In het kielzog van Tunesië

Het volk wil leven

Het Arabische achterland is een tijdbom die steeds sneller tikt. Ook de revolutie in Tunesië begon ver weg van de hoofdstad. ‘Alle industrie zit aan de kust.’

Medium 11221102

TUNIS - Onder het regime van Zine El Abidine Ben Ali vertelden de inwoners van El Guettar elkaar de volgende grap. Op een dag doet een ongelovige de stad aan. ‘Is hier industrie?’ vraagt hij de bezoekers van het koffiehuis.
'Nee, niets’, krijgt hij als antwoord.
'Zijn hier mensen die in dienst zijn van de overheid?’ probeert de ongelovige.
Opnieuw luidt het antwoord negatief. 'Ben Ali wil geen moslims in overheidsdienst en hier in El Guettar is nagenoeg iedereen praktiserend moslim.’
'Werken de mensen dan soms in de landbouw?’ probeert de ongelovige, die ongeduldig begint te worden.
'Slechts een handjevol mensen werkt op het land.’
'Hoe houden jullie je dan in leven?!’
'Geen idee’, zeggen de koffiehuisbezoekers schouderophalend.
'Dan kan het niet anders dan dat er een God bestaat’, verzucht de ongelovige.
El Guettar is een stadje bijna vierhonderd kilometer ten zuiden van de hoofdstad. Het vormt de poort tot de onmetelijke woestijn en ligt op de doorgangsweg naar Libië. Dat is te merken: met enige regelmaat daveren pick-uptrucks vol met jerrycans door de hoofdstraat. Smokkelwaar uit het olierijke buurland. Een paar duizend Guettariens namen er hun toevlucht toe, en dat is niet voor niets. Ongeveer de helft van de dertigduizend inwoners van El Guettar is werkloos en de banen die er zijn worden per opbod verkocht. Haykel Mahjouba kan daarover meepraten. In het lokale vakbondskantoor vertelt hij hoe hij vorig jaar solliciteerde als onderhoudsman bij de spoorwegen. 'De medische keuring kwam ik niet door. Ik zou een gehoorafwijking hebben, terwijl ik nog nooit problemen met mijn oren had gehad. Maar als ik vierduizend dinar zou betalen, kreeg ik de baan alsnog.’ Mahjouba had geen geld en dus ging de baan naar iemand anders.
'De frustratie zit diep’, zegt Mohammed Ammar, leraar Frans op het plaatselijke lyceum. 'Alle industrie zit langs de kust. Ben Ali heeft het binnenland systematisch verwaarloosd. Wat er te halen viel, werd geroofd door leden van zijn clan. Ze verdomden het om hier ook maar een dinar te investeren. Dat alles heeft veel kwaad bloed gezet in deze streek.’

HET ARABISCHE achterland is een tijdbom die steeds sneller tikt. De afgelopen jaren hadden de dictators in de hoofdsteden al het nodige te duchten van de regio’s. Soms kenden de protesten een etnisch karakter, zoals in Syrië waar in 2005 Koerden in het noorden in opstand kwamen en hevig slaags raakten met de politie. Dan weer was de motivatie religieus van aard, zoals bij de aanslag in de Egyptische badplaats Sharm El-Sheikh datzelfde jaar. Maar meestal zijn er andere factoren in het spel. Zo eisten demonstranten in de stad Karnak, Jordanië, in 2008 het vertrek van de regering uit onvrede over stijgende voedselprijzen en in de zuidelijk gelegen havenstad Sidi Ifni, Marokko, blokkeerden jongeren datzelfde jaar de haven uit onvrede over de hoge werkloosheid en de hoge prijzen.
Ook in het Algerijnse achterland gist het al een tijdje. Dit weekend stierf een man die zich voor het gemeentehuis van de zuidelijke stad Tebessa in brand stak nadat hij daar eerder vergeefs was komen smeken om een woning en een baan. Drie anderen gingen hem voor. In El Bayha, duizend kilometer van de Libische hoofdstad Tripoli, trotseerden honderden demonstranten begin dit jaar de politieknuppel in hun protest tegen, ook hier, hoge voedselprijzen.
Ook de huidige revolutie in Tunesië begon ver weg van de hoofdstad en volgens Ammar Jelassi, die na een twintigjarige carrière in de Arabische Emiraten als adviseur werkt op het ministerie voor Industrie in Tunis, is dat geen toeval: 'Ik berekende eens het verschil in consumptiebestedingen tussen de zuidelijke regio’s en de agglomeratie van Tunis, dus inclusief de sloppenwijken’, zegt hij in zijn auto terwijl hij op een blocnote een grafiekje krabbelt. 'Uitgaand van een indexcijfer van 100 scoort de regio 62 en het gebied rond de hoofdstad 131. Om de zaak weer enigszins in balans te krijgen zou een kwart van de investeringen in de hoofdstad verplaatst moeten worden naar het binnenland.’
Iets dergelijks geldt volgens Jelassi voor rijke kustplaatsen als Sousse en Sfax: 'Dat het niet is gebeurd heeft te maken met het feit dat de familie van Ben Ali uit de streek rond Sousse komt en hij zijn vrienden uit de eigen regio heeft bevoordeeld. Maar het is ook economische logica. Tunesië is een exportland. Grote industrie concentreert zich aan de kust aangezien zich daar de havens bevinden van waaruit de producten worden verscheept. De spanning in Tunesië is dus niet zozeer tussen stad en platteland, als wel tussen de kust en het verwaarloosde achterland.’
Dat blijkt wel in Gafsa, de vierde stad van het land op een kwartiertje rijden van El Guettar. In theorie zou het de rijkste stad van Tunesië moeten zijn. De mijnen even verderop leveren het fosfaat dat samen met het toerisme de belangrijkste kurk is waar de Tunesische economie op drijft. Alleen: 65 procent van de hoger opgeleiden is er werkloos. De bewoners van Gafsa zien slechts de goederentreinen met het donker-grijze goud door hun stad denderen. Die rijdt linea recta door naar de chemische bedrijven aan de Golf van Gabes.
'Hier zou marmer kunnen liggen’, zegt Moez Slimani, terwijl hij wijst op de gaten in de straten van het centrum van Gafsa. 'Maar het marmer ligt aan de kust, in de paleizen van Ben Ali’s schoonfamilie!’ De 29-jarige onderwijzer loopt mee in de dagelijkse protestdemonstratie tegen de voorlopige regering waarin zeven leden van Ben Ali’s partij rcd zetelen. 'De diefstal is onder Bourguiba begonnen’, zegt hij onder verwijzing naar Ben Ali’s voorganger. 'De rovers van Ben Ali hebben ten slotte alles meegenomen. Niets gaven ze ons terug. De bioscoop, de overheidsgebouwen, de wegen en het station, het dateert allemaal nog uit de Franse tijd.’

IN 2008 was Gafsa maandenlang in de greep van een staking, de grootste protestbeweging tegen het regime tot dan toe. Die begon zestig kilometer westwaarts, in de mijnstreek nabij de Algerijnse grens. In het stadje Moulares maakte het stadhuis begin dat jaar een lijst met namen openbaar van mensen die in aanmerking kwamen voor een baan in de aanpalende fosfaatmijn. Meer dan duizend mensen hadden zich opgegeven, maar ze kwamen bedrogen uit. Alleen degenen die bereid waren geweest een fors bedrag te betalen kregen een baan.
'Nog diezelfde avond organiseerden we een sit-in voor het stadhuis’, vertelt vakbondsman Nouredine El Heni bij de ingang van de fosfaatwasserij pal in het centrum van de mijnstad. 'Dat was een actie die op zichzelf al ongehoord was. Een paar dagen later gingen we in tentjes op het spoor zitten zodat de fosfaattreinen niet konden vertrekken.’ De schermutselingen sloegen al snel over naar het verderop gelegen Redeyef en ten slotte naar alle stadjes van het mijnbassin. Vijf maanden hielden de mijnwerkers stand. Buiten het zicht van de internationale media weerstonden ze politiecharges, plunderingen van hun huizen, bedreigingen van hun dierbaren en martelingen in de cel. Pas toen Ben Ali de politie verving door het leger verstomde het protest.
'Het was geen politiek gemotiveerde op-stand’, benadrukt Hajji Admane, destijds de charismatische leider van de beweging, in zijn huis in Redeyef. 'Onze slogan luidde “waardigheid en standvastigheid”; we streden voor werk en tegen het cliëntelisme.’ Volgens Admane was het mijnwerkersprotest historisch in die zin dat het de eerste keer was dat de onvrede in de regio uitmondde in een coherente en breed gedragen protestbeweging. 'Daarmee lieten we zien dat verzet mogelijk was en legden we in zekere zin de basis voor de huidige omwenteling.’ Weliswaar deed Ben Ali na het neerslaan van het protest allerlei beloftes om de zaak in te dammen, maar zijn regering werd door de economische crisis ingehaald. De aanhoudende misère, de steeds uitbundiger geëtaleerde rijkdom van zijn schoonfamilie en de daad van Mohamed Bouazizi deden de rest.
BOUAZIZI is de Jan Palach van de Tunesische revolutie. Maar dat hij zich in brand stak in Sidi Bouzid en niet in Tunis is veelzeggend.
Sidi Bouzid is een tamelijk nietszeggend stadje op zo'n honderd kilometer ten noorden van Gafsa. Die afstand is net genoeg om amandelbomen te laten groeien en olijfplantages aan te leggen. Maar de bewoners hadden weinig geluk. 'De beste grond is hier ingepikt door de clan van Ben Ali’, zegt advocaat Mohamed Jalali. 'Ik heb de vervalste akten met mijn eigen ogen gezien.’ Ook in Sidi Bouzid wordt tegen de voorlopige regering geprotesteerd. Jalali loopt met een twintigtal confrères voorop in het cortège. Vanaf de allereerste protestdag waren ze erbij. 'Zelfs wie hier een bedrijf tot bloei wist te brengen, werd gevonden’, zegt Jalali. 'Het belastingtarief was vijftig procent. Ons volk is 23 jaar in dienst geweest van de familie Ben Ali. Het is tijd om af te rekenen met de prostitutie van dit land.’
Mohamed Bouazizi’s bedrijf bestond uit een kleedje met groenten en fruit. Ook hij moest betalen. Aan de politie. Toen hij weigerde kwamen ze zijn waar in beslag nemen. Een agente sloeg hem in het gezicht. Hij ging verhaal halen bij de gouverneur, maar kreeg nul op het rekest. Toen stak hij zichzelf in brand. 'Precies hier waar we nu staan’, zegt Jalali. Dan, op zangerige toon: ’“s'il arrive au peuple, un jour, de vouloir vivre, il faudrait bien que le destin réponde.” Bouazizi heeft de dichtregel van Abou El Kacem Chebbi opnieuw betekenis gegeven. Zijn daad was de expressie van een nakende opstand.’
Dat het regionale protest tegen werkloosheid en hoge prijzen uitgroeide tot een nationale beweging die om het hoofd van Ben Ali vroeg begrijpt Ammar Jelassi wel: 'De corruptie en de repressie waren in combinatie met de sociale misère ondraaglijk geworden. Ook heb ik er wel vertrouwen in dat de revolutie uiteindelijk zal uitmonden in democratie.’ Maar of de economische situatie in de regio’s zal verbeteren betwijfelt hij. Zelfs nu aan de kleptocratie een einde lijkt te zijn gekomen: 'Ook dat is economische logica, want vergeet niet dat veel van de ellende van het Tunesische achterland is te wijten aan de liberaliseringspolitiek zoals die vanaf het einde van de jaren zeventig werd opgelegd door adviseurs van de Wereldbank. Dat geldt voor meer ontwikkelingslanden. De staat trok zich terug, maar voor de privé-sector is het meestal niet rendabel genoeg om in arme regio’s te investeren.’
Jelassi liet eens uitzoeken wie er in de arme provinciestad Kasserine bereid was over te gaan op gas. Vrijwel niemand. In de rijke kustplaats Bizerte bleek de vraag afdoende om de enorme aansluitingskosten te dekken. Daar koken ze nu op gas. 'Het zijn’, zegt Jelassi, 'de regels van het spel zelf die de ontwikkeling van de regio’s in de weg staan. Alleen een overheid kan dat doen, maar ik denk niet dat een nieuwe regering op de liberalisering van Ben Ali terugkomt. In steden als Tunis zijn de voordelen ervan namelijk weer aantoonbaar groot.’

foto: Mehdi Chebil