Interview: Willy Lindwer

«Het walgelijke gedrag van de Nederlanders kan niet vaak genoeg vermeld worden»

De NCRV knipte in zijn documentaire ‹Holland, vaarwel!› (deze week op televisie), tegen zijn wil. Cineast, Emmy-winnaar en schrijver Willy Lindwer, die graaft in het duistere verleden van Nederland, is woedend. «Het is anno 2004 niet meer nodig antisemieten in bescherming te nemen. Juist met dat fragment houd ik Nederland een spiegel voor.»

De NCRV heeft geknipt in zijn documentaire Holland, vaarwel! Geschrapt is een interview met een oud-agent die werkte ten tijde van de Duitse bezetting, nadat er met een rechtszaak werd gedreigd. Die censuur maakte veel emoties los. Een Israëlische krant kopte met: «Anne Frank: een vijgeblad», mensen van verschillende geloofsovertuigingen protesteerden bij de NCRV en tijdens de uitzending van Barend & Van Dorp waar Lindwer te gast was (donderdag 22 april) verweet Jan Mulder hem lafheid, omdat hij blijkbaar toestond dat de NCRV censureerde.

Willy Lindwer: «Dat het fragment uit mijn documentaire verwijderd is, is niet mijn wil. En ik leg me er niet bij neer. Vooral daarom was het optreden van Jan Mulder dom en ongenuanceerd. Het was een misplaatste provocatie.»

Een dag later werd Lindwer platgebeld door sympathisanten en journalisten. In de uitzending werd ook het weggelaten fragment getoond, door de B&VD-redactie gekopieerd van de Israëlische televisie. De oud-agent spreekt daarin zijn sympathie uit voor zijn toenmalige baas, korpschef Philip Blank. Een NSB’er, onder wiens leiding drieduizend Groningse joden zijn opgepakt en weg gevoerd. De agent noemt de twintig jaar celstraf die Blank na de oorlog kreeg onverdiend. Zijn vrouw voegt daar de waarschuwende woorden van haar moeder aan toe: «Vijf minuten na het einde van de oorlog, en de eerste jood heeft je al weer belazerd.»

Lindwer: «De reactie van de agent en zijn vrouw is geen uniek voorbeeld van het huidige denkbeeld van sommige Nederlanders. Het laat de totale onverschilligheid van het Nederlandse ambtenarenapparaat helder zien, en de denkwijze die in de oorlog de vernietigende slag was voor de joden. Die mentaliteit is de essentie van de Nederlandse medeplichtigheid aan de holocaust. Dat die mentaliteit er anno 2004 nog steeds is, geeft mij een kotsgevoel. Nog erger is het dat daarna je eigen opdrachtgever juist die familie in bescherming neemt en niet wil erkennen dat het algemeen belang vereist dat het fragment wordt getoond. Blijkbaar is het nog steeds een probleem om de waarheid onder ogen te komen. Dan denk ik: het lijkt wel of de oorlogsjaren weer terug zijn.»

Willy Lindwer, geboren in 1946 te Amsterdam, is een bevrijdingskind van joodse ouders die in Varsseveld ondergedoken waren. Lindwers ouders waren al uit de Oekraïne weggevlucht voor jodenhaat en dachten in Amsterdam een veilig onderkomen te vinden.

Willy Lindwer: «Na de oorlog waren ze alles kwijt. Niets hebben ze teruggekregen. In dat gezin, met dat besef, ben ik opgegroeid. Te midden van de restanten van de oude joodse buurt in Amsterdam. Uit de eerste hand ervoer ik de verslagenheid en verbitterdheid van de joodse gemeenschap, die er onder meer toe leidden dat mijn ouders geen gelukkig leven meer konden hebben, samen. Op mijn joodse basisschool kreeg ik te maken met leerkrachten die de kampen hadden overleefd. Natuurlijk heb ik altijd te horen gekregen dat meer Nederlanders de handen uit hadden moeten steken. Bij ons om de hoek is vlak na de bevrijding een dankbaarheids monument neergezet. Uit naam van de joodse gemeenschap, als dank aan de niet-joodse Nederlanders voor hun hulp tijdens de bezettingsjaren. Mijn ouders hebben zich daar bijzonder aan geërgerd. Alle mensen bij wie ze ondergedoken hadden, waren ze uiteraard onbeschrijflijk dankbaar. Aan hen dankten zij hun leven. Maar niet aan het gros van de Nederlandse bevolking, dat geen poot uitstak en de andere kant op keek.

Het georganiseerde verzet heeft helemaal niets voor de joden gedaan. Zelfs de koningin heeft niet één keer opgeroepen tot massale hulp aan de joodse gemeenschap. Vijftig jaar geleden dachten we: die mensen treft geen blaam. Nu denken we daar anders over. Je kunt niet schuilen onder het motto: ‹We deden onze plicht›.»

De rode draad in Lindwers werk is zijn wrok ten opzichte van de Nederlandse houding in oorlogstijd. Teneinde het rooskleurige beeld van Nederland bij te stellen, graaft hij in het verleden en wordt constant geconfronteerd met onvoorstelbaar leed en nieuwe, sluitende argumenten voor zijn verwijten.

Tot welk nut?

Lindwer: «Ik hou mij niet bezig met mijn eigen psychologie, maar ik heb wel een zeker engagement met mijn onderwerp. Nederland moet wéten en ik kan vertellen. Zo heb ik ook aan Israël laten zien dat het beeld van Nederland altijd te positief is geweest. Ook het beeld van ná de oorlog. Na de oorlog waren de joden alles kwijt. Dat leed werd verergerd door mensen als Gesina van der Molen, van de Trouw-groep. Onder haar leiding probeerde de oorlogspleegkinderencommissie tweeduizend joodse weeskinderen te ‹ontjoodsen› door ze bij christelijke pleeggezinnen onder te brengen. Zij hebben daarmee geen joden gered, maar zieltjes gewonnen voor het christendom. Ik kan daar niets positiefs aan toeschrijven. Had die kinderen dan naar de vernietiging laten gaan, als het alleen maar te doen was om er christenen van te maken. Het walgelijke gedrag van de Nederlanders kan niet vaak genoeg vermeld worden. Daarom moet het voetstuk van de goede uitzonderingen die er waren alleen maar groter. Maar het grootste deel van de bevolking, zelfs mensen zoals Gesina van der Molen, moet aan de hoogste paal genageld worden.»

Een journalist heeft eens de conclusie getrokken dat Lindwer lijdt aan een «tweede-generatiesyndroom», dat zich in zijn geval juist heeft ontwikkeld door een óvervloed aan informatie over de oorlog. Het «engagement» waar Lindwer het over heeft is de volledige verdiscontering van het jodendom in alle facetten van zijn leven. Die betrokkenheid gaat zo ver dat de joodse identiteit de enige identiteit is die hij bewust kan laten zien.

Willy Lindwer: «Ik ben een Wandelende Jood. Na de diaspora kwam mijn voorfamilie uiteindelijk in Lindau terecht. Maar ook daarvandaan moesten zij vluchten. Naar Polen en de Oekraïne, waar mijn ouders vandaan komen. Ik kan dus niet zeggen dat ik hetzelfde ‹kind van de bevrijding› ben als ieder ander kind van de naoorlogse geboortegolf. Ik maak deel uit van een lange, complexe geschiedenis. Daarom vond ik het van wezenlijk belang dat ik het jodendom continueerde. Ik heb heel bewust voor een joodse vrouw gekozen, om joodse kinderen te krijgen, die ik ook de joodse identiteit heb bijgebracht. En twaalf jaar geleden kocht ik een huis in Jeruzalem. Mijn dochter is ook naar Israël verhuisd en is daar getrouwd. Een van de belangrijkste momenten in mijn leven was de geboorte van haar zoon, maart vorig jaar. De eerste telg van de familie, die na eeuwenlange omzwervingen geboren en besneden is in Jeruzalem. Hij kan het leven daar oppakken zoals wij het tweeduizend jaar geleden hebben laten liggen.»

Als gevolg van het feit dat zijn joodse identiteit zo bepalend is voor Lindwers persoonlijkheid beschouwt hij elke uiting van antisemitisme als een directe aanval op zijn persoon: «Ik onderscheid twee soorten antisemitisme. Het eerste is het oude antisemitisme, het kerkelijke antisemitisme. De tweede vorm is het nieuwe antisemitisme. Het is de haat voor de ‹nieuwe jood›, voor Israël, en de vermeende onderdrukking van de Palestijnen. Nieuwe vooroordelen gaan over de joden die achter Bush zitten en joden die nog altijd het kapitalisme in de wereld beheersen. De oude vooroordelen worden nu gebruikt om de nieuwe te versterken. Dat zie je bij de Marokkaanse jongeren die met hakenkruizen op de Dam gaan staan, dat zie je in hun vergelijkingen van Sharon met Hitler. Ze weten niet eens wat jood-zijn betekent.

Joden zitten aan de bron van elk kwaad. Dat vooroordeel klinkt helder door in de uitlatingen van de oud-agent en zijn vrouw. En als ik nu constateer dat dat óók de boodschap is van die Marokkaanse jongeren, zeg ik zonder schroom: er is niets geleerd.

Mijn eerste aanvaring met jodenhaat had ik toen ik ongeveer tien jaar was op mijn niet-joodse school. Diezelfde school was gelukkig ook de bron van een boel vriendschappen met niet-joden. Mijn verdere niet-joodse scholing heeft mij gevormd tot wereldmens. Ik ben geen naar binnen gekeerde, orthodoxe jood: ik leef me ook in in andere zienswijzen. Tot mijn beste vrienden in de oude stad van Jeruzalem behoren christenen en moslims.»

De telefoon gaat. Henk van Dorp. Hij poogt de gemoederen wat te sussen tussen Lindwer en Jan Mulder. Het heeft niet helemaal het gewenste effect. Na het telefoon gesprek zegt Willy Lindwer: «Jan Mulder wordt als helemaal koosjer beschouwd door Barend en Van Dorp. Ik heb zijn uitlatingen nochtans als zeer storend ervaren. Ik verwijt hem twee dingen. Hij heeft mijn films niet gezien, en dat getuigt van geen enkel respect voor mij als filmer. Ten tweede durfde hij te beweren dat de joden zichzelf afzonderden. ‹Zij vonden zichzelf apart›, heeft hij gezegd. Met als enige referentie zijn ‹vanzelfsprekend› integere moeder. Een walgelijke omdraaiing van de feiten! Zo lijkt het alsof de joden zelf verantwoordelijk waren voor hun afzondering.

Ik ben helemaal niet laf. Het is alleen niet mijn stijl om meteen met een vuist op tafel te slaan. Dat moet een ander niet laf noemen. Ik kan moeilijk bij de NCRV naar binnen stormen en roepen: hier heb je de tienduizenden euro’s productiegeld terug. Als iemand dat dan laf noemt, vind ik dat nogal een beschuldiging. Zeker omdat Mulder míj beschuldigt van iets dat ík juist rechtzet. Dat stuk zit namelijk in míjn film, en is door de NCRV weggehaald. De NCRV is bang, niet ik. Als de NCRV opdracht geeft voor een confronterende film moeten ze niet zwichten voor de eerste de beste brief van een advocaat. Het is anno 2004 niet meer nodig antisemieten in bescherming te nemen. Juist met dat fragment houd ik Nederland een spiegel voor.»