoxe kerk, zonder corruptie, zonder militarisme en met vrijheid. We gaan wel vaak terug, bijna elke maand ben ik er. Ik mis Rusland, mijn vrienden en mijn twee dochters uit mijn eerste huwelijk die in Moskou studeren. Als ik er ben ervaar ik geen enkele tegenwerking.’

De emigratiegolf is een enorme aderlating. Toch is het artistieke leven in Rusland niet op sterven na dood. ‘Kwaliteitscultuur, het is er wel’, zegt Troitsky. ‘Met name in de filmwereld gaat het goed, vooral documentaires die jonge mensen relatief makkelijk en goedkoop kunnen maken. Die worden in het buitenland op festivals vertoond of worden verspreid via eigen kanalen op het internet. In de popscene is hiphop en rap relatief nieuw, dit genre leent zich uitstekend voor onze taal. Noize Mc en Oxxxymiron zijn daar goede voorbeelden van. Schrijvers die in de jaren tachtig de intellectuele voorhoede vormden zijn weer actief; ze schrijven liederen, ze bloggen, ze willen niet zwijgen. Hun comeback vind ik hartverwarmend en hoopgevend.’

Hij veert op als hij spreekt over Pussy Riot. ‘Hun performance in de Christus de Verlosser-kathedraal was echt geweldig. Maar het vergaat hun net als Gorbatsjov: ze zijn in het Westen populair maar niet in eigen land, ook niet onder een deel van de intellectuelen. Zij vonden dat ze te ver waren gegaan en slechte muziek maakten. Nu ze hun succes kapitaliseren met hun boeken en optredens in het Westen krijgen ze kritiek uit de alternatieve kunstscene. Ik vond ze fris, grappig, dynamisch, een hamerslag in het gezicht van het Kremlin. Helemaal in de traditie van Russische avant-garde. Het was een belangrijk statement.’

Over de hele linie is Troitsky vooral pessimistisch. ‘Er is een enorme kloof tussen steden als Sint-Petersburg en Moskou en de rest van het land – dat is de Derde Wereld. Daar is niets anders dan een concertzaal en een theater, net als in de sovjettijd. En natuurlijk is er de allesoverheersende televisie die 24 uur per dag uitzendt. Mensen consumeren de hele dag soapseries en shows met tussendoor nieuws. Alles is verbonden met de officiële politiek, tv is hét instrument van propaganda. Hoewel het internet de tv begint over te nemen, en daarvan is de inhoud voor het Kremlin minder beheersbaar.’

Het Rusland van nu doet hem denken aan de Brezjnev-tijd: ‘Toen geloofde misschien vijf procent nog in het communisme, een heel kleine minderheid was dissident en de meerderheid was indifferent. Hetzelfde beeld zie je nu. Uit peilingen blijkt dat tachtig procent achter Poetin staat. Natuurlijk geeft men een gewenst antwoord om geen problemen te krijgen. In werkelijkheid steunt geen vijf procent hem en minder dan vijf procent is actief binnen de oppositie. De rest van de bevolking is passief, apathisch, cynisch – het maakt hun niks uit. Net als toen ligt de economie op z’n gat en wordt er oorlog gevoerd om de boel af te leiden, toen in Afghanistan, nu in Oekraïne. Die strijd heeft ons land gespleten, de meerderheid vindt het een misdaad maar durft daar niks van te zeggen.’

Toch, zegt hij, is er een belangrijk verschil: ‘Er is openlijke oppositie, met Aleksej Navalny als sterke en moedige leider die ik van harte ondersteun. Hij heeft een fantastisch team van jonge, slimme mensen en laat zich niet weerhouden om door te gaan. Hij is hét doelwit van de zittende macht en wordt gedemoniseerd. Hij zou een Amerikaanse spion zijn, terwijl hij tegenover het Westen wordt neergezet als een fascistische nationalist. Ondertussen wordt in het hele land frequent massaal gedemonstreerd. Jongeren vinden het cool om te protesteren, ze maken dan selfies en plaatsen die trots op hun Facebook. Ik vind dat een interessante trend. In onze tijd was muziek alles, daarmee uitten wij onze woede tegen het regime. Nu is het belangrijk wat je persoonlijk doet, wie je bent en dat op klein niveau.’

Hij ziet uit de demonstraties geen volksopstand tegen Poetin ontstaan: ‘In Rusland komt verandering alleen tot stand vanuit de top, zoals gebeurde toen Chroesjtsjov en Gorbatsjov van binnenuit het systeem hervormden.’ Het zijn ook die twee periodes uit de geschiedenis van zijn vaderland waarop hij trots is: ‘In de jaren zestig gebeurde er creatief gezien veel interessants. Het ging in de Sovjet-Unie voorspoedig, we waren apetrots op kosmonaut Juri Gagarin. In de tweede helft van de jaren tachtig barstte met de komst van Gorbatsjov de ondergrondse beweging als een vulkaan naar buiten. Een explosie van creativiteit. Aan de ene kant geen censuur meer en aan de andere kant nog geen dictatuur van de markt, de deuren gingen wijd open. Het is een periode die synchroon liep met het hoogtepunt in mijn persoonlijke leven. Wij vierden de vrijheid.’

Totdat met de introductie van het wilde kapitalisme iedereen in de greep raakte van het rijk worden. ‘In mijn kring sprak iedereen over sponsors, over boekingen voor optredens in het buitenland. Slechts enkelen zijn succesvol geworden, de meesten waren slechte kopieën van David Bowie, Frank Zappa of Pink Floyd en konden niet meekomen in de concurrentiestrijd. Niemand in het Westen zat op ons te wachten, op muzikanten uit de oude Sovjet-Unie. Dat is tragisch.’