Dit artikel is onderdeel van Het Groene Lab.

Het Groene Lab is de kweekvijver van De Groene en publiceert verhalen en essays van jong talent. Iets insturen? Mail ons via lab@groene.nl.

Het ware leven

Het werk van de hier vergeten Franse denker Michel Henry vertelt wat er met onze schermverslaving verloren dreigt te gaan.

Nu we zo veel mogelijk thuis moeten blijven om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, staren we nog meer naar schermpjes dan we al deden. Zo moest Netflix de streamingkwaliteit naar beneden brengen om te voorkomen dat het netwerk overbelast zou raken en zitten we bij de live persconferenties van Mark Rutte, vakkundig voor- en nabeschouwd door experts als ware het een oefeninterland van het Nederlandse elftal, met 7,5 miljoen man aan de buis gekluisterd. Ook ik ontvang, zoals zovelen, iedere maandag een bericht op mijn telefoon waarin mij gemeld wordt dat mijn schermtijd van de afgelopen week wederom met tientallen procenten is toegenomen.

Dit alles is begrijpelijk, en het arsenaal aan gemeenplaatsen dat er op losgelaten kan worden is bekend én waar: sociale media geven een vertekend beeld van het leven (we zien slechts de zorgvuldig gekozen succesmomenten), nieuwsmedia geven een vertekend beeld van de wereld (omdat ‘nieuws’ zich naar zijn aard richt op wat afwijkt van de norm) en het kijken naar schermpjes is slecht voor je ogen (hoewel je er niet echt vierkante ogen van krijgt). Toch staren en scrollen we onszelf gedachteloos de dag door.

Kritiek die minder bekend is, is die van de Franse filosoof en romanschrijver Michel Henry (1922-2002). In La barbarie uit 1987 (helaas nog niet vertaald in het Nederlands) betoogt hij dat de moderne wereld, de wereld van de objectiverende wetenschap en de techniek, in barbarij vervalt doordat zij in deze objectivering de subjectiviteit en daarmee het leven ontkent.

Dit doet wellicht enigszins denken aan de thesis die Adorno en Horkheimer verdedigen in De dialectiek van de Verlichting (1944), maar de aanloop van Henry hier naartoe wijkt af vanwege de fenomenologische filosofie die aan deze cultuurkritiek ten grondslag lag. Wat is deze filosofie? Wat was het leven volgens Henry? Waarom zag hij zo’n bedreiging voor dit leven in live nieuwsuitzendingen op televisie? En waarom is deze kritiek vandaag de dag nog relevant?

Hoewel Michel Henry niet zo bekend is in Nederland – hij heeft niet eens een eigen Wikipedia-pagina – en zeker niet zo veel wordt gelezen als de existentialisten Beauvoir, Camus en Sartre of latere denkers als Derrida en Foucault, was zijn filosofie radicaal, origineel en buitengewoon interessant. Net als Derrida filosofeerde Henry door teksten te interpreteren. Dit deed hij niet alleen met filosofische teksten, maar ook door teksten uit de kunst en de religie te bespreken. Dat laatste gebeurt in Woorden van Christus, het enige boek van hem dat naar het Nederlands is vertaald.

Henry stond in de traditie van de fenomenologie. De grondlegger van deze wijsgerige stroming is Edmund Husserl (1859-1938). Volgens Husserl waren de exacte wetenschappen in hun doorgeslagen objectiveringen en berekeningen het contact met de wereld verloren. Hij stelde zichzelf ten doel om de wetenschappelijke conceptuele benadering weer te verbinden met de wereld door deze te gronden in de ervaring, die de grond dient te zijn van waaruit we tot ware kennis komen. De fenomenologische methode gaat er dus vanuit dat we de dingen kunnen kennen zoals ze zich aandienen – of beter: we kunnen de wijze waarop ze verschijnen kennen.

Henry was hier sterk door geïnspireerd, maar ging nog een stap verder. Waar Husserl zei dat we ons moeten richten op hoe de dingen aan ons verschijnen, richtte Henry zich op het verschijnen van het verschijnen zelf. Het westerse denken begrijpt kennis altijd als kennis van iets, van dingen, maar volgens Henry is er een kennis die aan die vorm van kennis voorafgaat en dat is volgens hem de kennis van leven.

Het voorbeeld dat Henry in La barbarie geeft om dit uit te leggen, is dat van de biologiestudent die in de universiteitsbibliotheek aan het studeren is. Alles wat zij leest over genetische codes, de theorieën, de concepten, zijn vormen van wetenschappelijke kennis. De kennis waarmee haar handen de bladzijdes omslaan, waarmee haar ogen over de zinnen gaan en waarmee zij water drinkt wanneer zij dorst heeft, is kennis van leven, waarzonder het überhaupt onmogelijk was om het boek over genetische codes te lezen en tot wetenschappelijke kennis te komen.

Bovendien onderscheiden deze twee vormen van kennis zich doordat wetenschappelijke kennis objectieve kennis is, in die zin dat het kennis van een object, van iets, is, terwijl kennis van leven dat niet is. Kennis van leven gaat niet over iets buiten het leven zelf maar is kennis van zichzelf, die aan zichzelf, het leven, verschijnt (in de ervaring). Er is voor Henry dus niet eerst een mens waarvan we kunnen zeggen dat zij of hij leeft, nee: het leven is het verschijnen van leven aan zichzelf. Het leven is ‘zelfopenbaring’. Dit vormt het kernpunt van zijn filosofie en van zijn kritiek op de moderniteit, waarin voortdurend geprobeerd wordt het leven te ontkennen.

Volgens Henry is wat we zien gebeuren in het wetenschappelijke wereldbeeld van de moderne wereld te verklaren als een vlucht van het leven zelf. De vluchtpoging van de wetenschap zit hem in het geloof dat dit de enige mogelijke kennis is en dat er geen andere realiteit is dan die van de natuurwetenschappen. Op dit punt is de wetenschap een ideologie geworden en als sciëntistische en positivistische ideologie begrijpt zij de wereld enkel nog als wetenschappelijke wereld. Andere vormen van cultuur worden hiermee tot surplus gemaakt, tot een vorm van luxe – denk hierbij aan de manier waarop de kunsten in het Nederlandse politieke discours geframed worden als ‘(linkse) elitaire hobby’. Dit terwijl de kunst, volgens Henry, alsook de religie, veel beter lijkt te begrijpen wat het leven eigenlijk is.

Onder cultuur verstond Henry de ondernemingen en praktijken waarin het ‘teveel’ aan leven uitdrukking krijgt. Henry spreekt hierbij over een kracht; een energie. Cultuur is de bevrijding van die energie en de verschillende vormen van cultuur zijn verschillende vormen van deze bevrijding. Elke constructie die we bouwen, zo geeft Henry als voorbeeld, is een uitdrukking van een fundamenteel verlangen naar een schuilplaats. Steden zijn in die zin een uitdrukking van het leven dat zichzelf wil doordat zij de mogelijkheid scheppen om meer te kunnen ervaren.

Het leven ‘wil’ zichzelf dus. Deze beweging vormt een kracht. Uitdrukking geven aan deze kracht is wat we cultuur noemen. Maar wat gebeurt er als deze energie niet tot uiting komt? Volgens Henry verdwijnt die energie niet (het leven is tenslotte altijd), maar wordt deze niet gebruikt. Zij blijft op zoek naar een uitingsvorm, maar vindt deze niet in een positieve manifestatie van het werk of de praxis, in het genot, maar enkel nog in het vermijden of het reduceren van het lijden, iets wat we volgens Henry ervaren in angst.

Wanneer de energie die voortkomt uit het leven dat zichzelf wil ervaren ongebruikt blijft en geen ruimte krijgt om te groeien, spreken we van barbarij. Volgens Henry is dit wat gebeurt wanneer we televisiekijken. Televisiekijken is een praktijk die niet genoeg heeft aan zichzelf, die niet genoeg biedt aan het leven, en hierdoor vlucht in de poging het leven te elimineren. Henry stelde daarom resoluut: ‘Televisie is de ware aard van de technologie; het is de praktijk van barbarij bij uitstek.’

Anders dan bij beeldende kunst, literatuur en poëzie, die ook beelden bieden, maar hierbij wel het leven zelf, de subjectiviteit, recht doen, komt televisie voort uit de ervaring van verveling. Bij gebrek aan een positieve praktijk – een praktijk waarin deze kracht zich kan manifesteren – zoekt deze kracht naar een manier om zichzelf te vergeten, en dit doet het door ‘te verdrinken’ in de opeenvolging van beelden op de televisie.

Dat het hier gaat om een constante opeenvolging is belangrijk. De kijker moet aan een stuk door bevredigd worden, omdat deze vluchtbeweging zich in ieder moment opnieuw voltrekt. Ieder beeld waarin het zichzelf vergeet, moet dus meteen worden opgevolgd door een nieuw beeld. Televisie bestaat dus bij de gratie van een beeld dat steeds verdwijnt, waarna de leegte die het achterlaat meteen wordt ingenomen door een nieuw beeld. Ieder beeld heeft dus de vooronderstelling dat het in zichzelf niet interessant genoeg is en door een ander vervangen moet worden. Andersom zorgt dit er ook voor dat alles wat op televisie verschijnt oninteressant wordt. Het fenomeen van de live uitzending laat deze inherente haast van de televisie, van de media, volgens Henry goed zien. Het is nú aan de hand, dus het moet nú op televisie worden getoond, om vervolgens direct weer uit beeld te verdwijnen en plaats te maken voor een nieuw beeld.

Omdat Henry televisie begreep als een opeenvolging van beelden kunnen we zijn mediakritiek ook goed toepassen op de sociale media van onze tijd. Het scrollen door je tijdlijn brengt bij uitstek zo’n opeenvolging van beelden tot stand, waarbij iedere post of tweet die geplaatst, gezien en geliked wordt snel weer plaats moet maken voor een nieuw ‘live’ beeld, waarna het proces zich weer herhaalt. En net als bij televisie geldt: hoe oninteressanter het beeld – hoe ‘dommer’ de Tell Sell-reclame of de vlog – hoe beter dit proces werkt en hoe langer je blijft staren of scrollen. Dit proces was volgens Henry de basis voor de moderne wereld waarin we nu leven, een wereld van ‘zelfdestructie, zelfnegatie van leven, dood’. Alstublieft.

Maar er is nog meer aan de hand. Het leven is namelijk wel altijd aanwezig, maar wordt in het staren (‘een manier van kijken zonder te kijken en zonder te zien’) naar een scherm niet tot uitdrukking gebracht. We staren naar een representatie van het leven, naar mensen die sporten, reizen en muziek maken, terwijl we zelf vanuit onze luie stoel apathisch naar die representatie staren. Ze spreken ons dus aan op ons levensinstinct, maar bieden ons, als representatie, te weinig om dat echt te bevredigen.

Hierdoor sprak Henry over ‘televisie die haar kijkers doodt’. Televisie probeert het leven te elimineren, door een stroom aan beelden te produceren die op zichzelf niets betekenen. Deze stroom is een onverschilligheid aan beelden. En als onverschilligheid brengt zij een onverschilligheid, een apathie of een gebrek aan ervaring bij de kijker teweeg, die erin verdrinkt. Met het tonen van de beelden van rellen die grote schade aanrichten en waarbij levens (lees: het leven) worden ‘vernietigd’, zo besloot Henry zijn kritiek op de mediawereld, ‘vernietigen’ de media dus een even groot (of zelfs groter) aandeel aan leven.

Als we Henry hierin volgen, dan moeten we de vraag stellen of deze collectieve toename van schermtijd ten tijde van overbelaste streamingsdiensten en recordkijkcijfers voor live nieuwsuitzendingen niet een even grote bedreiging voor het leven vormt als het coronavirus zelf. Dat klinkt misschien wat radicaal, maar sinds het verschijnen van La barbarie is het aantal schermen om ons heen flink toegenomen. We verdrinken niet langer alleen maar in de televisie thuis; we verdrinken nu ook in de tablets en telefoons die we altijd bij ons dragen.

In de mediakritiek van La barbarie wordt vooral duidelijk wat het leven niet is. Het leven wordt hier namelijk negatief beschreven in termen van onverschilligheid, apathie, haast en ‘kijken zonder te zien’. Keren we deze termen om, dan onthult zich een idee van leven als ervaring, als raakbaarheid, als aandacht om echt te kijken en echt te zien en als openheid voor het wonder dat er überhaupt zoiets is als ervaring. En het is precies dit wonder waar Henry zo gefascineerd door was.


Roel Meijvis (1995) studeerde filosofie aan de Universiteit van Tilburg, waar hij afstudeerde op het werk van Albert Camus. Momenteel doet hij een Master Filosofie aan de Universiteit van Amsterdam (Art, Culture and Critique). Daarnaast is hij rubrieksredacteur Filosofie van Politiek & Cultuur bij Filosofie-Tijdschrift.