Het voorbijgaande betrapt

SOMS GEBEURT het je. Je leest een gedicht of een reeks gedichten, in tijdschrift of bloemlezing, en je weet het zeker: dit werd voor jou geschreven. Nee, niet letterlijk natuurlijk, er staat geen opdracht boven met je naam. Maar er gaat een deur open, je stapt over de drempel heen en je bent ‘thuis’.

Zoiets gebeurde mij althans toen ik ooit de reeks ‘Wat zei ze’ uit de gelijknamige bundel van Hans Tentije onder ogen kreeg. Het was ook nu weer de eerste reeks die ik opzocht in de zojuist verschenen verzamelbundel Drenkplaatsen: Gedichten 1975-1987. De reeks blijkt precies in het midden van die bundel te staan. Daar ben ik zijn werk binnengestommeld, bij 'haar ruches, cantharellen lippen’, bij 'een gemiste treeplank, rakelings langs het perron’ en bij 'die papieren/ die tot aan de wachtkamerdeur liggen verspreid’. Vanaf dat punt heb ik het gevolgd: na Wat ze zei (1978) kwamen Nachtwit (1982), Schemeringen (1987) en de prozagedichten De innerlijke bioscoop (1990). Die laatsten werden niet in Drenkplaatsen opgenomen, wat ik wel begrijp (het is tenslotte meer proza dan poezie), maar toch jammer vind. Lange tijd waren het de enige bundels die ik van hem bezat. Zijn debuut, Alles is er (1975) had ik ooit eens doorgebladerd en leek me niets. Ik kocht het pas veel later, om de zaak compleet te hebben.
Ik geef toe dat het een wat eigenaardig trekje is om alles wat voor mijn eigen kennismaking met het werk van Tentije ligt, als niet ter zake doend te beschouwen. Alsof mijn debuut als lezer van zijn poezie zijn debuut als dichter ongeldig maakte. Alsof hij met debuteren maar beter op mij had kunnen wachten. Ter geruststelling: ik kom daar meer en meer van terug.
IN DRENKPLAATSEN werd ik namelijk getroffen door Tentijes debuut. Niet dat de rest me plotseling minder waard was, maar in Alles is er viel mij iets op dat gaandeweg uit de latere poezie was verdwenen. Wat was dat? Misschien niet meer dan een zekere felheid van toon. Het zit hem denk ik in het gebruik van woorden als 'smiecht’ en 'kwakzalver’, in 'hoeren in hun dinges knijpend’, in regels als 'geen open riool vol verzopen piskijkers/ van een duizendjarig rijk’, of in: 'Wat kon ik anders doen, godverdomme/ dan hem een langzaam slopende kopervergiftiging toewensen’. Hier is iemand godverdomde kwaad, zo kwaad zelfs dat hij het polijsten van zijn beelden op een zeker moment lijkt te vergeten en in woordcombinaties als 'het godgloeiende genadeloze licht’ haast onmachtig staat te schuimbekken.
Nu is dat maar schijn. Deze laatste woordcombinatie komt voor in een gedicht waarin Judas 'aan een slordig tussen telegraafpalen gespannen draad’ opgehangen is in de hoofdstraat van Chalco. Het licht is daar met recht 'godgloeiend’ en zonder de goddelijke genade waarover men het wel eens heeft, want het tafereeel is buitengewoon wreed. Ook in deze eerste gedichten is Tentije al de ciseleur die ik pas uit latere gedichten leerde kennen, bedoel ik maar. En als ik dan weer naar die latere bundels kijk, kan ik ook weer niet zeggen dat het element van opstandigheid daaruit is verdwenen.
Misschien is het dit: in Alles is er wordt de woede vaak geformuleerd naar aanleiding van iets 'buiten’ de dichter en krijgt ze niet zelden een politieke lading. In zijn latere werk - en dat begint bij Wat ze zei - lijkt de woede over wat mens, dier en landschap wordt aangedaan (een verwijzing naar Ter Balkt ligt voor de hand) steeds meer herleid te worden tot de werkelijke oorzaak, tot iets in de dichter: zijn sterfelijkheid, het verlies dat hij is, het onrecht van de dood. Het politieke maakt plaats voor - ja, hoe noem je dat? Het existentiele? Het essentiele, misschien zelfs?
Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat Tentijes werk 'verstilder’ is geworden, of, nog zo'n woord, 'kaler’, maar dat wekt de verkeerde indruk: die van karig- en zuinigheid. In de polderlandse poeziebeschouwing vaak synoniem met abstract en ontoegankelijk. Tentije is nooit zuinig of abstract. Integendeel: in zijn altijd breed uitwaaierende regels en zinnen kom je vrijwel nergens abstracta tegen. Het gaat steeds om zeer concrete beelden. Maar de woede heeft er plaatsgemaakt voor breekbaarheid, het engagement voor melancholie.
HET DUIDELIJKST wordt dat wanneer je bijvoorbeeld het gedicht 'Wijk aan Zee’ uit Alles is er vergelijkt met 'Landschap met dorpsweide’, het openingsgedicht van de tegelijk met Drenkplaatsen verschenen nieuwe bundel van Tentije, Van lente en sterfte. In 'Wijk aan Zee’ vind je: 'maar poezie is verdomd ver te zoeken/ wanneer je klompen onder je in brand staan/ en een ijzige vrieswind zowat door je heen blaast’. Je vindt er de 'vanzelfsprekendheid waarmee er op latere arbeidersjubileums/ in het Kennemertheater de bazen tot hun slaven spraken’, het 'divi-dividend’ van diefachtige aandeelhouders en prachtig venijnige regels over schakers op het Hoogoven-toernooi: 'grootmeesters boerden zacht boven hun pionnen/ en offerden quasi links gezind precies op tijd hun koningin’.
In 'Landschap met dorpsweide’ keert de dichter terug naar Wijk aan Zee, zijn geboorteplaats: 'over een nagenoeg lege Zeestraat/ keer ik terug naar die plaats, dat ontheemde, diep/ binnenin, voor even/ verijdeld al wat later kwam’. Het gedicht eindigt met: 'flonkeringen bezaaien het hart en smettelozer/ zal haar dooi niet meer komen eerste liefdes, elke eerdere/ dood, het zijn// de zomers, straks, een voor een/ weggedraaid op hun stroeve ansichtkaartenmolens, de schroeiplekken/ onder het halsstarrige brandglas, vrijbrieven/ meegevoerd door de wind// een strovuren tijd is de mijne/ en vleugels van rook kleven mij aan -// weinig, heel weinig, werd uit mij verdreven’
Beter kan ik het verschil tussen de vroege en de latere Tentije niet illustreren: de gebalde vuist maakt plaats voor de meer bezonken poging nog eens te verijdelen wat al gebeurde.
IK NOEMDE dat zoeven melancholie, geen nostalgie. Nostalgie is terugverlangen naar wat was, verheerlijking van het verleden. Men accepteert niet dat men het van de tijd verliest. Melancholie komt veel meer voort uit juist het besef dat men altijd verliest. Men zoekt geen verleden, maar wil het heden als het ware vereeuwigen, zoals verwoord in 'De bloei van tarwe’: 'De kortstondige, haast tersluikse bloei/ van tarwe - wie die ooit te zien heeft gekregen, kent/ het gemis, het zoekgeraakte/ tussen hartstocht en verglimmen’. Het gemis is hier niet wat al is voorbijgegaan, maar wat in het voorbijgaan zelf zich openbaart.
Dat is althans wat Tentije vanaf Wat ze zei op de hem kenmerkende wijze heeft gedaan: zijn poezie was 'opener dan de wond’ die haar veroorzaakte. Zijn regels waren metamorfosen waarin verglimmen en hartstocht beide aanwezig waren en zo het zoekgeraakte daartussen, de verstrijkende tijd zelf, voelbaar maakten. 'In gedunde populieren klimt het blad’ was zo'n regel (uit Schemeringen). Daarin is het lente en herfst tegelijk.
In Van lente en sterfte lijkt het, ondanks hetzelfde verlangen, toch meer te gaan om de verstreken tijd, om herinnering. Alsof Tentije weer iets van zijn verzet heeft teruggenomen, daartoe meer en meer gedwongen door het voortschrijden van de tijd. Zijn regels zelf hebben niet meer dat dwarse, tegendraadse, maar worden soms haast smeekbeden: de ruimte tussen hartstocht en verglimmen lijkt steeds kleiner te worden. 'Met mijn rug naar de voorplecht/ gekeerd, keek ik uit/ over alles wat ik verliet, en zag dat ik dat bij iedere slag/ wel leek te willen omhelzen’, schrijft hij nu. Nostalgie is dit nog niet (het onomkeerbare blijft hetzelfde), maar het lijkt alsof dat wat het hevigst werd bestreden in deze bundel steeds meer terrein wint.
Aan de kwaliteit van deze bundel doet dat ook nu weer niets af, maar de vraag die ik mezelf hier stel, is of ik misschien zo door de woede uit Alles is er werd getroffen omdat ik die in Van lente en sterfte niet werkelijk, of naar mijn zin te weinig meer terugvind. Bij regels als: 'het interieur, in de ruiten/ weerkaatst, verdringt de buitenwereld, wordt het voorgespiegelde/ intieme, het enige nog/ dat ertoe doet’ wil ik bij de dichter zijn ruiten komen ingooien. En de slotregels van de bundel: 'en niets anders dan dit, hier, zal ons munten’ stellen me maar half gerust.