Het ware ik

‘JIJ ZIET ALTIJD alleen maar jezelf’, krijgt de ik-figuur in de nieuwe roman van Adriaan van Dis te horen van zijn beste en oudste vriend Werner. Een grappig verwijt, omdat het probleem van de ik-figuur nu juist is dat hij niet weet wie hijzelf is. Hij ziet altijd zichzelf, omdat zijn grenzen zo diffuus zijn. Ieder boek, iedere film gaat over hem. Zijn betrekkingswaan is nog extremer dan die van de gemiddelde zoekende adolescent, omdat hij er zelfs niet zeker van is tot welke kunne hij behoort. Hij spiegelt zich even graag aan hoogstaande homo’s als aan hysterische vrouwen. Hij is bezeten van het verlangen naar schoonheid, zachtheid en trouw, maar voelt ook de zelfkant in zich jeuken. ‘Bij die in het donker hoorde ik thuis.’

Dubbelliefde verhaalt over ambivalente verlangens en levert ook een ambivalente leeservaring op. De tweestrijd tussen man en vrouw, acteren en schrijven, homo en hetero, dromen en doen, eten en lijnen, fatsoen en onfatsoen, schoonheid en verdorvenheid wordt aannemelijk onder woorden gebracht, maar toch ook weer niet. ‘Ik hou van twee in één’ is een van de puntig geformuleerde zelfbespiegelingen van het ik-personage. Een van de vele. Voor een personage dat zo door en door gearticuleerd is, dat alle manieren van zelfmoord plegen keurig met de voor- en nadelen in kaart kan brengen, dat lelijkheid haat en Amsterdam-Zuid verfoeit, behoudt het verkeren aan de nachtzijde van het bestaan iets van een pose. Gezocht, in plaats van gedoemd.
Tegelijkertijd is Dubbelliefde in vergelijking met Van Dis’ vorige roman, Indische duinen (1994), oneindig veel waarachtiger en daarmee spannender. In Indische duinen brak de nimmer stokkende welsprekendheid van de verteller mij enigszins op. Een mooi boek, maar ook een beetje té mooi. Te glad om te kunnen beroeren. Misschien hoorde ik de geaffecteerde spraak van de auteur te zeer doorklinken in zijn werk. Ook in Dubbelliefde is die duidelijk hoorbaar; het ene stilistische paradepaardje na het andere dartelt over de bladzijden. Maar hier valt het bekakte toontje op zijn plaats. Gebukt gaande onder de 'grindpadbeschaving’ van 'Halfstad’ waar de jongen opgroeit, in een mindere buurt en zonder hockeyklem op de fiets, meet hij zichzelf het schild aan van de buitenstaander: zwierige kleding en een dito spraakje. Daaronder gist en broeit het. De lage lusten en hoge kunsten vechten beurtelings om voorrang.
OM MET DE lage lusten te beginnen: ik heb veel gelachen tijdens het lezen van Dubbelliefde. Van Dis schrijft erg grappig over al het verschrikkelijks dat zich in den vleze tussen mensen - lees: mannen - kan voltrekken. Het verhaal van de ontmaagding is daarvan een prachtig voorbeeld. In het satijnen onderbroekje van zijn zus vertrekt de door Baudelaire en Rilke opgegeilde jongen naar de grote stad om eindelijk het echte leven te proeven. Een gouden kettinkje op zijn blote borst, verborgen onder trui of overhemd, wordt zijn talisman ('er tikte een vriend tussen mijn tepels’). Dat hij homo is weet hij helemaal zeker sinds de vader van een schoolvriendje hem aan een test heeft onderworpen. ('Kijk je wel eens naar een paar mooie benen?’ 'Nee, nooit, nee. Ik heb geleerd dat je mensen aan moet kijken.’) Doelbewust zet hij koers richting het café van Bet van Beeren in de Nieuwmarktbuurt, hét adres voor de man die een man zoekt. Vele, vele pilsjes later loopt hij op straat en voelt een heup tegen zijn heup schuren. Wat in het café nog een beschaafd type leek, ontpopt zich in bed als een beest. De volgende ochtend wordt hij andermaal gegrepen. 'Eén voet uit bed en hij greep me bij mijn middel - weer die tanden in mijn nek, dat kloppende houweel in mijn rug, die graafhanden waarvan er een mijn pik kneedde en de ander naar sigaretten zocht.’ Op de haastige aftocht naar huis wordt hij achtervolgd door een zwerver die hem met een fles bedreigt. Bloedend keert de jongen huiswaarts, waar de ontzetting van zijn moeder en de toorn van zijn zus ('Mijn slipje!’) hem wachten.
In vergelijking met wat hem allemaal nog aan vunzigheden wacht, is de ontmaagding een kinderpartijtje. Eerst is er de verwarring: hoe valt dit smerigs te rijmen met de schoonheid van de grote poëzie, toch ook voortgebracht door homo’s? Al gauw echter is ook de beer in hem los en raken de hoge kunsten op de achtergrond. Zijn toneelambities komen ten val op de toneelschool. De vervreemdingsdictatuur van de jaren zeventig vloekt met zijn voorkeur voor het grote theatrale gebaar. Dan maar de neerlandistiek, om dicht bij de schone letteren te zijn. Maar ook hier is hij een alien, een burgerlijke romanticus te midden van de hardcore-communisten. In een linkser bolwerk dan het Instituut voor Neerlandistiek had hij niet terecht kunnen komen. Hij speelt zijn buitenstaandersrol echter met verve, gehuld in de lange jas van zijn vader en paarsfluwelen broek.
De hemelbestormende jaren zeventig vormen voor Van Dis een dankbaar decor om zijn personage doorheen te laten wandelen. De eindeloze vergaderingen van splintergroeperingen, het hennahaar, de bomaanslagen op de foute reisbureaus en de duidelijke opvattingen over wat er wel en wat er niet deugt ('Hij wist niet wat viezer was: de stront van je pik wassen of de woorden “deugen” en “in feite” uit je pen laten vloeien’). Kijkend naar de poster van Marx tegen de schrootjeswand, is de voornaamste vraag die in hem opkomt of je met zo'n baard wel lekker lang kon zoenen. Was hartstocht immers niet belangrijker dan theorie? Zijn particuliere hartstochten viert hij bot in de nachtelijke uren. Altijd is er de verleiding van de donkere steeg ('Kon ik nog nee zeggen?’), de hoeren ('Hoeren gaan nooit dicht’) en de automatiek ('De kroket smaakte naar kut’). Bij de mannen mist hij de zachtheid, de kusjes en de cadeautjes ('Niets aan een man leek op een roos, hoe zijn roze poepgat ook klopte’), bij lieve meisjes slaat de benauwdheid acuut toe ('Voor je het wist lag je hemd bij hen in het sop te weken’).
Aan de ene kant leest Dubbelliefde als een schelmenroman, vrolijk en anekdotisch, alles gesteld in helder Hollands. Aan de andere kant is het een donkere, compact vertelde geschiedenis die noodt tot lezen en herlezen, al was het maar om te zien waar en waarom het 'ik’-perspectief op bepaalde momenten plaatsmaakt voor een 'hij’-verteller. Van Dis laat zijn romanfiguur dalen en klimmen, bijten en gebeten worden, om hem uiteindelijk tot een bevrijdend inzicht te doen komen. Hij komt erachter wie hij is en wat hij wil. Het bereiken van zo'n inzicht maakt van Dubbelliefde een kwetsbaar boek. Af gaat het masker, weg de schmink; de ironische distantie maakt plaats voor pijnlijke precisie naarmate het einde nadert. Op het toppunt van zijn wilde leven keert de ik-figuur terug naar het begin van alles. Terug naar de vader, Paardman, het echte monster van de familie, dat in de ogen moet worden gezien om definitief de rug toegekeerd te kunnen worden.
Maar zelfs de kwetsbaarheid is dubbelzinnig. In de epiloog, een dialoog tussen vriend Werner en de ik, jaren later, wordt een streep onder het verleden gezet. De ik-figuur put zich uit in verklaringen en redeneringen, waarom hij toen zo was en nu heel anders. Ik ben weer fatsoenlijk, hoor, lijkt plotsklaps de boodschap. Vriendschap is belangrijker dan seks, en zichzelf verliezen zal hij voortaan doen op papier in plaats van op de hoeren.
'Jij blaast de dingen altijd zo op’, gooit Werner hem voor de voeten. 'Ik maak ze juist klein’, verdedigt hij zichzelf. Op papier wordt de wereld bedwongen en alles in verhaalvorm gegoten. Schrijvers ware ik heeft de veiligste en warmste jas gevonden die er bestaat: die van de fictie.