Van kindsoldaat tot gevreesde rebel

‘Het vonnis moet mild zijn’

Ex-commandant Dominic Ongwen van het brute Oegandese Verzetsleger van de Heer (LRA) stond in Den Haag terecht voor misdaden tegen de menselijkheid. Volgens zijn advocaten beging hij ze niet vrijwillig en is hij daarom niet verantwoordelijk. Uitspraak in februari.

Aan de rand van de stad Gulu, in het noorden van Oeganda

Hij keek lange tijd niet naar haar. Hij staarde naar de rand van de tafel voor hem en hield zijn handen in zijn schoot alsof hij aan het bidden was. Hij was zichtbaar gespannen, lang voordat hij opstond om zijn verhaal te houden, waarbij hij voorover leunde.

Gillian Mezey, hoogleraar in de psychiatrie te Londen, is een kleine vrouw met donkerblond haar. Ze sprak met een zelfverzekerd, koel en chique Brits accent. Als objectiviteit een stem had, zou die zomaar kunnen klinken als Mezey. Het was 19 maart 2018 toen Mezey voor het Internationaal Strafhof in Den Haag getuigde in het proces tegen Dominic Ongwen, dat op de zevende verdieping plaatsvond. De bezoekers op de tribune konden in de verte de Vermeer-blauwe lucht boven Delft ontwaren.

Ongwen is een voormalig commandant van het Oegandese Verzetsleger van de Heer, het lra, een van de oudste en wreedste rebellengroepen van Afrika. Mezey getuigde, want niets is tijdens dit proces belangrijker en controversiëler geweest dan de mentale toestand van de verdachte, een voormalig kindsoldaat.

Ongwen zat tussen twee grimmig kijkende bewakers in. Zijn huid was lichter geworden na meer dan drie jaar te hebben doorgebracht in de gevangenis in Scheveningen. Hij was aangekomen, maar je kon nog steeds zien dat hij ooit een knappe man was geweest: hoge jukbeenderen, een vierkant gezicht en een diepe frons tussen de ogen die dieper werd naarmate Mezey langer aan het woord was.

Mezey geloofde hem niet. Ze geloofde niet dat hij ernstig geestesziek was geweest, zoals zijn advocaten beweerden. Ongwen, zo zei ze, had ‘zichzelf en de mannen onder zijn commando in de hand gehad’. Al het bewijsmateriaal wees er volgens haar op dat hij deed alsof hij ziek was.

Ongwen luisterde naar de psychiater, die hem nooit persoonlijk had ontmoet, maar bijna drie uur lang over zijn geestelijke toestand praatte. Hij verloor zijn kalmte kort na de lunchpauze. Hij stond op, drukte op de knop om zijn microfoon aan te zetten, raakte verstrikt in zijn koptelefoon en rukte die in één vloeiende beweging van zijn hoofd. In het Acholi, zijn moedertaal, zei hij: ‘Edelachtbare, ik wil niet meer naar deze getuige luisteren. Dank u, mevrouw de getuige. U bent de hele tijd aan het woord. Maar zat u in het lra?’

Hij verhief zijn stem steeds meer. De bewakers links en rechts van hem sprongen op en grepen zijn armen vast. Zijn advocaten draaiden zich om en probeerden hem te kalmeren. Toen sloot het groene gordijn van de bezoekerstribune. Door het glas was gedempt geschreeuw te horen en daarna het geluid van iets zwaars dat op de grond viel.

Okot Aldo (34), voormalig lijfwacht van Dominic Ongwen

Dominic Ongwen zat 27 jaar bij het lra. Eind 2014 was hij gedeserteerd. Toen hij uit de dichte vegetatie nabij Obo, in de Centraal-Afrikaanse Republiek, opdook, had hij alleen nog maar een bijbel bij zich. Hij gaf zich over aan een lokale rebellengroepering. Ze overhandigden hem aan de Amerikaanse speciale strijdkrachten, niet wetende wie hij was.

De Amerikanen probeerden Joseph Kony, de despotische, onvoorspelbare leider van het lra, op te sporen. Er kwamen Amerikaanse soldaten die Ongwen met een helikopter oppikten. Hij vertelde hen wie hij werkelijk was: Dominic Ongwen, een van de vijf lra-commandanten die gezocht werden voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, op grond van een aanhoudingsbevel van het Internationaal Strafhof in Den Haag. Dat bevel was bijna tien jaar oud. Niemand had verwacht dat hij zomaar zou komen opdagen.

In de weken daarvoor was zijn relatie met zijn baas steeds verder verslechterd. Joseph Kony had hem in de gevangenis gegooid en met executie gedreigd. Hij beweerde dat hij met behulp van een van Kony’s eigen lijfwachten had weten te ontsnappen. Dat hij alleen in de wildernis had rondgelopen, meer dan een maand lang, waarbij hij onder meer een aanval van een groep leeuwen had overleefd. Hij leek te geloven dat een hogere macht hem had geholpen. Een wolk, zei hij, had hem op zijn weg begeleid. Hij was duidelijk blij dat hij überhaupt nog leefde. Zijn lichaam droeg de littekens van elf schotwonden.

Na bijna een week brachten de Amerikanen hem over naar een kamp van het Oegandese leger, waar de officieren hem nieuwe kleren gaven, een blauw shirt, een lichte broek. Hij keek naar voetbalwedstrijden, sliep in een officierstent en kreeg ten onrechte van een tolk te horen dat hij naar huis zou mogen gaan, naar Noord-Oeganda. Na negen dagen in Obo werd hij uitgeleverd aan Den Haag.

De Frans-Amerikaanse auteur Jonathan Littell was toevallig in Obo op de dag dat Ongwen werd uitgeleverd. Hij was daar bezig een film op te nemen. Ongwen gaf hem een interview van dertig minuten voordat hij op een vliegtuig naar Bangui, de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek, werd gezet. ‘Het was te kort. Ik kwam nergens met hem’, zei Littell tegen me. Toch onthulde Ongwen wel iets in dat korte gesprek. Hij zei: ‘Wat ik het beste kende in deze wereld was hoe ik een geweer moest gebruiken. Dat was het enige.’

Tien dagen later, op een koude januaridag, verscheen hij voor het eerst voor een rechter in Den Haag. De eerste woorden die hij in de rechtszaal uitsprak waren: ‘Allereerst wil ik God bedanken voor het scheppen van de hemel en de aarde, tezamen met iedereen die op aarde is.’ Hij zag er jong, slank en knap uit. Hij had nerveuze ogen. Hij droeg voor het eerst van zijn leven een pak. Iemand had hem geholpen een geblokte stropdas om te doen.

Het is moeilijk voor te stellen hoe vreemd en ondoorgrondelijk de wereld voor hem moet hebben gevoeld tijdens die eerste dagen in Den Haag: zijn aseptische cel, zijn medegevangenen en zijn bewakers, die geen van allen zijn taal spraken. Hij verstond noch Engels, noch Frans, slechts enkele woorden in het Swahili, wat één andere gevangene sprak. Hij was zo eenzaam als een mens maar kan zijn.

Het was een koude ochtend in Coorom, zonnig, met een licht briesje. Een paar dagen later zou de hitte met het droge seizoen terugkeren. Velden zouden verschroeien, beekjes zouden opdrogen, groen zou geel en bruin worden. Een kleine groep hutten kwam in beeld, net achter een hoog veld met sorghum, slechts enkele dagen voor de oogst. De compound waar Ongwen werd geboren was een rustige plek. Zijn oom en tante wonen er nog steeds, net als een van zijn neven.

Zijn familieleden waren beleefde, bescheiden mensen. De compound was net voordat ik aankwam geveegd. In het midden stond een hoge papajaboom, met grote groene vruchten. Zijn oom, Odong Johnson, heeft hetzelfde, ietwat hoekige gezicht als zijn neef. Hij mist drie tanden in zijn bovenkaak en vier in zijn onderkaak. Met zijn 67 jaar zag hij er fragiel uit, melancholiek, zijn lichaam getekend door een leven van hard werken, oorlog, ontheemding en verlies.

Johnson vertelde me dat toen Ongwen zich in 2015 overgaf ze net begonnen waren met het regelen van zijn begrafenis. Ze hadden allemaal gedacht dat hij al lang dood was. Het had lang geduurd voordat ze genoeg geld hadden gespaard voor die begrafenis.

Als jongen was Ongwen volgens Johnson de beste geweest op zijn school van ruim honderd kinderen. Hij had altijd snel en gemakkelijk geleerd. En hij deed graag iedereen een plezier. Hij klaagde nooit over zijn huishoudelijke taken: water halen uit de rivier een halve mijl verderop, de geiten ’s avonds vastbinden, het vuur aansteken voor de nacht. Ongwens vader was een catechist, een katholieke lekenpriester en leraar, een zeer vroom man, die zijn zoon graag een goede opleiding wilde geven. Ongwen logeerde ook vaak bij zijn grootvader, die in een hut woonde, omringd door mango-, bananen- en sinaasappelbomen, op korte afstand van de andere hutten. ’s Avonds bij het vuur had Ongwen grappen en raadsels verteld. Zijn oom herinnerde zich die nog, meer dan drie decennia later.

In 1980, twee jaar na de geboorte van Ongwen, begonnen twee facties in Oeganda om de macht te strijden, na de ondergang van de wrede dictatuur van Idi Amin. Het geweld werd onder meer uitgelokt door vervalste verkiezingen. De oude ex-president Milton Obote nam de macht over. Obote kwam uit het noorden. De man die als zijn grootste rivaal werd beschouwd, Yoweri Museveni, kwam uit het zuiden. Het nieuwe conflict verdeelde het land en zette het noorden tegen het zuiden op.

Het aanhoudingsbevel voor Dominic Ongwen was bijna tien jaar oud. Niemand had verwacht dat hij zomaar zou komen opdagen

Veel van de soldaten die voor Obote streden, behoorden tot Ongwens etnische groep, de Acholi. Ze vochten voor de verliezende partij. In januari 1986 veroverden Museveni’s troepen de hoofdstad Kampala. Duizenden verslagen Acholi-soldaten vluchtten naar het noorden en probeerden zich te verstoppen in hun geboortedorpen. De nieuwe regeringstroepen volgden snel daarna. Ongwen was ongeveer acht jaar oud toen de oorlog in zijn district aankwam.

Acholiland was vijandelijk gebied voor de soldaten uit het zuiden, en zij gedroegen zich daar ook naar. Duizenden gewone Acholi, die niets met het leger van Obote te maken hadden, werden gearresteerd. Honderden van hen werden standrechtelijk geëxecuteerd. Als reactie op het geweld van de regeringstroepen ontstonden diverse rebellengroepen. Een daarvan was het Verzetsleger van de Heer, het lra. De oprichter, Joseph Kony, was een ajwaka, een heksendokter.

Geestenverering is tot op de dag van vandaag wijdverbreid in het noorden van Oeganda. Heksendokters komen in contact met een onzichtbare, transcendente wereld, die vaak dient om datgene te verklaren wat niet te verklaren valt: ziekten, sterfgevallen, slechte oogsten. De Acholi geloven ook dat de geesten mensen achtervolgen die gemoord hebben. Ze noemen dit fenomeen, dat we zouden kunnen omschrijven als posttraumatische stressstoornis, cen.

Kony heeft echter spirituele overtuigingen en praktijken uitgevonden die veel verder gingen dan de Acholi-traditie. Hij beweerde in contact te zijn met nieuwe, krachtiger geesten. Als hij met deze geesten communiceerde, was Kony in trance. Zijn stem veranderde. De geesten, zei hij, bevalen hem de regering omver te werpen. Dit waren niet meer de traditionele geesten van boeren en herders. Het waren geesten voor een rebellenleider.

Kony verliet zijn geboortedorp Odek in het voorjaar van 1987, met slechts een handvol volgelingen. Kort daarna kreeg hij gezelschap van een groep soldaten van het oude regeringsleger van Milton Obote. De soldaten leerden deze vreemde profeet hoe hij een guerrillaoorlog moest voeren. Het lra werd een kruising tussen een leger en een religieuze sekte.

Wat het lra in eerste instantie miste, waren soldaten. Er waren te weinig vrijwilligers. Het geloofssysteem van het lra was té vreemd en té radicaal om brede steun te verwerven. Kony viel al snel terug op een oude strategie, die min of meer succesvol was toegepast in de burgeroorlog in Angola, door andere militaire groepen die publieke steun ontbeerden: hij begon kinderen te ontvoeren. Kinderen waren kneedbaarder dan volwassenen, hun geloof was sterker, ze vroegen niet om loon en ze liepen niet zo vaak weg als volwassenen als ze onder dwang waren gerekruteerd.

de kinderen van Irene Fatuma Lakica en Dominic Ongwen

Slechts een van de twee ooggetuigen van Ongwens ontvoering leeft nog. Zijn neef, Joe Kakanyero (40), is een breekbare man met fijne gelaatstrekken. Toen ik zijn huis bezocht was de tafel in zijn hut gedekt met een geborduurd wit laken. Daarop lag een bijbel open. De versleten bladzijden en de gerafelde naden duidden erop dat het boek steeds opnieuw was gelezen. Kakanyero had het evangelie van Johannes gelezen, de pagina’s over de eerste verschijning van Jezus Christus.

‘De soldaten wachtten ons op, op de terugweg van school’, zei Kakanyero. ‘Ze hadden zich verstopt aan de kant van de weg. Ze hadden geweren. Ze bevalen ons om hen te volgen, de bush in.’ Kakanyero herinnerde zich dat ze op de eerste dag tot het donker hadden gelopen. ‘We bleven maar van richting veranderen. We bewogen ons als blinde mensen, dan weer deze kant op en dan weer die kant.’ Hun schooluniform, het witte hemd met de donkerblauwe broek, werd verscheurd door boomtakken, struiken en doornen. Ze deden het vier maanden lang niet meer uit.

’s Avonds hadden de rebellen karitéboter, een crèmeachtige, lichte olie, op hun borst en rug gesmeerd, herinnerde hij zich. Er was hun verteld dat de pasta heilig was. In het lra geloofden velen dat karitéboter, vermengd met water, hen beschermde tegen zowel materiële als metafysische bedreigingen: tegen kogels en boze geesten.

Op een gegeven moment tijdens die eerste drie dagen vingen de rebellen een ontvoerde die had geprobeerd te ontsnappen. ‘Ze bonden zijn handen op zijn rug.’ De soldaten hadden de kinderen bij elkaar geroepen – ‘ze legden hem op zijn buik’ – en dwongen hen om toe te kijken. ‘Ze sloegen met de botte kant van een bijl op zijn hoofd, totdat zijn hersenen pap waren.’ Geen van de kinderen was gaan huilen. Kakanyero herinnerde zich de totale stilte daarna. ‘Ik besefte dat als ik niet deed wat ze wilden, ze me zouden vermoorden’, zei hij. ‘Als ik wilde overleven, moest ik gehoorzamen.’ Het was een les geweest die Ongwen meer dan wie ook zou verinnerlijken.

Irene Fatuma Lakica (30) werd ontvoerd en gedwongen Ongwens vrouw te worden

Het Internationaal Strafhof werd op 1 juli 2002 opgericht, en het allereerste arrestatiebevel, in 2005, betrof vijf lra-commandanten. Van die vijf zijn er nog maar twee in leven: Kony en Ongwen. De aanklagers in Den Haag wisten van Ongwens verleden; zij wisten dat hij kindsoldaat was geweest, maar ‘dat deed er niet toe’, aldus de voormalige hoofdaanklager Luis Moreno Ocampo tijdens een telefoongesprek. ‘We vonden dat Ongwen verantwoordelijk was voor de beslissingen die hij als volwassene nam.’

Toen hij eenmaal in Den Haag was, werd hij aangeklaagd op zeventig punten wegens oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Die aanklachten omvatten moord, marteling, beroving, ontvoering van kinderen en volwassenen om (kind)soldaten van ze te maken, misdaden tegen de menselijke waardigheid, verkrachting, en het tot slaaf maken van jonge vrouwen en meisjes. De lijst met aanklachten is zo lang dat het de griffier ruim 26 minuten kostte om ze aan het begin van het proces voor te lezen. Dit was het juridische equivalent van een Jheronimus Bosch-schilderij – een gigantisch tafereel van menselijke wreedheid.

Het vonnis, dat waarschijnlijk op 4 februari 2021 zal worden uitgesproken, moet uitmaken of de excuses die de advocaten van Ongwen hebben aangevoerd geloofwaardig zijn. Louter de slechte ervaringen uit zijn kindertijd, hoe beroerd ook, zullen echter niet genoeg zijn. Aan het begin van het proces zei procureur-generaal Fatou Bensouda dat je in de meeste rechtbanken daders zult ontmoeten die op een bepaald moment in hun leven slachtoffers zijn geweest. ‘Dat je in het verleden slachtoffer bent geweest is geen rechtvaardiging, noch een excuus om anderen tot slachtoffer te maken’, zei ze. En ze voegde eraan toe: ‘We moeten ervan uitgaan dat ieder mens begiftigd is met een morele verantwoordelijkheid voor zijn daden.’

De zaak van Dominic Ongwen is echter een extreem geval. Op de dag dat hij werd meegenomen, werd zijn moeder vermoord, aldus zijn oom en tante. Zij was achter de rebellen aan gerend om haar kind terug te halen, vertelden ze me. De familie probeerde haar tegen te houden, maar ze kon niet van het idee worden afgebracht. De volgende ochtend vond de familie haar lichaam aan de oever van de rivier. Ze was doodgeslagen met bakstenen.

Het is minder duidelijk wat er met Ongwens vader is gebeurd. Er zijn geen directe ooggetuigen van zijn dood, maar alle familieleden zeiden dat hij enige tijd na Ongwens ontvoering door regeringssoldaten werd doodgeschoten.

Ongwen hoorde uiterlijk een jaar na zijn ontvoering over hun dood, toen een van zijn nichten, Lily Atong, die iets jonger was dan hij, ook werd ontvoerd. Ze hebben elkaar ontmoet en zij heeft hem alles verteld. Zij bevestigde zijn ergste vermoedens. Op dat moment moet het volledig tot hem zijn doorgedrongen dat hij een wees was, nauwelijks tien jaar oud, helemaal verlaten in een wrede, onverschillige wereld die het niets leek te kunnen schelen of hij leefde of dood was.

Gulu-district

Caesar Achellam, een voormalige generaal-majoor in het lra, kwam de rechtszaal binnen. Hij liep mank, als gevolg van een oude kogelwond. Hij was lang, mager en zo recht als een lat. Hij sprak Engels met een licht spraakgebrek, waardoor hij onschuldiger leek dan hij in werkelijkheid was. Achellam was lange tijd de nummer drie van het lra, de hoofddiplomaat en organisator, en had zich in 2012 overgegeven aan het Oegandese leger. Hij is nooit aangeklaagd door het Internationaal Strafhof. In plaats daarvan kreeg hij amnestie van de Oegandese regering. De afgelopen jaren woonde hij in een klein dorp net buiten Gulu, de grootste stad in het noorden van Oeganda.

‘We moeten ervan uitgaan dat ieder mens begiftigd is met een morele verantwoordelijkheid voor zijn daden’

Hij zei dat hij Ongwen voor het eerst in 1991 ontmoette, toen die ongeveer dertien jaar oud was. ‘Hij was een van de moedigste soldaten die ik ooit heb gehad’, aldus Achellam. ‘Toen hij mijn lijfwacht werd, was hij nog erg jong. Hij had al drie andere commandanten gehad. Ze waren allemaal gedood. Hij was loyaal, gehoorzaam en gedisciplineerd. Ik beschermde hem alsof hij mijn jongere broertje was. Hij droeg mijn geweer, mijn stoel en mijn matras’ – de kenmerkende taken van een lijfwacht in het lra. ‘Ik nam hem met me mee naar het slagveld. Onze strategie was gebaseerd op verrassingsaanvallen, op hinderlagen. We leden vaak zware verliezen. Ik heb veel mannen in dat soort situaties zien wankelen. Mannen die veel ouder waren dan hij en die lafaards bleken te zijn. Hij niet.’

Ongwen werd op negentienjarige leeftijd officier, aldus Achellam. ‘Hij was toen al een zeer ervaren soldaat.’

Joe Kakanyero (40) uit Coorom werd samen met zijn neef Ongwen ontvoerd

Tijdens de laatste weken van het proces zag Ongwens gezicht er opgeblazen uit, mogelijk als gevolg van de medicijnen die hij had gekregen tegen depressie en slapeloosheid. Hij had zijn haar afgeschoren. In de laatste maanden van het proces leek zijn depressie zich week na week te verdiepen. Zijn bewegingen werden steeds langzamer, tot ze eruitzagen als een video in slow motion.

Hij zei tegen zijn artsen dat hij het gevoel had dat God hem haatte. Eenmaal vroeg hij het gevangenispersoneel om Acholi-reinigingsrituelen op hem uit te voeren, om de vloek die over hem was uitgesproken op te heffen. Zijn advocaat is Krispus Ayena Odongo, een Oegandese oppositiepoliticus en voormalig parlementslid. Ayena vertelde me dat Ongwen drie keer had geprobeerd zelfmoord te plegen in de gevangenis, ‘ongeveer één keer per jaar sinds 2016’. In één geval dronk hij vloeibaar wasmiddel. Een andere keer sloeg hij met zijn hoofd tegen een kale muur. Het is onduidelijk wat het derde geval was waar Ayena naar verwees. Ongwen begon ook een hongerstaking, die hij al na vijf dagen weer afbrak.

Of hij echt van plan is geweest zelfmoord te plegen is een open vraag. Het Openbaar Ministerie denkt dat hij alleen maar wilde protesteren tegen zijn opsluiting, maar dat hij nooit echt heeft willen sterven. De verontwaardiging die hij voelde over het feit dat hij terecht moest staan is goed gedocumenteerd. Op de eerste dag van het proces zei hij: ‘Ik herhaal: het was het lra dat mensen ontvoerde in Noord-Oeganda. Het lra doodde mensen in het noorden van Oeganda. Het lra heeft wreedheden begaan in het noorden van Oeganda en ik ben een van de mensen tegen wie het lra wreedheden heeft begaan. Maar ik persoonlijk, Dominic Ongwen, ben niet het lra.’ En dat was alles wat hij ooit zou zeggen over de kwestie van zijn schuld en zijn verantwoordelijkheid.

Ongwen was een jongeman, tussen de 24 en 27 jaar oud, toen hij de misdaden zou hebben gepleegd waarvoor hij nu in de gevangenis zit. Begin deze eeuw ging de oorlog in Noord-Oeganda zijn laatste, meest wrede fase in. Het lra was in 2002 uit Soedan verdreven door het Oegandese leger. In plaats van zich over te geven infiltreerden duizenden strijders Oeganda. Het lra begon een nieuwe golf van ontvoeringen, veel erger dan alles wat eerder was gebeurd. In 2003 nam het lra 6500 mensen gevangen, van wie de meesten tussen de elf en zeventien jaar oud waren. (Tijdens het hele conflict ontvoerde het lra in Noord-Oeganda tussen de zestig- en tachtigduizend mensen. Naar schatting is bijna twintig procent van hen nooit teruggekeerd.)

Het was in deze periode dat Ongwen zich als officier onderscheidde. Van de zomer van 2002 tot de herfst van 2005 was hij verantwoordelijk voor ten minste 28 aanvallen, volgens de afluistergegevens van de Oegandese inlichtingendienst en het leger. Hij zette hinderlagen op, viel legerpatrouilles aan, overviel afgelegen kazernes, brandde hele dorpen plat, overviel katholieke missies om hun radio’s te stelen en was een onverbiddelijke ontvoerder. Hij was altijd in beweging en was vaak in het gezelschap van een groep van vijftig strijders, die zich allemaal op roepafstand om hem heen verspreidden. Waar hij ook heen ging, aldus voormalige lra-leden, had hij lijfwachten bij zich, velen van hen minderjarig. ’s Nachts sliepen zij in een cirkel rond zijn tent. ‘Hij was nooit bang’, zei een van zijn voormalige strijders tegen me. ‘Zijn hele geest was ingesteld op oorlog’, zei een ander.

Caesar Achellam, voormalig LRA-generaal-majoor, kreeg amnestie van de Oegandese regering. Hij leeft nu als boer in Lukodi

Odek ligt in een vlak, vruchtbaar landschap, bij een kleine rivier. Het is de geboorteplaats van Joseph Kony. Hij is er opgegroeid. Net als alle tirannen hield Kony van grote, dramatische gebaren. In 2004 gaf hij zijn strijders opdracht het vluchtelingenkamp aan te vallen dat daar was ontstaan. Als commandant koos hij Dominic Ongwen.

Drie voormalige lra-strijders zeiden voor het gerechtshof dat ze hadden gezien hoe Dominic Ongwen instructies gaf voor de aanval. Volgens een van hen zei Ongwen tijdens de bijeenkomst voorafgaand aan de aanval dat het tijd was om ‘aan het werk te gaan’, en volgens een ander zei hij: ‘Vernietig alles wat je ziet.’

De strijders kwamen net voor zonsondergang bij de rand van het kamp. Het was 29 april 2004. In Odek woonden op dat moment ongeveer drieduizend mensen, van wie de meesten vluchtelingen waren die door de Oegandese regering onder dwang van huis en haard waren verdreven, in haar poging de guerrillaoorlog tegen het lra te winnen.

Het bloedbad duurde nauwelijks een uur. Uit het gerechtsverslag kreeg ik de indruk dat het niet noodzakelijkerwijs de bedoeling was om zo veel mogelijk schade toe te brengen en iedereen die in zicht was te vermoorden, maar dat het geweld opzettelijk chaotisch was, teneinde een angst te verspreiden die de slachtoffers de rest van hun leven zou blijven achtervolgen. Een lra-soldaat leidde een schooljongen aan een touw door het kamp. De voormalige schooljongen getuigde voor de rechtbank dat ‘hij elke keer als we bij een huis kwamen de deur opende en op mensen schoot, alleen maar om te laten zien dat als we probeerden te vluchten, hij ons zou neerschieten’. Ze staken ook een aantal hutten in brand, doorgaans met doodsbange mensen erin die hadden geprobeerd zich er te verstoppen. Ze schoten door gesloten deuren. Ze trokken baby’s uit hun moeders armen en doodden ze.

De volgende dag kwam Ongwen op de radio en meldde zich weer bij Joseph Kony. Die oproep werd onderschept door zowel het Oegandese leger als de inlichtingendiensten. Kony zei: ‘Heb je de achtertuin van mijn moeder opgeruimd?’ Ongwen antwoordde: ‘Kici kici’, ‘Helemaal.’

Ongeveer zestig mensen kwamen om bij de aanval op Odek. De volgende ochtend werd een oud echtpaar gevonden, liggend in een plas bloed, voor hun winkeltje; een jonge moeder was gevallen, haar gezicht begraven in de modder, haar baby nog in leven, vastgebonden op haar rug; een pasgetrouwde man werd dood aangetroffen met een kogelwond in zijn rug. De meeste lichamen hadden schotwonden in de borst en het hoofd. Ze waren van dichtbij geëxecuteerd.

Opiyo Geoffrey, voormalig LRA-strijder, werd op zijn tiende ontvoerd. Hij leidt nu een slachtoffergroep in Odek

Waarom is hij niet overgelopen, zoals zovele anderen? Hij was vaak honderden kilometers verwijderd van Kony, alleen met zijn troepen in de bush. Er waren momenten dat Kony hem wekenlang niet via de radio kon bereiken. Op welk moment werd het zijn eigen beslissing om te blijven? En heeft hij die ooit echt genomen?

Hij was de laatste lra-commandant die Oeganda verliet, nadat de groepering zich had teruggetrokken onder de toenemende militaire druk van het Oegandese leger. Hij stak de Nijl over naar de Democratische Republiek Congo. Later trok Ongwen met een klein aantal soldaten door de Centraal-Afrikaanse Republiek en Soedan. Hij pleegde nóg meer en nóg gewelddadigere moordpartijen.

De mensen die in die tijd bij hem waren vertelden me dat hij steeds wanhopiger en hopelozer werd, en dat hij steeds vaker en openlijker sprak over deserteren. Maar hij ontsnapte pas toen zijn relatie met Kony stuk ging, toen hij werd gearresteerd en het slechts een kwestie van tijd leek voordat hij zou worden geëxecuteerd, net zoals zoveel commandanten voor hem.

Na zijn overgave in Obo, in de Centraal-Afrikaanse Republiek, stemde hij ermee in om een bericht op te nemen dat aan zijn voormalige strijders was gericht. Hij riep hen op om over te lopen: ‘Jullie weten allemaal hoe dapper ik was. Als zelfs ík besluit om uit de bush te komen, wat doen jullie daar dan nog?’

Ongwen vertelde zijn twee Oegandese psychiaters dat twee verschillende persoonlijkheden in hem constant vechten om de controle

Het is niet makkelijk om de verhalen die verschillende getuigen over Ongwen hebben verteld met elkaar in overeenstemming te brengen. Ze lijken incongruent en vol met tegenstrijdige, contrasterende karaktereigenschappen. Ongwen zelf heeft daar een verklaring voor gegeven, die wellicht een oplossing lijkt, maar hem misschien ook wel goed uitkomt. Hij vertelde zijn twee Oegandese psychiaters, Dickens Akena en Emilio Ovuga, die namens hem in de rechtszaal getuigden, dat twee verschillende persoonlijkheden in hem constant vechten om de controle. Hij noemt ze Dominic A en Dominic B. De ene is goed, vriendelijk en behulpzaam. De andere is boos en agressief. Toen hij nog bij het lra was, beweerde hij dat hij soms urenlang last had van black-outs; dat hij zich niet kon herinneren wat er was gebeurd als zijn duistere alter ego, Dominic B, het slagveld had betreden.

Ongwens relaas over zijn twee persoonlijkheden verschilde van tijd tot tijd. Soms beweerde hij dat de daden van zijn duistere zelf plaatsvonden terwijl hij volledig geheugenverlies onderging, dat hij zich niets kon herinneren van wat hij in die uren deed. Maar soms beschreef hij Dominic B ook als iemand die zo nu en dan naast hem liep of hem de strijd in duwde, waardoor hij zich niet kon terugtrekken. Ongwen zei zelfs dat hij Dominic B, zijn boze zelf, soms kon zien. Op een gegeven moment zei hij dat hij een visioen van zichzelf had, in twee verschillende lichamen, met twee verschillende uniformen aan; bij de een stond ‘Dominic A’ op het uniform geschreven, en bij de ander ‘Dominic B’.

Veel van de vrouwen die Dominic Ongwen ooit zijn echtgenotes noemde, wonen slechts een paar honderd meter uit elkaar aan de rand van Gulu. Ze hebben kleine rieten hutten gebouwd in een dicht opeengepakte nederzetting. De meesten van hen hebben geen land waarop ze groenten kunnen verbouwen. Er is geen stromend water. Er komt veel malaria voor. Ze wonen hier omdat ze geen andere plek hebben om naartoe te gaan.

Acholi-vrouwen die trouwen en kinderen krijgen verlaten meestal hun familie en verhuizen naar het dorp van hun man, en hun kinderen behoren tot de clan van hun vader, niet tot die van hun moeder. Maar op deze vrouwen zijn de traditionele gebruiken niet van toepassing. Hun kinderen werden verwekt in het lra, onder de constante dreiging van geweld. De vader van hun kinderen zit in de gevangenis en veel van de vrouwen zien Ongwen sowieso niet als hun wettige echtgenoot, maar als hun kwelgeest. Anderen zeggen echter dat ze nog steeds van hem houden.

Dillish Abang, 26 jaar oud, heeft zeven kinderen van Ongwen. Haar jongste zoon is verwekt in Den Haag (echtelijke bezoeken zijn toegestaan in de gevangenis) en is nu twee jaar oud. Hij is een gezonde jongen met een rond gezicht; hij zat bijna een uur lang geduldig op schoot bij zijn moeder toen zij met mij praatte. Ze zei dat ze bijna elke week met Ongwen praat. Hij vertelt haar over zijn nachtmerries in de gevangenis, zijn nieuwe vrienden – die allemaal beschuldigd zijn van oorlogsmisdaden – en zijn hobby’s: hij heeft geleerd piano te spelen en heeft in de gevangeniskeuken een passie ontwikkeld voor bakken. Volgens Abang is hij een trouwe, zorgzame, attente vader, die graag wil weten hoe het met zijn kinderen op school gaat. Ze zei tegen mij dat hij haar altijd goed heeft behandeld.

Irene Fatuma Lakica (30) woont op minder dan vijftien minuten lopen van Abang. Toen ik haar ontmoette, droeg ze een groen T-shirt met gevleugelde paarden erop. Ze huilde kort, twee of drie tranen, die ze snel wegveegde, toen ze over Ongwen sprak en over hoe hij haar had verkracht, eens in de paar weken. Hoe hij haar had bedreigd met een machete als ze weigerde.

Zes vrouwen hebben soortgelijke dingen beschreven voor het gerechtshof in Den Haag. Eén zei dat ze ongeveer tien jaar oud was toen Ongwen haar vertelde dat hij seks met haar wilde hebben. Dat ze een week lang elke dag geslagen was door zijn lijfwachten, totdat ze er geen weerstand meer aan kon bieden. Dat ze zo klein was geweest dat ze op zijn bed moest worden getild omdat het zo hoog was. Dat hij er de volgende dag tegen zijn lijfwachten over had opgeschept en hen had verteld dat hij ‘een plastic zak had gescheurd’. Zelfs zijn eigen advocaten hebben niet ontkend dat hij een verkrachter is. Ze beweerden alleen dat hij niet verantwoordelijk was voor zijn daden.

En toch, hoewel de vrouwen het over weinig anders eens zijn als het over hem gaat, komen hun verhalen op één punt overeen: geen van hen dacht dat hij krankzinnig was geweest.

Abang Dillish (26), Ongwens vrouw met hun jongste zoon die is verwekt in Den Haag en vernoemd naar Ongwens advocaat

Emilio Ovuga, professor in de psychiatrie in Gulu, is een kleine, grijze man. Toen hij op 22 november 2019 getuigde, was het een koude dag en droeg hij een jas over zijn pak, zelfs in de rechtszaal. Hij sprak langzaam, met een zwakke stem en droge humor. Ovuga was de laatste getuige in het proces. Hij was misschien ook wel de belangrijkste.

De hoofdaanklager in de zaak, Benjamin Gumpert, nam het kruisverhoor op zich. Gumpert is Brits, 57 jaar oud, opgeleid in Cambridge. Hij heeft een litteken op zijn kin en een dichte, donkere haarbos, waardoor hij er veel jongensachtiger uitziet dan zijn leeftijd doet vermoeden. Gumpert is een harde, agressieve ondervrager, wiens enige zwakte lijkt te zijn dat hij soms wat te veel van zijn werk geniet.

De vraag die dag was moeilijk: hoe kwam Ovuga precies aan die ongebruikelijke diagnose van dissociatieve identiteitsstoornis (de ziekte die voorheen meervoudige persoonlijkheidsstoornis werd genoemd)? Veel psychiaters zeggen dat de ziekte uiterst zeldzaam is. Sommigen geloven zelfs dat de ziekte helemaal niet bestaat, althans niet in haar meest extreme verschijningsvorm – met meerdere, volledig gescheiden persoonlijkheden.

‘Dokter’, zei Gumpert, ‘als je twee verschil-lende persoonlijkheden hebt, waarvan de ene aardig, redelijk en eerlijk is, en de andere wreed, gewelddadig en boos, en als die persoonlijk-heden elkaar afwisselen, zoals volgens de heer Ongwen soms wel drie keer per week bij hem gebeurde, dan moeten gewone mensen, ook advocaten, mensen die op andere terreinen werkzaam zijn dan artsen, dat toch merken, nietwaar? Het is alleen maar een kwestie van gezond verstand.’

‘Het is geen kwestie van gezond verstand’, zei Ovuga. ‘En gezond verstand is niet op iedereen van toepassing. Mensen die niet lijden aan een ernstige geestesziekte weten meestal wel om te gaan met hun handicap, zodat de mensen om hen heen niet merken dat er iets mis is. In de meeste gevallen zullen ze het niet merken.’

‘Laten we dan gewoon proberen dit mechanisme te begrijpen. Dominic is bij zijn soldaten en bij de vrouwen die hij als zijn echtgenotes beschouwt. De andere Dominic, Dominic B, de nare, gemene, boze en gewelddadige, neemt bezit van hem, maar Dominic A is in staat om voor de buitenwereld Dominic B’s ware persoonlijkheid verborgen te houden en te doen alsof hij nog steeds Dominic A is.’

‘Ja.’
‘Professor, volgens mij is dat…’
‘Niet correct?’
‘Totale onzin.’

Gumpert moest zich achteraf verontschuldigen voor die laatste, onbeleefde opmerking. Maar hij was niet de enige die het zo zag. Na het kruisverhoor schreef de Duitse hoogleraar in de psychologie Roland Weierstall-Pust een vernietigende beoordeling van Ovuga’s werk. Daarin stond dat Ovuga’s psychiatrische beoordeling van Ongwen ‘in bijna elk opzicht ontoereikend, ongegrond, tegenstrijdig en slordig was, en volgens de huidige normen niet voldoet aan de criteria van een professioneel forensisch rapport’.

Op de laatste dag verscheen Krispus Ayena Odongo, Ongwens advocaat, volledig onvoorbereid. Het was 12 maart 2020, de laatste dag van de slotverklaringen. Ayena stond achter zijn desk, op zijn sokken; zijn voeten staken onder zijn zwarte mantel uit. Ongwens advocaat heeft een diepe en luide stem, waarmee hij zijn uitspraken kracht bij kan zetten. Maar toen hij probeerde vrijuit te spreken, op dit beslissende moment, lukte hem dat niet. Hij kon zich de woorden niet herinneren. Hij moest telkens opnieuw stoppen. Meerdere keren viel hij midden in een zin stil, omdat hij zich het einde ervan niet meer voor de geest kon halen.

Tijdens de laatste maanden van het proces leek Ayena aan het eind van zijn Latijn. Hij was meerdere malen ingedommeld, terwijl zijn collega’s belangrijke getuigen hadden ondervraagd, zoals een aantal psychiatrische deskundigen. In de laatste weken van het proces, waarin de verdediging haar getuigen wilde presenteren, waren op het laatste moment diverse sessies afgelast omdat er toch geen sleutelgetuigen beschikbaar waren.

In het laatste half uur van zijn pleidooi stopte Ayena uiteindelijk met het kijken naar zijn aantekeningen om zijn gedachtestroom de vrije loop te laten, waarbij hij suggereerde dat de rechters ‘out of the box’ moesten denken. Hij grapte dat Colin Black, een van de aanklagers, helemaal niet zwart was, maar wit. Hij gaf een korte uiteenzetting over de Neurenbergse processen en legde aan de voorzittende rechter, Bertram Schmitt, een Duitser, uit dat de Wehrmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog een regulier leger was ‘dat de wetten van de oorlog kende’, in tegenstelling tot het lra.

In de rijen achter Ayena begonnen zijn collega’s van het verdedigingsteam hun documenten te verzamelen en in hun tassen te stoppen. Ongwen zat daar intussen gewoon, zoals zo vaak, met zijn handen in zijn schoot gevouwen, terwijl zijn advocaat met zijn laatste, eenvoudige smeekbede om genade op de proppen kwam: ‘Geef Ongwen de kans om na 32 jaar naar huis te gaan. Met welk vonnis u ook komt, het vonnis moet mild zijn. Ik bedoel natuurlijk, ik weet dat we dezelfde bladzijden hebben gelezen (…) en we bidden dat u hem vrijspreekt. Maar als hij niet wordt vrijgesproken, bidden wij dat u hem een milde straf geeft.’

Na een korte verklaring verdwenen de rechters, met hun blauwe fladderende gewaden. Dominic Ongwen strompelde naar de uitgang. Zijn lichaam zag er zwaar uit, alsof hij gebukt ging onder een zware last.


Vertaling: Menno Grootveld