Het voorrecht van de rêverie

EEN RONDGANG over het kerkhof van Haworth leert dat de mensen hier in het midden van de vorige eeuw niet oud werden. Vooral de vrouwen stierven ijzingwekkend jong, over het algemeen een hele schare kinderen achterlatend. Tering was doodsoorzaak nummer één. De twee oudste zusjes Brontë, Maria en Elizabeth, overleden respectievelijk op elf- en tienjarige leeftijd. Hun moeder was toen al gestorven. Hoewel de overgebleven drie zussen, Charlotte, Emily en Anne, ook niet bepaald op leeftijd kwamen (Charlotte werd 38 en de twee anderen net dertig), bereikten zij de status der onsterfelijkheid. Talloze studies, films en documentaires zijn aan hun leven en werken gewijd. Het kleine dorp Haworth in Yorkshire, waar de Brontës opgroeiden in de pastorie met uitzicht op het kerkhof en de uitgestrekte moors, wordt nog steeds druk bezocht door toeristen. Het huis is een museum geworden. In de kamers zijn huiselijke tafereeltjes in scène gezet met behulp van levensgrote poppen. Manuscripten, haarstukjes en sloffen liggen er in vitrines en in het bijbehorende winkeltje kunnen alle mogelijke Brontë-iania aangeschaft worden, van knippatronen tot boekenleggers.

De Brontës zijn niet dood, ze leven. Onlangs stond in de krant een klein berichtje dat een Engelse onderwijzeres had ontdekt dat Jane Eyre, de heldin uit de gelijknamige roman van Charlotte Brontë, ‘echt’ bestaan had. Op televisie is deze weken de zoveelste bewerking van Jane Eyre te zien. Vorig jaar verscheen het eerste deel van de zorgvuldig geannoteerde verzameling brieven van Charlotte Brontë. Eveneens niet zo heel lang geleden werd op een stoffige zolder een foto gevonden waarover de kenners beweerden dat dit Charlotte Brontë moest zijn. Anderen hielden even hard vol dat deze vrouw met de verbeten trek om de mond nooit 'hun’ Charlotte kon zijn.
DE GESCHIEDENIS van de Brontës is er bij uitstek een waarin leven en werk van de schrijfsters een onontwarbaar geheel zijn gaan vormen. Sterker nog, een deel van de aantrekkingskracht is dat de zwarte romantiek van de romans, met als bekendste Wuthering Heights van Emily Brontë en Jane Eyre van Charlotte Brontë, moeiteloos op de geleefde levens lijkt te kunnen worden overgebracht en vice versa. Dus hier is het allemaal gebeurd, kan iedere bezoeker aan Haworth denken, de wandelschoenen aangespend om aan de acht mijl lange 'Brontë-way’ te beginnen, die hem via bruggetjes en heuvels naar Top Withens voert, de bouwval van het huis dat model schijnt te hebben gestaan voor Wuthering Heights. In de verste verte geen sterveling te bekennen, alleen een dotje schapen hier of daar, met als steuntje in de rug van de verbeeldingskracht de immer gierende wind. Want natuurlijk waait het er, op de vlaktes van Yorkshire.
De vermenging van fictie en werkelijkheid is in het geval van de Brontës niet bepaald een uiting van twintigste-eeuwse folklorezucht, maar opmerkelijk genoeg een fenomeen dat al 'bij leven’ zijn intrede deed. Alsof ze daar beducht voor waren, publiceerden de zusters aanvankelijk onder pseudoniem: Currer, Acton en Ellis Bell. Pas na de dood van 'Acton’ en 'Ellis’ (Anne en Emily stierven na elkaar binnen een half jaar tijd) vatte 'Currer’, oftewel Charlotte, de moed op zich bekend te maken, min of meer gedwongen door steeds wildere speculaties en misschien ook wel uit behoefte aan erkenning.
'Dames en heren, mag ik u voorstellen aan Jane Eyre’. Met die woorden introduceerde dé Engelse schrijver van dat moment, William Makepeace Thackeray, een sidderende Charlotte Brontë in de Londense literaire kringen. Geschokt hield ze de rest van de avond haar mond, tot verbazing van Thackeray, die achteraf gezien haar bewondering niet echt waard lijkt te zijn geweest. 'Ze is een schepseltje zonder schoonheid’, schreef hij aan een vriendin, zich vrolijk makend over het grote liefdesverlangen dat zou spreken uit Charlotte Brontës nieuwste roman, Villette. 'Dertig jaar oud zou ik denken, begraven op het platteland… Een nobel hart dat verlangt zich te binden en bestemd is weg te kwijnen in oude-vrijsterschap zonder enige kans het brandende verlangen te vervullen.’ Wist hij veel dat Charlotte Brontë al menig huwelijksaanzoek had afgeslagen, zij het inderdaad omdat ze het niet kon verteren een huwelijk zonder hartstocht te sluiten.
Onbedoeld heeft vader Patrick Brontë, die zijn beroemde dochters overleefde (hij werd nota bene 84), het nodige bijgedragen aan de mythevorming rond zijn gezin. Geschrokken door de roddel die direct na het overlijden van Charlotte losbrandde, was hij zo naïef een vriendin van haar, de romanschrijfster Elizabeth Gaskell, te verzoeken haar biografie te schrijven. Dat vriendinnen nu niet bepaald de meest belangeloze partijen zijn bij het maken of breken van reputaties, kon hij misschien niet weten, maar dat is een feit dat prachtig wordt geïllustreerd door wat er vanaf dat moment gebeurde.
Twee jaar na het overlijden van Charlotte Brontë verscheen The life of Charlotte Brontë (1857), een biografie die een even grote sensatie veroorzaakte als Jane Eyre. Het levensverhaal las als een roman, met alle ingrediënten van een gothic novel. In het grimmige noorden van Engeland, van God en iedereen verlaten, groeit een stel kinderen op, zonder moeder, met een vader die regelmatig het meubilair in stukken zaagt, en met als enig geestelijk voedsel de plaatselijke krant, die ze al op zesjarige leeftijd uitspellen. Wonderkinderen zijn het, elkaar in leven houdend met verhalen over een fantasiewereld die ze in miniatuurschriftjes vastleggen. De duistere verzinsels vol grofheid en geweld brengen de zussen later onder in romans en reeksen gedichten, terwijl hun enige broer ten onder gaat aan drank en opium.
DE BRITSE HISTORICA Juliet Barker, wier biografie over de hele familie Brontë onlangs in vertaling verscheen, noemt de trend die Elizabeth Gaskell anderhalve eeuw geleden inzette 'de school van de arme Charlotte-biografie’. Niet alleen ventileerde Gaskell volop haar eigen vooroordelen, ook liet ze zich influisteren door Ellen ('dear Nell’) Nussey, de trouwe correspondentievriendin van Charlotte. Ruimhartig liet die Gaskell meelezen in de brieven die ze van Charlotte had ontvangen, zij het na ze zorgvuldig te hebben geselecteerd en gecensureerd. Klakkeloos namen volgende biografen de grootste onzin over. Een traditie waarmee Barker overduidelijk korte metten wil maken in haar omvangrijke De Brontës, dat zeer gedetailleerd, onderbouwd en kritisch is.
Jarenlang werkte Juliet Barker zich in het zweet om alle valse voorstellingen van zaken recht te zetten. Haworth was namelijk helemaal niet zo'n achterlijk dorp als Gaskell ons wilde doen geloven. Haworth was een bloeiend industriestadje, waar volop cultuur te genieten viel. Patrick Brontë was geen bruut van een vader, maar een man die ieder vonkje van talent bij zijn kinderen aanwakkerde. Broer Branwell Brontë was geen loser en geen demon, maar iemand die zijn hele leven strijd leverde met zijn ambities en talenten. Anne Brontë was geen grijze muis, maar was haar tijd ver vooruit met haar emancipatoire romans Agnes Grey en The Tenant of Wildfell Hall. Emily Brontë schreef met Wuthering Heights niet over het landschap van Yorkshire, maar liet zich sterk beïnvloeden door het werk van de Schotse schrijver Sir Walter Scott. Maar bovenal: Charlotte Brontë was niet zielig, maar egoïstisch, verwend en koppig. Ze was een arrogante intrigante, die de reputaties van haar zusters voorgoed naar haar hand zette. Na hun dood bepaalde zij wat er van hun werk nog naar buiten kwam: gedichten van Anne redigeerde ze ingrijpend en de tweede roman van Emily vernietigde ze zelfs helemaal. Om ze te beschermen tegen zichzelf.
Het paradoxale van Barkers onderneming is dat ze de Brontës blijkbaar fascinerend genoeg vindt om jaren studie aan te besteden, maar het tegelijkertijd niet kan laten er voortdurend een koude douche bij aan te zetten. Ze waren helemaal niet zo bijzonder, roept ze al vanaf een van de eerste bladzijden. Er waren wel meer kinderen die boekjes met elkaar schreven. Bovendien schreven ze heel slordig en konden ze niet spellen. Ze waren niet origineel, maar imiteerden. Om even verderop heel precies en uitgebreid lijnen te trekken vanaf het jeugdwerk naar de latere romans. Nog in haar laatste, onafgemaakte, roman grijpt Charlotte terug naar de Angria-wereld die ze ooit samen met haar broer Branwell had ontworpen. Ook Emily is nooit helemaal losgekomen van Gondal, het fantasierijk waarin ze vooral samen met Anne vertoefde. Een personage als Heathcliff uit Wuthering Heights is al in embryonale vorm in de kinderverhalen aanwezig.
HET IS OPMERKELIJK hoezeer Barker voortdurend Charlotte Brontë de kous op de kop geeft. De biografe lijkt zo vastbesloten af te rekenen met de 'arme Charlotte-school’ van voorheen dat ze doorslaat naar de bitch-variant. Dat wordt vooral duidelijk aan de manier waarop ze Charlottes ontwikkeling als schrijfster benoemt. Bij die ontwikkeling speelde monsieur Heger, de leraar die ze ontmoette op de Brusselse kostschool waar ze eerst lessen volgde en later zelf les gaf, een grote rol. Het was een bijzonder feit op zich dat het Charlotte lukte toestemming van haar vader te krijgen om naar het continent af te reizen. Voor Barker tekent dit de 'meedogenloze vasthoudendheid’ en de 'manipulatieve vermogens’ van Charlotte Brontë. Daarvóór ging Charlotte echter gebukt onder het gevecht tussen plicht en verlangen, wat haar aanvankelijk deed zwichten voor het gehate gouvernantenbestaan. Barker noemt Charlottes verdriet over het feit dat ze zelf haar brood moest verdienen, 'verongelijktheid’. In Barkers ogen was Charlotte Brontë namelijk niet in staat haar zegeningen te tellen.
MONSIEUR HEGER zet Charlottes beeld van de mannelijke held voorgoed op zijn kop. Tot dan toe was haar oerheld de door haarzelf verzonnen 'hertog van Wellington’, de oogverblindende onverschrokken heerser van het koninkrijk Angria, dat zij en haar broer ergens in de binnenlanden van Afrika situeerden. Monsieur Heger is lelijk, klein, opvliegend en katholiek. Alleen zijn getrouwde status heeft hij met de hertog van Wellington gemeen.
In monsieur Heger vindt ze de intellectuele autoriteit voor wie ze groot ontzag opvat. Met behulp van zijn aanwijzingen ontdoet ze haar proza van onnodige uitweidingen en ingesleten stijlbloempjes. Eenmaal terug in Haworth blijft ze hem schrijven, prachtige brieven vol bespiegelingen over kwesties van talent en middelmatigheid. Ze komt er achter dat talent discipline en zelfbeheersing nodig heeft om tot iets te geraken. 'Mijn hele jeugd was het verschil tussen mij en de meeste mensen die mij omringden een verwarrend raadsel dat ik niet kon oplossen. Ik dacht dat ik hun voorbeeld moest volgen. Er was altijd overdrijving in wat ik deed. Ik was óf te bewogen óf te terneergeslagen.’
Haar onbeantwoorde liefde voor monsieur Heger inspireert Charlotte Brontë uiteindelijk tot de figuur van Mr. Rochester in Jane Eyre, de tegelijkertijd afschrikwekkende en aantrekkelijke bullebak. Maar, merkt Juliet Barker op, in tegenstelling tot Jane Eyre wilde Charlotte Brontë niet monsieur Hegers gelijke zijn. Ze schept een masochistisch genoegen in het verlangen zich door hem te laten overheersen. Dat dit in werkelijkheid niet gebeurd is, is volgens Barker te danken aan het gedrag van monsieur Heger, aan wiens onkreukbaarheid zij geen moment lijkt te twijfelen. Sterker nog, ze heeft medelijden met de man die bestookt wordt met getuigenissen van 'obsessieve afhankelijkheid’. Ook met madame Heger, die Charlottes brieven uit de prullenbak van haar echtgenoot vist, voelt Barker erg mee.
In plaats van oog te hebben voor haar groeiende zelfbewustzijn als schrijfster legt Barker de nadruk op Charlottes 'ongezonde afhankelijkheid van Hegers goedkeuring’. Als gevolg van de aandacht die monsieur Heger voor haar heeft, begint Charlotte echter de fnuikende gedachte dat ze middelmatig zou zijn van zich af te schudden. Misschien dat er anders nooit wat naar buiten was gekomen van de gezusters Bell.
Gedreven door de behoefte aan erkenning van hun productiviteit is Charlotte Brontë de motor achter hun eerste gezamenlijke uitgave, een verzenboek waarvan om precies te zijn twee exemplaren worden verkocht. Ze aarzelt niet om uitgevers te blijven bestoken met briefjes en manuscripten. Van meet af aan legt ze in haar contacten met uitgevers een gezonde zelfverzekerdheid aan de dag, bijvoorbeeld als ze weigert passages te schrappen of te wijzigen. Barker doet dit af met 'de voor haar gebruikelijke koppigheid’.
BARKERS BIOGRAFIE, die op het eerste gezicht angstwekkend ultiem oogt, schaart zich al met al in de beste traditie van het Brontë-onderzoek. God verhoede immers dat ooit het laatste woord over de Brontës gezegd zal zijn.
De precisie waarmee Juliet Barker data en feitjes is nagegaan, brieven in hun ongecensureerde vorm heeft achterhaald, aantallen sterfgevallen en huwelijksinzegeningen heeft geturfd, zal niemand ooit meer kunnen evenaren. Tegelijkertijd levert ze hiermee af en toe een staaltje van boekhoudkunde dat lángs de kern van het Brontë-mysterie blijft scheren.
Het verhaal van de Brontës is uiteindelijk toch het wonder van de zegevierende verbeeldingskracht. 'Wat een schatkamer is denken! Wat een voorrecht is de rêverie. Ik ben dankbaar dat ik het vermogen heb mezelf te troosten met de droom van scheppingen die ik nooit in werkelijkheid zal meemaken’, schrijft Charlotte Brontë in haar dagboek. Dat van dat vermogen nog steeds volop wordt genoten is een wonder waarvoor niet genoeg bedevaarttochten naar Haworth ondernomen kunnen worden.
'Het is de legende, niet de werkelijkheid, die de bezoeker nog steeds naar Haworth lokt’, merkt Barker zuur op. So what? Wat anders zou iemand te zoeken hebben in Haworth, of all places?