Het vuilnisvolk van petersburg

SINT-PETERSBURG - Met zijn vier miljoen inwoners produceert Sint-Petersburg zo'n vijf miljoen kubieke meter afval per jaar. De vuilniscontainers op de binnenplaatsen in de stad zijn een welkome bron van inkomsten en voedsel voor de Petersburgers die vooral na de enorme prijsstijgingen van de laatste maanden met moeite het hoofd boven water kunnen houden. ‘Ach, de mensen gooien een hoop weg’, glimlacht Valentina (69) terwijl ze drie lege bierflesjes uit de container trekt. ‘Dit is toch alweer anderhalve roebel statiegeld, daar koop je een half brood voor!’

Valentina ontvangt elke maand een pensioen van tweehonderdtachtig roebel (achtentwintig gulden), maar sinds september kan ze daar niet veel meer voor kopen. Daarom zoekt ze in containers en in parken naar lege flesjes. ‘En vaak vind ik nog andere dingen, zoals halfvolle verpakkingen of vleesresten die ik aan de kat geef.’
De containers worden twee tot drie keer per week geleegd, waarna het afval naar de verwerkingsfabrieken wordt vervoerd. Of terechtkomt op de vuilstortplaatsen buiten de stad, waar het wordt platgewalst en na verloop van tijd wordt afgesloten met een isolerende laag.
Polygon 1 is de grootste vuilnisbelt van Sint-Petersburg: hij rijst meer dan vijfentwintig meter de hoogte in, waar het wit ziet van de meeuwen. De stank is ondraaglijk. 'Ik zou niet omhoog gaan, als ik jullie was’, zegt de beveiligingsbeambte aan de voet van de berg. 'Je staat erin tot aan je knieën, zelfs de containerwagens kunnen er maar met moeite doorheen komen.’
Maar in de verte zijn wel degelijk silhouetten van voetgangers te ontwaren. 'Ik zou het echt niet doen’, grijnst de beambte. 'En bovendien: de snuffelaars laten jullie niet eens toe, geloof me.’
De vuilnisbelt trekt dagelijks honderden Petersburgers op zoek naar voedsel en recyclebaar materiaal, zoals glas, karton, metalen en onderdelen van elektronische apparatuur. Voor een kilo koper wordt in de stad acht roebel geboden, en als je dat niet kunt vervoeren, kun je het voor vijf roebel bij de berg kwijt aan tussenhandelaren.
Polygon 1 ligt twintig kilometer buiten de stad. Tegenover de vuilnisbelt, aan de andere kant van de weg, ligt een kerkhof. Toch is het veenachtige gebied aan de voet bezaaid met de meest eigenaardige bouwsels. Hier woont het 'vuilnisvolk’. Het hutje van Jevgenij Loekin is gemaakt van plastic platen en dekens. Het is er aangenaam warm: op een provisorisch kacheltje staat een ketel te stomen. 'Ik stook vooral plastic’, zegt Evgenij, 'want dat fikt goed en het is niet zo zwaar. Maar we gooien er van alles in, als het maar brandt.’
Jevgenij is een ex-gevangene. Toen hij na eenentwintig jaar werkkamp vrijkwam, had hij geen identiteitspapieren meer, en ook zijn inwonersschap van Sint-Petersburg was hij kwijt. 'Ik ben 42. Ik zeg altijd: mijn leven is half om half: de helft op vrije voeten, de helft gezeten. Ik kwam in het kamp in 1974, ik was een berenleider (kampjargon voor een slotenkraker - mdm). Ik opende brandkasten. Ik heb nooit iemand gedood, ik deed waar ik goed in was, ik ben lasser van beroep.’
Na een jaar rondzwerven belandde Evgenij op Polygon 1. 'Ik zit hier nu twee jaar. Ik eet van de berg, en dat is niet slecht. In het kamp kregen we alleen maar kool en water. En ik leid een eerlijk bestaan. Ik maak kransen van elektriciteitsdraad, die verkoop ik aan het kerkhof, daar steken ze bloemen in. Maar als het niet voor Alla was, dan zat ik allang weer achter de tralies. Alleen voor haar houd ik mijn handen schoon.’
Jevgenij glimlacht naar zijn vriendin, die net van de berg is afgedaald en de buit van vandaag uitstalt buiten het hutje, waar zich inmiddels een kleiner formaat vuilnisbelt heeft gevormd van lege flessen, lappen en kapotte radiotoestellen. Jevgenij heeft Alla op de berg ontmoet, en ze zijn eigenlijk niet van elkaar te onderscheiden door de dikke laag vuil op hun gezichten. Alla houdt een zak met rotte kool omhoog: 'Kijk, nog prima, je snijdt de rotte stukjes eraf en met deze aardappels maak ik daar morgen soep van. Iedereen heeft zo zijn manier om te overleven. Toen ik voor het eerst op de berg kwam, puilden mijn ogen uit hun kassen - zo'n rijkdom! Ze zeggen dat Rusland arm is, nou, dat is niet zo, want wat de mensen al niet weggooien! Het afval van de fabrieken, dat is het mooiste, want zij zijn verplicht hun voorraden die over datum zijn, weg te gooien. Van tevoren weet je niet waar een container vandaan komt als ze aan komen rijden. Hele partijen vleeswaren kun je hier vinden. We noemen de berg wel eens “Het wonderveld”, naar dat televisieprogramma waar ze altijd prijzen winnen.’
Twee zwerfhonden drentelen om het vuilnis heen. Het zijn honden die op het kerkhof leven, maar die zelf niet naar de berg omhoog kunnen klimmen: daar leeft weer een andere roedel honden, die geen indringers tolereert. 'Wij geven ze vaak te eten, want ze hebben dezelfde problemen als wij’, lacht Jevgenij. 'Wij worden boven ook vaak weggejaagd, door Vova en zijn kornuiten.’
VOVA WOONT NIET beneden in het moeras, maar boven op de berg. Onder luid gekrakeel van de meeuwen staat hij weids te gebaren voor zijn hutje op de top van de vuilnisbelt. Vova is de tsaar van de berg. Hij heeft een gaspistool, een gummieknuppel en een brigade helpers. Hij schopt woest door het vuil dat een vrachtwagen zojuist heeft gestort en schreeuwt tegen twee oudere vrouwen, die aan een stuk metaal trekken.
'Je moet begrijpen dat ik hier al acht jaar zit’, legt Vova uit. 'Ik heb hard gewerkt om zo hoog te komen. Iedereen kent me en de inkopers weten dat ze bij mij moeten zijn, want ik heb alles: staal, koper, buizen. Noem het en ik heb het.’
Vova heeft de wind eronder bij het vuilnisvolk, maar ook de tractorbestuurders hebben ontzag voor hem. Omdat zij het pas gestorte vuil moeten platwalsen, hebben ze als eerste zicht op de kostbaarheden die zich tussen het afval bevinden. Vova: 'Maar dan moeten ze toch met mij onderhandelen, en dat gaat goed. Wederzijds respect voor elkaars werk, dat is het.’
Jevgenij en Alla hebben geen goed woord over voor Vova. 'Hij komt net als ik uit het kamp, zonder papieren’, zegt Jevgenij. 'Maar hij heeft lef, en een pistool. De beveiliging is op zijn hand, en de tractorbestuurders. Wij woonden vroeger ook op de berg, maar we werden op een dag gewoon door een tractor weggeschept. Dat had Vova zo besloten. Sindsdien wonen we hier beneden.’
Alla vist een notitieboekje uit een tas. 'Net gevonden, nog helemaal nieuw. Als je iets vindt, moet je het zo snel mogelijk verbergen, voordat iemand het ziet, anders pakken ze het af. Het is altijd haasten. En er reizen steeds meer mensen uit de stad op en neer, want het paddestoelenseizoen is over. De mensen die in de zomer en de herfst bijverdienen met bessen plukken en paddestoelen zoeken, hebben nu niets meer te doen en komen hierheen.’
Naar schatting wonen er zo'n honderdvijftig mensen op de vuilstortplaatsen van Sint-Petersburg, maar exacte aantallen zijn niet te noemen omdat de meeste bewoners niet geregistreerd zijn in de gemeenteregisters en geen paspoort hebben. Het officiële standpunt van de gemeente luidt dat het verboden is op de vuilstortplaatsen rond te snuffelen, zo stelt Igor Klimenko, hoofd van de gemeentelijke reinigingsdienst. En wat het vuilnisvolk betreft: 'Het gemeentebestuur onttrekt zich niet aan zijn verantwoordelijkheid en neemt maatregelen om de problemen op te lossen van de minderbedeelden en de sociaal onbeschermde lagen van de bevolking.’
CAPTAIN JOSEPH SMITH van het Leger des Heils in Sint-Petersburg denkt dat het wel meevalt met die verantwoordelijkheid. 'Er is een crisis, en er moeten keuzen gemaakt worden. Veel daklozen hebben in de gevangenis gezeten. De autoriteiten willen liever niets met hen te maken hebben.
Elk jaar komen er duizenden ex-gevangenen op straat te staan omdat ze geen papieren meer hebben en nergens meer welkom zijn. Als je niet ingeschreven staat, krijg je nergens een voet aan de grond. En als je dan nog een paria bent, zoals een ex-gedetineerde of een hiv-geïnfecteerde, dan hoef je nergens meer op te rekenen. Ik ken aidspatiënten wier appartement in brand is gestoken omdat de buren bang voor ze waren en van ze af wilden. Die mensen kwamen op straat te staan.’ Smith werkt sinds 1995 als coördinator van sociale projecten in de Noord-Russische regio voor het Leger des Heils dat zich nu opmaakt voor de winter. 'We hebben op dit moment twintig verschillende projecten lopen in de stad, maar de hoofdzaak is nu de voorbereiding voor de winter. Eind november hopen we het aantal slaapplaatsen te hebben verdubbeld, maar het blijkt altijd te weinig.’
JEVGENIJ EN ALLA zijn niet bang voor de winter.
'We hebben wel erger meegemaakt’, zegt Alla. 'Vorige winter, toen woonde er hier een gek in het bos verderop. Die kwam op een nacht en die stak onze hut in de fik. Nou, die plastic platen, dat wilde wel branden, we zijn als gekken naar buiten gesprongen, en we hebben de hele nacht om een houtvuur gezeten. Het vroor toen zo'n twintig graden.’
Jevgenij schudt zijn hoofd.
'Ik kan je zeggen dat als wij, alle bewoners van de vuilnisbelt, die man gevonden zouden hebben, dat we hem dan meteen op dat vuur gegooid hadden. Wij hebben zo onze eigen regels, en geen haan kraait naar wat er hier gebeurt. Want we hebben geen paspoort.
We hebben niets.
We bestaan eigenlijk niet.’