De historische VDB’s

Het vrijzinnig-democratisch verleden

Na de staatkundige hervormingen van Thorbecke vonden veel negentiende-eeuwse liberalen het welletjes. De gegoede burgerij had de politieke invloed die haar toekwam, de overheid moest zorgen voor orde en veiligheid en diende op sociaal-economisch terrein haar handen thuis te houden. Onder een deel van de jongere liberalen ontstond verzet tegen deze conservatief-liberale koers. Zolang er nog geen algemeen kiesrecht was, was in hun ogen de democratie nog niet verwezenlijkt. Bovendien ging het niet alleen om de formele democratie, maar moest de overheid ook zorgen voor de materiële voorwaarden die de burgers in staat stelden zich te ontplooien en te participeren in het bestuur van gemeente, provincie en rijk. Tot afschuw van de oude liberalen bepleitten zij een verregaande overheidsbemoeienis op het terrein van het onderwijs, moest er een eerlijker belastingstelsel komen en diende er een begin te worden gemaakt met sociale wetgeving.

Een deel van deze ‘radicalen’ bleef actief binnen de Liberale Unie, terwijl anderen de Radicale Bond oprichtten. Toen in 1901 de meerderheid van de Liberale Unie weigerde het algemeen kiesrecht als prioriteit te stellen, splitsten de sociaal-liberalen zich af en richtten samen met de Radicale Bond de vdb op.

De aanhang bestond uit verlichte leden van de klassieke bourgeoisie, een flink deel van de nieuwe middenstand van ‘witte boorden’ en professionals en veel ‘kleine luyden’ die niets wilden weten van het neocalvinisme van Abraham Kuyper maar die zich rekenden tot het vrijzinnig-protestantisme. Vanwege het radicaal democratische standpunt was de vdb ook aantrekkelijk voor feministes; Aletta Jacobs was een prominent partijlid. Onder de abonnees van de in die jaren progressief-liberale Groene Amsterdammer moeten zich naar verhouding zeer veel vdb-stemmers hebben bevonden. De hoofdredacteuren G.W. Kernkamp (1920-1928) en A.C. Josephus Jitta (1929-1936) waren prominente vdb-leden.

Electoraal schommelde de vdb tijdens het interbellum tussen de vier en bijna zeven procent van de stemmen, maar door de weigering van de confessionele partijen om met de sociaal-democraten te regeren mocht de partij af en toe ministers leveren. Anders dan bij d66 resulteerden grote concessies aan de rechtsere partijen niet in grote verkiezingsnederlagen.

Het vrijzinnig-protestantse gedachtegoed zorgde ervoor dat de van oorsprong links-liberale partij ging pleiten voor (eenzijdige) nationale ontwapening, maar ook voor een specifieke vorm van ordening van het sociaal-economische bestel die Meine Henk Klijnsma in zijn proefschrift Om de democratie: De geschiedenis van de Vrijzinnig-Democratische Bond, 1901-1946 aanduidt met de term ‘solidarisme’, maar die meestal corporatisme wordt genoemd. Die laatste term roept echter associaties op met het fascisme, terwijl de vdb juist bij uitstek de partij was die de democratische rechtsstaat verdedigde.

Op één punt heeft de partij deerlijk gefaald, namelijk waar het ging om het doorbreken van de enorme kloof tussen confessionele en seculiere partijen. Omdat de vrijzinnig-democraten zo gebrand waren op de invoering van het algemeen kiesrecht stemden ze in 1917 in met de financiële gelijkstelling van het bijzonder en openbaar onderwijs. Hiermee waren ze er mede verantwoordelijk voor dat de door hen zo verfoeide verzuiling in de jaren twintig haar hoogtepunt kon bereiken.

Klijnsma, die zijn boek besluit met een overzicht van buitenlandse partijen die ideologisch en politiek verwantschap met de vdb vertoonden, heeft gelijk wanneer hij stelt dat de partij meer was dan een tamelijk opportunistische club die schipperde tussen het harde liberalisme en de collectivistische sociaal-democratie. Ook valt er veel te zeggen voor zijn stelling dat de opheffing van de vdb in 1946 een vergissing was, die pas enigermate werd rechtgezet met de oprichting van d66. In zijn streven om de vrijzinnig-democratie neer te zetten als een zelfstandige stroming heeft hij echter wel de neiging de verschillen met vooral de sociaal-democratie sterk aan te zetten. Aan de ideologische en politieke ontwikkelingen die de sdap in de jaren dertig doormaakte – waardoor niet alleen in sociaal-economisch opzicht maar vooral waar het ging om de verdediging van de democratie de verschillen met de vdb veel kleiner werden – besteedt hij weinig aandacht. Bovendien is het zeer sterk de vraag of het vrijzinnig-democratische gedachtegoed zich tegenwoordig nog zó sterk onderscheidt van de sociaal- en christen-democratie dat een zelfstandige politieke beweging levensvatbaar is.

Meine Henk Klijnsma, Om de democratie: De geschiedenis van de Vrijzinnig-Democratische Bond, 1901-1946_, Bert Bakker, 837 blz., € 39,95_