Het vreemde land

HARARE - Ik kijk met vreemde ogen naar een land dat ik ken uit de verhalen die ik er zelf over schreef, maar waar ik nog nooit was geweest. Aan de rand van de weg die zichtbaar is vanuit mijn hotelkamer, staan lifters. Ze zien er slecht gekleed uit. Als er een auto stopt, rennen ze er met z'n allen naartoe, en altijd gaan er meer mensen in de auto dan ik denk. Het vreemde ritueel herhaalt zich om de paar minuten: een auto die stopt, mensen die ernaartoe rennen. Er stoppen auto’s in allerlei soorten en maten. Pas na een paar uur valt me op dat er nooit een Mercedes blijft staan.

Een paar uur geleden ben ik geland op het vliegveld van Harare, de hoofdstad van Zimbabwe. Zimbabwe. Wie maalt er in Nederland nou om Zimbabwe, een land diep weggestoken op het Afrikaans continent? Ach ja, jaren geleden toen Zimbabwe nog Rhodesië heette, het blanke minderheidsregime er de touwtjes in handen had, en toen ik nog student was en vrijwilliger bij de Anti-Apartheidsbeweging Nederland, toen stonden de kranten er nog vol mee. De blanke minderheid die in het land woonde, had zich in 1965 onafhankelijk verklaard van het Britse moederland en een soort apartheidsstaat à la Zuid-Afrika ingericht, waarbij de grote zwarte meerderheid werd beschouwd als niets meer dan een reservoir van goedkope arbeidskrachten. Verzet bleef vanzelfsprekend niet lang uit. Er kwam een guerrillaoorlog, zoals er toen overal werden gevoerd.
Ik schreef artikelen ‘tegen het door het Westen in het zadel gehouden racistische bewind van Ian Smith en zijn moorddadige praktijken’. En ik schreef dat de strijd van het Patriottisch Front doorging en de overwinning zeker was. Dat was 1976. En inderdaad was het vier jaar later zo ver, en moesten Ian Smith en zijn kornuiten de aftocht blazen en kwam er een zwarte regering met aan het hoofd Robert Mugabe, een van de leiders van het verzet.
Maar wie herinnert zich dat nog? En als we het al weten, wat kan het ons dan nu nog schelen wat er verder in dat land is gebeurd? Het is een zwart Afrikaans land geworden, zoals er zoveel zwarte Afrikaanse landen zijn. Het is een land in de schaduw van het grote Zuid-Afrika, dat wèl belangrijk is, al was het alleen maar omdat er veel te halen is en er nog veel blanken wonen.
Dat is in Zimbabwe allang niet meer het geval. Nog niet eens één procent van de totale bevolking heeft een blanke huidskleur. Voor het eerst ben ik in een land waar zwarten de baas zijn, schiet het door me heen. Ik merk dat ik opkijk zodra ik een andere blanke zie en met mijn ogen probeer contact te maken. Ik, die mezelf toch zeker niet als racist beschouw, zoek steun bij de blanken die ik per definitie als racistisch bestempelde.
HET IS EEN vast ritueel zodra ik in het buitenland ben: ik koop een krant. Er schijnt er hier maar één te zijn en dat maakt de keus makkelijk, maar ik ervaar het wel als een veeg voorteken. The Herald is gedrukt op van dat vieze bruine papier waar ze in het Oost-Europa van een aantal jaren geleden het patent op leken te hebben. Ik lees dat er nieuwe minimumlonen voor landarbeiders zijn vastgesteld door de regering. Ze krijgen nu 304,83 Zimdollars per maand. Eén Zimdollar is ongeveer zestien cent. Later hoor ik dat een fabrieksarbeider kan rekenen op een inkomen van zo'n achthonderd Zimdollars per maand en dat een rechercheur van politie in Harare ongeveer hetzelfde verdient. In diezelfde krant staat een advertentie voor een nieuwe Mercedes C220. Wie eigenaar wil worden van dit staaltje Duitse autotechniek, moet 690.000 Zimdollar tot z'n beschikking hebben. Iemand die achthonderd Zimdollars per maand verdient, moet daarvoor meer dan 71 jaar ononderbroken doorwerken.
’s Avonds kijk ik naar het nieuws op de tv, dat begint met een lead waarin een zwarte man gekleed in traditioneel rokje op een trommel slaat. Op het nieuws zelf zie ik echter vooral mannen in keurige pakken die elkaar de hand schudden en elkaar aanspreken met 'comrade’. Een dikke comrade, ook al in keurig pak, staat achter een microfoon en spreekt een menigte armoedig geklede vrouwen toe die op de grond zitten. De dikke meneer spreekt Shona. En er is een item over handelscontacten tussen Namibië en Zimbabwe. Er zijn nu 201 firma’s die handel met elkaar drijven, zegt een van de meneren. Dat moeten er vanzelfsprekend meer worden, vinden de andere heren, die wegzakken in de kussens van een groot bankstel. Waarom dat zo vanzelfsprekend is, wordt helaas niet duidelijk gemaakt.
Misschien moeten ze alle blanken inderdaad maar doodschieten, dan kunnen de zwarten de zaak echt zelf gaan runnen, zegt Felicity Wood. Een jeugdleider van de Zanu-PF, de partij van Mugabe, had hiertoe enige tijd geleden opgeroepen. Felicity Wood is hoofdredacteur van The Farmer, het blad van de commerciële boerensector, die voornamelijk in handen is van blanken. Het is ook de sector waar de Zimbabweaanse economie voor een belangrijk deel op drijft. Als de blanken daadwerkelijk zouden worden afgeslacht, dan wordt het hier net als in die andere landen van Afrika, zegt de fragiele en sympathieke dame van midden vijftig in haar onberispelijke Oxford-Engels. Volgens haar mogen de zwarten dan wel de politieke macht in handen hebben, het land wordt nog altijd grotendeels in stand gehouden door de 80.000 blanke Zimbabweanen.
Land, daar gaat het hier altijd over, zegt ze. 'Het land is niet eerlijk verdeeld. Van wie was het land voordat jullie blanke boeren hier kwamen? wordt er dan gezegd. Het is ons land! Maar bijna vijftig procent van de boeren is van na 1980.’ Trouwens, alsof het om land gaat, gaat ze verder. 'Vraag aan een van die duizenden jongens die hier op straat snoepjes zitten te verkopen, of ze land willen en ze zullen je uitlachen. Nee, ze willen helemaal geen land, natuurlijk. Ze hebben een universitaire opleiding achter de rug en zitten nu snoepjes te verkopen aan de kant van de straat. Wat zij willen is een baan. Niks meer en niks minder.’
VROEGER, TOEN WIST ik het wel. Dit was vuige racistische propaganda, alleen maar bedoeld om de zwarten er onder te houden. Maar zo'n aardige dame, die aan alle kanten beschaving uitstraalt en niks heeft van de platvloersheid van Janmaat, kan toch geen racist zijn? Geheel in verwarring verlaat ik het kantoor van Felicity Woods en loop op straat Shephard Onyimo tegen het lijf, rechercheur van politie te Harare. Hoewel hij al 31 is en consequent gekleed gaat in pak met stropdas inclusief goudkleurige dasspeld, ziet hij eruit als een jongen van achttien.
In het begin is Shephard moeilijk te verstaan. Zijn Engels is heel anders dan ik gewend ben, en als dan ook de alcohol rijkelijk heeft gevloeid, wordt het bijna onmogelijk er nog een touw aan vast te knopen. Maar af en toe lijkt er meer in de weg te zitten dan alleen de taal. Zo reageert hij op alles wat ik vertel met een neutraal uitgesproken 'Okay’. Of hij het nu begrijpt? En wat hij er zelf van vindt? Het blijft een raadsel.
Is het nou zo vreselijk crimineel hier in Harare, zoals in de reisgids wordt beweerd, vraag ik hem. Ja, zegt hij. En de verklaring geeft hij er direct bij: 'Het is de schuld van de Nigerianen die hier een aantal jaren geleden naartoe zijn gekomen. Zij hebben de handel in verdovende middelen opgezet in Harare. Inmiddels zijn er een hoop het land uitgezet, maar een aantal hebben Zimbabweaanse paspoorten gestolen en geven zich nu uit voor Zimbabweaan.’
Ik vraag hem waarom de criminaliteit in Zuid-Afrika zoveel hoger is dan hier.
'Juwelen en goud’, is alles wat Shephard er over wil zeggen.
'En waarom is Zimbabwe zo arm?’
'Kolonialisme. Daarom liggen we zo ver achter.’ Het blijft een minuut lang stil. Dan voegt hij er aan toe: 'En corruptie.’
IK LOOP DOOR de hoofdstad en ontdek dat er erg veel mensen op straat zijn die vodden aan hun lijf hebben; en dat high density areas een veredeld woord is voor sloppenwijk en dat het er daar heel anders uitziet dan op de Julius Nyereweg in het centrum van Harare. De bananenverkopers spreken me aan met 'baas’ en in de bus krijg ik steevast een extra zitplaats toebedeeld.
Na vijftien jaar begin ik langzaam weer wat van het land te begrijpen. Bijvoorbeeld dat het economisch uitermate beroerd gaat met Zimbabwe. De inflatie bedraagt zo'n dertig procent per jaar. Ooit was de Zimdollar één Amerikaanse dollar waard, nu minder dan één tiende. Veertig procent van de beroepsbevolking is werkloos.
De westerse landen vinden Zimbabwe nauwelijks de moeite waard. Buiten tabak, wat katoen en nog een paar grondstoffen is er weinig dat het buitenland in staat van opwinding kan brengen. Het Westen zal vast niet genoeg betalen voor de produkten die het land levert, en de droogte van een paar jaar geleden droeg ook niet bij tot een beter economisch klimaat. Maar de 3,1 miljard die wordt uitgetrokken voor Defensie terwijl er niet echt vijanden meer zijn sinds het Zuidafrikaanse apartheidsbewind ten val kwam, helpt ook niet echt mee. Evenmin als de 1,6 miljard die de regering denkt te moeten uittrekken voor de gezondheidszorg, inclusief aidsbehandeling voor naar schatting twintig procent van de bevolking.
Ook de acties van de Affirmative Action Group (AAG), de club die positieve discriminatie van zwarten voorstaat, zijn geen aanjager van een gezond economisch klimaat. Een internationale bank had in het kader van zijn normale functieroulatie de brutaliteit gehad een buitenlandse, blanke manager neer te zetten op de hoogste post in Zimbabwe. Hij werd door AAG-voorzitter Philip Chiyangwa begroet met de volgende woorden: 'Hij zal het betreuren dat hij naar Zimbabwe is gekomen. We zullen zijn verblijf hier tot een nachtmerrie maken. Als hij hier is, zullen we al zijn acties frustreren.’
Hartelijk welkom in gastvrij Zimbabwe. Buitenlandse bedrijven zijn vanzelfsprekend nog geen stormloop begonnen bij de economische afdelingen van de Zimbabweaanse ambassades.
Ook in Zimbabwe zelf is niet ieder bedrijf ingenomen met de acties van de AAG. Adam Johnson, die de afgelopen jaren samen met twee andere blanke compagnons een aardige reisorganisatie heeft opgebouwd om toeristen wat meer van Zimbabwe - het land waar hij geboren is - te laten zien dan het meest voor de hand liggende, is erg somber over zijn toekomst. De vergunning voor hun bedrijf Black Rhino loopt eind dit jaar af, en hij verwacht dat er zulke hoge bedragen voor een nieuwe vergunning moeten worden neergeteld dat het weinig zin meer heeft het bedrijf voort te zetten. Black Rhino zal namelijk ongeveer tien keer meer moeten betalen dan zijn zwarte concurrenten. Dat is wel een erg zware boete voor het hebben van een witte huid.
En zo nemen langzaam maar zeker steeds meer boze gedachten bezit van me. De nieuwe zwarte elite die in Zimbabwe is gegroeid na de machtsovername van 1980, lijkt vooral geïnteresseerd in glanzende Mercedessen en snel gesneden pakken. Als ik ze tegenkom, zijn ze bruut tegen de ober, onbeschoft ten opzichte van de arme sloebers op straat, arrogant tegenover hun minderen en kruiperig tegenover hun chefs. En hoewel hun huid zwart is, gedragen ze zich zoals ik me voorstel dat de blanken zich gedroegen in vroeger dagen.
'Waar blijft onze Enzo Ferrari, onze Mitsubishi, onze Hyundai’, roept het enige kritische weekblad dat nog kan bestaan in dit land, de Zimbabwe Independent, bijna wanhopig uit. 'Er is geen enkele belangstelling om kwaliteit te leveren. Wat ontbreekt is de passie, de lol van het zakendoen, het plezier hebben in iets maken dat beter is dan dat van de buren.’
En opeens denk ik te begrijpen wat ik zo mis hier: het is de aloude calvinistische arbeidsmoraal, de wil om op eigen kracht, door eigen inzet een stukje verder te komen in de wereld. Die cultuur met zijn ingebakken waarden en normen als zuinigheid, ijver en doorzettingsvermogen vind je hier vooral terug bij de blanken. Voel ik me daarom toch meer verwant met de oude onderdrukker dan ik vroeger ooit zou hebben willen erkennen?
Ik moet onwillekeurig denken aan wat Robert D. Kaplan schreef in The End of the Earth: A journey at the Dawn of the 21st Century. Natuurlijk speelt kolonialisme een rol, maar toen Ghana in 1957 onafhankelijk werd, was het bruto nationaal produkt even groot als dat van Zuid-Korea. Nu krijgt Ghana ontwikkelingshulp van Zuid-Korea.
Eenmaal op het boze spoor gezet, lijkt nu alles mijn gedachten te bevestigen. Zelfs eenvoudige berichtjes in de krant, zoals: 'Let me tell you that the public is waiting for its day people like you whites will be crushed. We can put cyanide in your tea and you will die. You will be crushed to death one day. We will eliminate all of you.’
Verbijsterd vraag ik me voor de zoveelste keer af in wat voor land ik terecht ben gekomen. Vanaf het balkon van mijn hotel zie ik hoog boven de skyline van Harare het hoofdkwartier van de Zanu (PF) omhoog torenen. Mocht het nog niet duidelijk zijn dan is nu in één klap zonneklaar wie hier de touwtjes in handen heeft. Elke partij die in het parlement is vertegenwoordigd met meer dan vijftien zetels, heeft jaarlijks recht op 32 miljoen Zimdollar ondersteuning. Er is maar één partij met meer dan vijftien zetels in het parlement. De krant, het persbureau Zania en de televisie: het zijn allemaal trouwe vazallen van de Zanu (PF).
In de boekwinkel ligt Who is who in Zimbabwe. Pagina’s vol comrade Mugabe. Een klein stukje comrade Nkomo, de vice-president en afkomstig van de enige serieuze concurrent die de Zanu ooit had, de Zapu. Niks echter over de slachtpartij die de Zanu direct na de onafhankelijkheid aanrichtte onder de partijgenoten van Nkomo, en evenmin één letter over zijn vlucht daarna naar Londen. Ja, wel over de - gedwongen - verzoening die later kwam. Anderen die een cruciale rol speelden in de recente geschiedenis van Zimbabwe worden eenvoudig niet genoemd. Ian Smith? Abel Muzorewa? Ze hebben nooit bestaan.
Ook op het kantoor van de Zacu, de officiële vakbeweging van Zimbabwe, heerst de arrogantie van de macht. De receptioniste benadert bezoekers in het beste geval met een plichtmatige routine, in het slechtste geval worden bezoekers volstrekt genegeerd. Hier heerst de onverschilligheid van de Oosteuropese bureaucraat voor de val van de muur. 'Nee, de comrade secretaris-generaal is er niet.’
'Maar kan ik hem een dezer dagen spreken, denkt u?’
'Nou, hij heeft het erg druk. Kunt u over vier weken terugkomen?’
MIJN OUDE VRIENDEN zijn mijn vrienden niet meer en nieuwe vrienden zijn er niet. De strijdmakkers van toen zijn verworden tot een corrupte elite die rondrijdt in glanzende Mercedessen, die voor de arme comrades die langs de kant van de weg staan in afwachting van een lift, slechts stofwolken achterlaten. En de blanken blijven blanken die spreken over een land dat ooit - toen zij er nog machtig en invloedrijk waren - een paradijs is geweest, maar dat nu afglijdt naar de status van 'een gewoon Afrikaans land’.
En ik? Als de taxi me terugbrengt naar het vliegveld, lijkt het land dat ik nu met eigen ogen heb aanschouwd, minder vreemd. Maar meer dan twintig jaar geleden voel ik me een vreemdeling op weg naar huis.