Sluier en ontsluiering

Het vrouwelijk geheim onthuld

De sluier en de hoofddoek hebben talloze politieke, seksuele, religieuze en sociale betekenissen. En ze zijn niet alleen diep verankerd in de islam, maar ook in het jodendom en het christendom.

DE SLUIER IS NIET door de islam uitgevonden. Hij hoorde er niet eens vanaf het begin bij, maar werd ingevoerd door de wisselwerking met de oudere, voor-islamitische culturen en de beide andere monotheïstische religies, de joodse en de christelijke. Tegenwoordig zien we het sluieren van de vrouw als een typisch islamitisch verschijnsel, maar in werkelijkheid is het een element van de ‘eenheid van het Middellandse-Zeegebied’. Het dragen van een sluier was een wijdverbreide gewoonte, onder joodse en Griekse vrouwen, in Syrië en Byzantium. De sluier was in wezen een statussymbool: alleen vrouwen uit de hogere klasse mochten hem dragen. Ook in de islamitische gebieden werd de sluier eerst alleen gedragen door de echtgenotes van Mohammed en later door vrouwen uit de bovenlaag van de bevolking. Pas sinds de negende eeuw was hij een verplicht onderdeel van de civiele (niet sacrale) kleding van de vrouw; maar de vorm ervan varieerde van regio tot regio. Ook de sluier van vandaag zegt tot welke van de talrijke groeperingen binnen de islam de vrouw in kwestie behoort. Wanneer we het sluieren van de vrouw beschouwen als een onvervalste islamitische gewoonte maken we ons, volgens godsdiensthistorica Leila Ahmed, docent aan Harvard Divinity School, schuldig aan ‘het verdraaien van historische feiten’, die voorbijgaat aan de wisselwerking tussen de verschillende culturen en religies in het Nabije Oosten en het Middellandse-Zeegebied.
De sluier maakt ook onlosmakelijk deel uit van de geschiedenis van het door het christendom gevormde Westen. Vandaag de dag wordt dat feit graag verdrongen, ook al lieten nog tot in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw veel prominente vrouwen in de westerse cultuur – filmsterren als Grace Kelly, Brigitte Bardot en Jeanne Moreau, en ook koninginnen als Elizabeth II en Fabiola – zich graag en vaak fotograferen met een hoofddoek op. Voorzover wij tegenwoordig – bijvoorbeeld onder vrouwen in de landbouw – zulke doeken überhaupt opmerken, beschouwen we ze als een onderdeel van de traditionele klederdracht op het platteland; in werkelijkheid zijn ze echter het relict van het in de christelijke samenleving heersende idee dat een vrouw haar hoofd moet bedekken zodra ze ‘onder de pannen’ is gekomen, getrouwd is. Historisch onderzoek naar de sluier laat zien dat niet zozeer de sluiering van de vrouw maar juist haar ontsluiering uitleg en verklaring behoeft.
De sluier en de hoofddoek hebben politieke, seksuele, religieuze en sociale betekenissen, die naast elkaar bestaan en elkaar overlappen: de hoofdbedekking kan net zo goed sociale klasse, regionale grenzen of religieuze voorkeur aanduiden als de maatschappelijke status van vrouwelijkheid. Omdat er zoveel verschillende betekenissen kunnen worden toegeschreven aan de sluier is hij een ‘lege significant’. In de vroege oudheid bestaat hij als attribuut van de godin én als kledingstuk van de sterfelijke vrouw. De vroegste getuigenissen stammen uit Mesopotamië en het Middellandse-Zeegebied. Zo worden de verschillende gedaanten van de moedergodin (Ischtar, Isis, later Demeter en Vesta) vaak gesluierd afgebeeld. In Babylonische teksten wordt, volgens Alfred Jeremias, ‘de nacht als de gesluierde godin aangeroepen’. Over de Egyptische Isis wordt gezegd dat de inscriptie op haar standbeeld luidde: ‘Ik ben het Al, het voorbije, het tegenwoordige en het komende, mijn gewaad is nog door geen sterveling opgelicht.’ Homerus bericht dat in de Eleusinische mysteriën Demeter werd vereerd als de ‘heerseres van de stralende sluier’. Een juridisch document uit Assur (circa 1450-1250 voor Christus) schrijft de getrouwde vrouw voor dat ze het hoofd moet bedekken als ze zich in het openbaar vertoont. Ook in het oude Griekenland hoort de sluier bij de lichaamsbedekking van getrouwde vrouwen uit de hogere klasse. Bruiden dragen de gezichtssluier als teken van hun zedigheid – een gebruik dat zowel door de joden als door de Grieken werd gepraktiseerd en dat later door de Romeinen werd overgenomen. In het Hebreeuws betekent het woord voor bruid (kallatu) letterlijk ‘de gesluierde’. Doordat de bruidegom de sluier van de bruid optilt, ontbloot hij symbolisch haar schaamte, en doordat hij haar ‘bekent’, voltrekt hij symbolisch de geslachtsdaad.
ALS ATTRIBUUT VAN DE GODIN stond de sluier symbool voor zowel haar onafhankelijkheid als de onbereikbaarheid van het heilige – de ongetrouwde priesteressen van de Romeinse Vesta bewaakten bijvoorbeeld een door een gordijn afgescheiden, aan de blikken der normale stervelingen onttrokken binnenruimte, waarin ze ongezien hun rituelen uitvoerden. In het profane domein laat de getrouwde vrouw door de sluier zien dat ze toebehoort aan een man (haar eerbaarheid) en onderscheidt zich daarmee van de prostituee, die het was verboden de sluier te dragen. In het christendom daarentegen wijst de sluier op het afzien van seksualiteit en voortplanting, zonder voorbij te gaan aan de andere betekenissen. Zo droeg de christelijke auteur Tertullianus in zijn rond 216 geschreven de virginibus velandis de ongetrouwde jonge vrouwen op hun kuisheid met de sluier te verhullen: ‘Ik smeek u jongedame, bedek met de sluier je hoofd! Grijp naar het wapen der kuise tucht, omgeef je met de wal der zedigheid (…) Want jij bent met Christus getrouwd, aan hem heb je je lichaam gegeven.’ Ten slotte, als een laatste paradox, kan de sluier het lichaam van de vrouw voorstellen als afwezig en geheimzinnig, en hij kan dat onzichtbare, in het binnenste van het vrouwelijk lichaam verborgen ‘mysterie der maagdelijkheid’ symboliseren. Op veel afbeeldingen waarop de engel Maria voorzegt dat ze, ook al is ze maagd, een zoon zal baren, is ze aan het weven of aan het spinnen. Later, na de ‘ontdekking’ van het maagdenvlies in de elfde eeuw, symboliseerde de sluier het onzichtbare hymen.
Kortom, de sluier is zeer rijk aan betekenissen, en hij speelt ook daarom een belangrijke rol in het debat tussen de islam en de westerse samenleving omdat hij ook in de christelijke maatschappij een lange traditie heeft. Van de drie religies van het boek heeft alleen de christelijke ooit van de vrouwen verlangd dat ze in het huis Gods hun hoofd bedekten. Zo droeg Paulus de christelijke vrouwen van Korinthië, die tegen de joodse gebruiken in zonder sluier in het openbaar verschenen, op om in de kerk een sluier te dragen: ‘Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is’ (1 Korinthiërs 11:5). Zijn motivatie voor dit voorschrift is opmerkelijk: ‘Want een man moet het hoofd niet dekken: hij is het beeld en de heerlijkheid Gods, maar de vrouw [moet het wel doen, want zij] is de heerlijkheid van de man. Want de man is [oorspronkelijk] niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man’ (1 Korinthiërs 11:7-9). Aangezien bij Paulus alleen de man als evenbeeld van God werd beschouwd, mocht alleen de man Hem ongesluierd – dat wil zeggen op gelijke ooghoogte – tegemoet treden. De vrouw was echter een schepping en een spiegelbeeld van de man en moest zich om die reden in de kerk bedekken. Deze volkomen andere betekenis die het christelijk geloof toekent aan het sluieren van de vrouw kan verklaard worden vanuit de verschillende religieuze structuren.
ANDERS DAN HET JOODSE geloof en de islam bevat de christelijke leer in de kern een boodschap van ontsluiering, die is vastgelegd in het laatste boek van het Nieuwe Testament, de Openbaring van Johannes. Het Griekse woord voor openbaring is apokalypsis, letterlijk ‘ontsluiering’ en is een samenstelling van kalypta, wat zoveel betekent als ‘sluierachtige mantel’, en het voorvoegsel apo (= weg, verwijderd). Ook in het Latijnse begrip revelatio wordt de openbaring beschouwd als een symbolische daad van ontsluiering (velum = sluier, gordijn). Zowel het joodse als het islamitische geloof gaat uit van een verborgen God, die niet mag worden afgebeeld – hij blijft derhalve verborgen – en met wie de gelovige niet rechtstreeks in contact kan treden: hij dient zich tegenover Hem ook te bedekken. Daarom vereist het ontvangen van het geopenbaarde Woord zowel van Mozes als van Mohammed dat hij het hoofd bedekt met een sluier. In de Hebreeuwse Bijbel staat dat Mozes op de Berg Gods ‘zijn aangezicht had verhuld, omdat hij bang was voor het aangezicht Gods’ (2 Mozes 3:6), en over Mohammed weet de overlevering dat hij voor zijn ontvoering, toen hij voelde dat God naderde, zou hebben geroepen: ‘Bedek mij!’ Bovendien wordt Mohammed in de islamitische overlevering ook wel ‘de sluierman’ (du l-himar) genoemd. In twee koranverzen wordt hij nadrukkelijk aangesproken met ‘O, gij die u omwikkelt’ (73:1) en ‘O gij die u omhult’ (74:1).
Als ‘onthullingsreligie’ volgt het christendom een andere logica. Het idee van ontsluiering zegt de waarheid van Christus, dat wil zeggen het goddelijke mysterie, onverhuld te kunnen zien en begrijpen: in de gedaante van Christus, het ‘vlees geworden Woord’ of zichtbaar geworden Zoon van God. Deze diepgaande onderscheiden hadden hun uitwerking op de symbolische ordening der geslachten in de drie religies van het boek. In alle drie religies is de hiërarchie van de geslachten te lezen als een spiegelbeeld van de verhouding tussen God en de mens. (Als de rangorde van de seksen niet van symbolische maar van biologische stramienen zou afhangen, zou ze niet zo fundamenteel verschillend zijn tussen de ene cultuur en de andere. Maar dat weerhoudt de culturen er niet van hun ordening der geslachten gelijk te stellen met de ‘natuur’.) In de islam en het jodendom bestaan onoverkomelijke grenzen tussen de eeuwigheid van God en de menselijke, wereldse tijdelijkheid, die enerzijds tot uitdrukking komt in het beeldverbod, maar anderzijds ook in het principe van de segregatie der geslachten. ‘Beperkingen voor vrouwen zijn’, volgens islamwetenschapper Malise Ruthven, ‘ten nauwste verbonden met voorstellingen van het heilige.’ De sluier die door de vrouw wordt gedragen, symboliseert de grens die tussen het goddelijke en het wereldlijke wordt getrokken.
Tegelijk is hij afgeleid, historisch en etymologisch, van het gordijn dat het private beschermt tegen het openbare. Niet openbaring (revelatio) maar afscheiding staat hier voorop, net zoals het begrip sluier – hidjab – scheiding, gordijn betekent. Een architectonisch kenmerk van islamitische vrouwenvertrekken is de mashrabiya: een lucht en licht doorlatende scheidingswand. Omdat hij niet blikdicht is, kunnen de vrouwen naar buiten kijken zonder zelf gezien te worden. De mashrabiya is een architectonische vorm van de sluier, en andersom is de sluier een draagbare, textiele vorm van de mashrabiya.
In het christendom daarentegen wordt de grens tussen God en mens opgeheven. Dienovereenkomstig geldt een ideaal van symbiose der geslachten. Zoals Christus het hoofd van de kerk vormt en de gemeente Zijn lichaam, moeten ook de geslachten een onscheidbare eenheid vormen. Ook hier heeft Paulus de norm gesteld, door een analogie te creëren tussen de relatie van Christus tot Ecclesia en de verhouding tussen de geslachten. Christus zou het ‘hoofd’ van de kerk zijn en de geloofsgemeenschap het lichaam: ‘Zo dienen ook de mannen hun vrouwen lief te hebben als hun eigen lichaam. Wie zijn vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief.’ Duidelijker dan met het beeld van een hoofd dat zijn eigen lichaam trouwt kan de wet van de onontbindbaarheid van het huwelijk, die alleen het christendom kent, nauwelijks worden voorgesteld. Aan die symbiotische ordening van de geslachten draagt ook het feit bij dat in het christelijk geloof de vrouw als ‘spiegelbeeld’, of reproductie, van de man wordt beschouwd.

DE DIEPGAANDE RELIGIEUZE verschillen creëerden ook uiteenlopende benaderingen van seksualiteit. In het christelijk geloof symboliseert de sluier ook het besluit tot seksuele ascese en maagdelijkheid voor het leven. Door de sluier wordt de kuise vrouw tot ‘bruid van Christus’. De sluier van de christelijke maagd is een teken dat zij zich van de wereld heeft afgekeerd, hij symboliseert het overstijgen van de seksualiteit en maakt uit het lichaam van de vrouw een ‘heilig vat, dat aan de Heer was gewijd’. De islam daarentegen wijst celibataire vrouwen- (en mannen-)gemeenschappen net zo goed af als de christelijke vijandelijkheid jegens seksualiteit. De seksualiteit wordt in principe gezien als positief. ‘Anders dan de maagdelijke Jezus wordt de Profeet van de islam geprezen als iemand die niet alleen het gezelschap van vrouwen maar ook de genoegens van de seksualiteit geniet. (…) De geslachtelijke genoegens zijn een voorproefje van het paradijs’, schrijft Ruthven. De hoge waardering van de seksualiteit betekent overigens niet dat de vrouw ‘vrij’ zou zijn. Zoals in alle culturen is de seksualiteit in de islam onderworpen aan een veelheid van regels, met als grootste gemene deler de nadruk op de scheiding der geslachten, die voor beide seksen geldt. ‘Je zou zelfs kunnen zeggen’, meent de sociologe Nilüfer Göle, ‘dat er in het islamitische systeem veel meer verboden tegen het samenzijn van man en vrouw bestaan dan beperkingen van rechten van vrouwen.’
Dat met het sluieren van de vrouw in de openbare ruimte niet per se de onderdrukking van vrouwelijke seksualiteit gepaard ging, maar eerder een bepaalde omgangsvorm wordt getoond, bewijzen commentaren van Turkse vrouwen die in het kader van de stichting van de republiek in 1923 ontsluierd werden: zij ervoeren die maatregel als een ‘neutralisering van hun seksuele identiteit’, die ze vergeleken met die van westerse, ontsluierde vrouwen. Voor hen was het duidelijk: als de vrouw zich onbedekt in het openbaar vertoonde, dan moest haar seksuele ‘energie’ op andere manieren gedomesticeerd worden. Als ‘geëmancipeerde’ vrouw met gelijke rechten kon ze alleen maar worden gezien als ‘aseksueel’. ‘Met andere woorden, de kemalistische vrouw heeft weliswaar de gezichtssluier en haar omhulling afgelegd, maar daarvoor heeft ze haar seksualiteit “verhuld”, zichzelf in de openbaarheid geharnast, zichzelf “onaanraakbaar”, “onbereikbaar” gemaakt’, schrijft Göle. De ontsluiering vooronderstelt dus een specifieke, voor islamitische culturen nieuwe vorm van verinnerlijkte zelfdiscipline, die het lichaam als een tweede, onzichtbare en daarom ‘natuurlijk’ lijkende huid omhult: een net dat bestaat uit culturele disciplineertechnieken, dat je zou kunnen beschrijven als een op de huid liggend (en tegelijk verinnerlijkt) ‘Über-Ich’.

DAT HET CHRISTELIJK geloof als een geloof van de onthulling geldt, zou bepalend worden voor de seculiere westerse wereld. Veel vernieuwingen die met de Renaissance tot een snelle en groeiende kennisproductie leidden, dankte het Avondland aan het Arabische gebied. Dat geldt evengoed voor de geneeskunde en de wiskunde als voor allerlei technische innovaties. Maar op enkele gebieden heeft het Avondland geheel nieuwe dingen laten zien: dat geldt met name voor het horloge, de boekdrukkunst en visualiseringstechnieken als het centraalperspectief, de verrekijker, de microscoop, later fotografie en film. Met die technieken ging het christelijke paradigma van de onthulling over van de theologie naar het domein van het wereldlijke en wetenschappelijke: in de zoektocht naar de aardse ‘waarheid’ ontwikkelde het Avondland een veelheid aan kijkapparaten, die telkens nieuwe ‘ont-dekkingen’ mogelijk maakten. Bij die onthullingsdrang hoorden ook seksuele aspecten. Dankzij de nieuwe kijktoestellen werden onbekende werelden binnengedrongen en ‘donkere continenten’ aan het licht gebracht: of het nu ging om het menselijk lichaam, de natuur of vreemde continenten, het object van kennis werd altijd als een vrouwelijk lichaam voorgesteld, dat door de wetenschap ‘ontmaagd en onthuld moest worden.
De impuls van ont-dekking of ontsluiering was duidelijk zichtbaar aan de geleidelijke ontkleding van het vrouwelijk lichaam in de openbare ruimte. Het proces begon in de Renaissance met de fantasie van penetratie van het vrouwelijk lichaam door de ogen. Het werd voortgezet in de anatomische voorstellingen van de zeventiende en achttiende eeuw en leidde rond 1800 tot het beeld van een vrijwillige ‘ontsluiering’ van de natuur voor de ogen van de wetenschap. Vanaf het midden van de negentiende eeuw – preciezer: met het ontstaan van de fotografie (dat oog, dat – als een zeldzame parallel met de gesluierde vrouw, kan zien zonder zelf gezien te worden) – werd deze onthulling niet langer allegorisch geïnterpreteerd maar leidde tot de reële ontkleding van het vrouwelijk lichaam. De onthulling van het vrouwelijk lichaam vergezelde de ontwikkeling van de moderne kijkapparaten en bereikte in 1946 haar (voorlopige) hoogtepunt met de uitvinding van de bikini. Sindsdien is er nauwelijks nog een product of een tijdschrift dat zichzelf niet aanprijst met een naakte huid.
Deze razendsnelle ontkleding van de vrouwelijke lichamen die de afgelopen honderd jaar in het Westen plaatsvond, krijgt in samenhang met het hoofddoekdebat verbazingwekkend weinig aandacht – en wanneer dat wél gebeurt, dan wordt ze beschouwd als een teken van vrouwelijke emancipatie en vrijheid. In werkelijkheid dient de ont-hulling van het vrouwelijke lichaam echter een enscenering van de macht van de blik en van zijn gave de ‘waarheid’ te onderscheiden. Hoe dan ook schuilt achter de fantasie van de ont-sluiering een probleem: zodra alle donkere continenten gedefloreerd en ont-dekt zijn, komt de drang tot onderzoeken zonder brandstof te zitten. De productie van kennis komt tot een einde, omdat er geen geheimen meer zijn die op een onthulling wachten. Om dat probleem op te lossen komt de gesluierde moslima als geroepen: eindelijk weer een vrouwelijk geïdentificeerd ‘geheim’, dat ont-huld moet worden.

Dit is de ingekorte versie van een lezing die Christina von Braun op 14 mei in Den Haag hield in de cyclus ‘Grenzkonflikte der Demokratie: Diagnoses uit de Duitse cultuurwetenschappen’. Meer informatie: www.hum.leiden.edu/cti