Het Migrantenmuseum

Het wandtapijt

Nachtegalen zingen op het wandtapijt. De zwarte slaven staan in neerbuigende houding op nieuwe bevelen van de dames te wachten, overal rozen, de mollige, zeer vruchtbare concubines zitten koffie en thee te drinken en een zigeuner speelt op zijn luit. Het heeft jaren geduurd voordat Kemal het wandtapijt kon aanschaffen voor zijn vrouw. Zijn vrouw hing het aan de muur van hun huis en vertelde het bezoek trots dat haar man weliswaar ver weg was, maar erg trouw was aan zijn gezin. Het tapijt aan de muur was het bewijs dat ze geld kregen van hem. Hoeveel mensen konden zich een dergelijk wandtapijt veroorloven van het beste katoen. Was de verf van het tapijt niet de beste kwaliteit, zag de afbeelding van de harem op het tapijt er niet verbazingwekkend echt uit? Kemal hield van zijn gezin, want had hij niet het duurste tapijt gekocht voor zijn gezin?
‘Van wie heb je het meest gehouden?’
‘Van mijn moeder.’
‘Schaam je je voor wat je hebt gedaan?’
‘Ja, ontzettend. Mag ik nu het tapijt terug?’
‘Natuurlijk niet. Het tapijt is nu van het Migrantenmuseum. Het siert nu onze muur en we zijn er trots op. En nu ophoepelen jij. Hufter!’
Niet dat ik een stoere bink ben, beste museumbezoeker, maar als hoofd van het museum kan ik niet anders dan af en toe dit spelletje spelen. Had ik het niet gedaan, dan werd het wandtapijt niet vertoond.
Toen het gezin na liefst twaalf jaar herenigd was, bleek snel dat migratie een deuk had geslagen in het gezin. Ze waren vervreemd van elkaar. De moeder hing haar oogappel ook in het huisje in het vlakke land aan de muur van de woonkamer en hoopte dat het wandtapijt het gezin zou herenigen.
De jaren verstreken, de kinderen werden groot, de twee oudste zonen trouwden en gingen weg, de dochter overleed bij een auto-ongeluk, vader en moeder keerden terug naar hun moederland. Uiteindelijk bleef de jongste zoon in het huis wonen met het tapijt.
Deze jongste zoon studeerde aan de universiteit, wilde zijn eigen vrienden en vriendinnen ontvangen en was opgelucht toen hij alleen achterbleef in het huis.
‘Kom je niet aan het tapijt?’
‘Nee, mama, natuurlijk niet. Ik zal altijd aan jullie denken als ik ernaar kijk.’
Het bankstel en de stoelen deed hij weg, hij zette een boekenkast in de woonkamer, hij kocht kleine souvenirtjes, de foto van Mekka aan de wand zette hij tussen het vuilnis, hij hing een grote poster van Bob Dylan op… Uiteindelijk was er nog één ding in het huis dat hem herinnerde aan de oosterse smaak van zijn mama: het tapijt aan de wand.
Zo’n twintig jaar geleden sprak ik hem in Albert Heijn. Hij vertelde hoe mooi zijn huis wel niet geworden was. Ik mocht bier komen drinken. Eenmaal bij hem thuis zag ik de enorme plek aan de muur die niet vergeeld was door de zon. ‘Waar is het tapijt? Geef het alsjeblieft aan mij. Straks raakt het zoek.’ Met deze woorden overtuigde ik hem.
Twintig jaar later, na sluitingstijd, bij de ingang van het museum: ‘Geef me het tapijt terug. Het is het waardevolste ding dat ik van mijn moeder kreeg.’
‘Ik zei dat je kon ophoepelen. Je had het toen maar niet moeten geven.’
‘Ik was jong en dacht dat er nog één obstakel was tussen mij en mijn Nederlandse leven. Als het oosterse tapijt van mijn moeder weg was, dan had mijn gespleten ziel eindelijk rust, heb ik gedacht.’
‘Heb je geen rust dan, nog steeds niet?’
‘Nee, natuurlijk niet. Mijn ziel is zoek. Als ik het tapijt terugkrijg en ik het aan de wand heb gehangen, heb ik misschien een identiteit.’
‘Jij krijgt niets van mij, jij idioot. Ik zei dat je kunt opdonderen. Wat doe je nog hier?’
Toen werd het mes getrokken en rolden de woorden uit zijn mond die op de bek van een dolle hond leek: ‘Jij gunt mij dus geen rust. Maar ik jou wel. Ik zal je met mijn mes naar een heel rustige plek sturen.’
Al rennend probeerde ik me te herinneren welke nummers het nou waren. 122, 112 of 121… In een panieksituatie schieten de juiste nummers echt niet te binnen, beste museumbezoeker.