Film: Cosmopolis

Het wapen als ziekte

Wanneer Eric Packer (Robert Pattinson), hoofdpersonage in Cosmopolis, zijn dagelijkse medische onderzoek ondergaat rijdend in een limousine door de straten van New York ontdekt de arts een raar plekje op zijn rug.

Medium film cosmopolis

Wat doen we? wil de whizzkid weten, eigenaar van een bedrijf dat ooit een start-upje was, maar inmiddels is uitgegroeid tot een multinational. Het antwoord van de dokter: ‘Let it express itself.’

Eric: ‘What. Do nothing?’

Arts: ‘Let it express itself.’

Bij het zien van deze scène uit de nieuwe film van David Cronenberg dacht ik: de meester is terug, maker van Rabid (1977), The Brood (1979) en vooral Dead Ringers (1988), films waarin de grenzen van het betamelijke worden overschreden door verhalen over infectie, mutatie en ziekte. Na deze door de existentiële filosofie gedreven films richtte Cronenberg zich op een meer conventionele cinema: de gangsterfilm Eastern Promises (2007) en recent A Dangerous Method (2012), over Freud en Jung. Deze werken zijn uitstekend, briljant zelfs. Maar toch: ze missen de energie van die eerste films, gemaakt in een tijdperk waarin body horror nog slechts een concept was.

En nu dan: dat plekje op de rug van Packer. En de arts die hem adviseert vooral niets te doen, zodat ‘het’ zich kan ontwikkelen. Dat klinkt typisch Cronenberg, de wetenschapper-cineast die in Chris Rodley’s Cronenberg on Cronenberg (1992) het bestaan van virussen analyseert: ‘Een virus doet alleen z’n werk, het probeert gewoon te leven (…) Voor een virus is het iets positiefs wanneer het erin slaagt het lichaam over te nemen. Het is een triomf.’

Het zijn woorden die zouden passen in Cosmopolis waarin de arts bewonderend voorstelt dat Eric dat plekje op zijn rug met rust moet laten, zodat ‘het’ tot zelfexpressie kan komen. Het vreemde is dat deze tekst niet van Cronenberg is, maar uit het bronmateriaal komt: de gelijknamige roman van Don DeLillo uit 2003. Doordat Cronenberg juist deze roman nu heeft verfilmd is de cirkel rond. Ze lijken gemaakt voor elkaar, boek en film. Of andersom.

In Cosmopolis rijdt Packer aan het begin van het nieuwe millennium een dag lang op Manhattan in zijn limousine rond, onderweg naar de kapper. Veel straten zijn afgezet; elders in de stad is de Amerikaanse president op bezoek. Tijdens de rit blijkt dat Packer op het punt staat miljarden te verliezen door een verkeerde investering. Tevens maakt hij zich zorgen over de veiligheid van zijn computersystemen. Bijna tussen de bedrijven door heeft Packer seks met verschillende vrouwen, soms in de limousine.

Dan blijkt dat iemand het op Packer gemunt heeft: de gek Benno Levin gespeeld door Paul Giamatti. Om zich te verdedigen heeft Packer een revolver bij zich. Eerder in de film laat een bodyguard zijn pistool aan Packer zien: een supermodern ding dat het slechts door stemherkenning doet. Je moet dus tegen het wapen praten. Ook dát is typisch Cronenberg, met echo’s van het wapen gemaakt van bot in eXistenZ (1999) of het pistool dat James Woods uit zijn eigen buik haalt in Videodrome (1983). Het wapen als ziekteverschijnsel, misschien, als manifestatie van een virus of een bacterie.

Cosmopolis is de beste Cronenberg sinds 1999, ook al waren recente reacties op het festival van Cannes gemengd. Niet onbegrijpelijk. Het gaat immers om een romanverfilming waarin het motief van virus, infectie en ziekte vrij letterlijk als kritiek op het kapitalistische systeem fungeert. Dat kan veeleisend zijn; de lange dialoogscènes hebben een ondertoon van dreiging en absurdisme, bijna als in een toneelstuk van Harold Pinter. En toch, Cosmopolis ís Cronenberg, ook in deze door DeLillo geschreven vorm: ‘Let it express itself. Eric liked the sound of that. It was not unevocative.’

Te zien vanaf 7 juni