Het volledige getuigen

© Frank Ruiter

Als kind al had Simone van Saarloos (1990) niet genoeg aan de voorgeschreven ruimte, in poesiealbums bijvoorbeeld, of bij examenopdrachten. Dat ze buiten de lijntjes wilde kleuren zou zacht uitgedrukt zijn. Zo ongeveer op een derde van haar getuigschrift over het proces tegen Wilders dat in 2016 werd gevoerd, openbaart ze het werkelijke verlangen dat ze als kind koesterde: dat mensen in bed over haar zouden fantaseren, bij voorkeur masturberend. Het zou haar verzekeren van hoogst individuele, en diverse, aandacht. ‘Zo kun je bij iedereen zijn en toch uniek zijn’, schrijft ze. Toen ik het las dacht ik ‘oké’, maar nu ik het overtyp denk ik: maar dat klopt toch helemaal niet? Zo gauw je een collectieve (masturbatie)fantasie bent, appelleer je kennelijk aan een breed gedeelde verwachting. En – noem me cynisch – die verwachting ziet er dan waarschijnlijk behoorlijk eenvormig uit.

Het is iets kleins, maar het is kenmerkend voor de manier waarop Van Saarloos verslag doet van het Wilders-proces: fysiek, prikkelend, associatief, persoonlijk op het schaamteloze af, tot tegendenken uitnodigend. ‘Ik ben hier namens mezelf’, zegt ze tegen de anderen die ook via de sluis toegang hebben gekregen tot de bunker van het Justitieel Complex in Badhoevedorp, veelal journalisten met ‘een verveeld soort zelfvertrouwen’. Van Saarloos zit daar met haar hele ‘lijf’, zwetend, moe, opgewonden, nieuwsgierig naar al die andere ‘lijven’. Het haar van de beschuldigde, de toga van zijn advocaat, de hakken van de rechter, de adem van de journalist, het kruis van de beveiliger, ze zijn net zozeer met betekenis geladen als de woorden, de procedures, de rituelen.

Steevast verbaasd over de berichtgeving in de kranten: is dit de vertolking van de tien slepende uren in de bunker?

Dat het ridicule van dit gelijkschakelen voortdurend op de loer ligt, maakt deel uit van de spannendheid ervan. Enz. is het type filosofische exercitie waarvan je zou willen dat die vaker zou worden ingezet in een poging om een dichtgetimmerd discours open te breken. Van Saarloos, zichzelf losjes plaatsend in de traditie van het Eichmann-watchen van Ahrendt en Mulisch, heeft zichzelf tot taak gesteld een anti-hype-blik te ontwikkelen: wat ertoe doet hoeft er niet per se toe te doen. En dus wordt alles belangrijk: van de manier waarop iemand op zijn pen kauwt tot de slogans die hij uitkraamt, van de plaats die iemand op de tribune inneemt tot het gebrek aan plaspauzes. Soms ontspoort dit (als ze nog een koffie haalt, zegt iemand ‘lekker, een theetje’, waarop zij denkt: waarom verwacht hij dat ik thee drink, waarom zou ik zelf altijd koffie verwachten… yeah right), maar vaker leidt het tot tegendraads inzicht. Hoe kan het dat op Twitter, maar ook op de livestream van de nos, alles spannender oogt dan in de rechtszaal? Is het wel mogelijk om een strijd over verschil zo gelijk mogelijk te voeren? Waarom is niemand nog de gelijkenis tussen Wilders en Eminem opgevallen? Hoezo zou het kwaad op het gezicht terug te lezen zijn, en niet op een ander deel van het lichaam?

Wilders werd aangeklaagd omdat hij Marokkanen als groep had beledigd en aanzette tot discriminatie en haat. Het ging onder meer om de ‘willen jullie meer of minder Marokkanen?’-oproep. Het proces dat zich vervolgens ontrolt staat stijf van het protocol – gelukkig, hoor je hier onmiddellijk achteraan te denken, en zoiets denkt Van Saarloos ook, juist omdat ze erin gelooft. Maar toch. Als de rechter zinnen uitspreekt met ‘want zo zit ons systeem in elkaar’ en ‘omdat de wet nu eenmaal is zoals ze is’, doen die zinnen haar pijn. ‘Het is een vorm van overgave die ik nooit zal kennen – vrees en wens ik.’

Een deel van de kracht van dit boek wordt ontleend aan de gearticuleerde onwetendheid van de schrijver. Zo notuleert ze zich een ongeluk, behept met de angst van de stagiair het essentiële over het hoofd te zien. Bij het aflopen van een zitting is ze steevast kampioen dralen, nog nét niet helemaal de tas inpakken om nog de anderen te kunnen afluisteren, op te vangen wat er écht van belang is. Zich steevast verbazend over de zekere berichtgeving in de kranten: is dit de vertolking van de tien slepende uren in de bunker?

Het grootste deel van de kracht van dit boek wordt ontleend aan de weerspannigheid van de schrijver. Ze is lid van een Rechtse Eetclub, drinkt onder begeleiding van een sjamaan hallucinerende thee, maakt een toneelstuk, mailt en kust met andere weerspannigen. Ze viert als Wilders verkleed carnaval in Venlo (‘Ik voed wat ik bestrijden wil’). Ze is slordig, op het onvergeeflijke af – het gedicht One Art van Elizabeth Bishop wordt zonder de slotstrofe geciteerd – maar debiteert overtuigend: een gebrek is ook een manier om tot weten te komen. En: een canon bestaat omdat het herhalen van dezelfde namen en werken belang creëert. Stay curious, citeert ze Maggie Nelson. Haarfijn schetst ze de veiligheid van de contouren van een debat over radicalisering in altijd hetzelfde hoofdstedelijke etablissement. En levert ze dodelijk commentaar door te laten zien dat de zinnen van Wilders heel goed toe kunnen met een gedeeltelijke weergave.

Ik moest lachen toen ze de vrouw van advocaat Knoops ongevraagd haar meisjesnaam teruggaf: Hamburger. Een daad van paternalisme, vergoelijkt met de opmerking dat ze toch al ‘kapend’ bezig was. Zo hoop ik dat de schrijver mij vergeeft dat ik haar hierbij háár meisjesnaam teruggeef. Die haakjes rond de (e)… kom op. Stay focused, heeft vast ook ooit iemand gezegd. En anders wil ik diegene wel zijn.