DE ERFENIS VAN DE ‘DEMOKRATISERING’

Het was een luxe-revolutie

Het linkse denken van de jaren zestig en zeventig is een roemloze dood gestorven. De decadentie en verloedering van het huidige Nederland hebben hun wortels in die bevrijdende tijd.

In Mei 1968 was ik een vijftienjarige gymnasiast in het afgelegen en uiterst kalme stadje Goes, waar toen juist onder scholieren het woord ‘marihuana’ de ronde deed. Je wist niet precies wat het was en zelfs niet of je het woord wel goed uitsprak. Maar het was in de stad, deze verboden waar, en die en die hadden het. Dagenlang deed het gerucht de ronde. Je wilde die jongens die het hadden met eigen ogen zien.

Ondertussen stond ver weg Parijs op zijn kop. Mijn enige herinnering aan de fameuze revolte is een krantenfoto. Het is een beeld van een Parijse boulevard met op de voorgrond het silhouet van een student die stenen gooit naar een cohort oproerpolitie. Ik herinner mij dat ik een tijdje naar deze foto heb gekeken, in verwarring, omdat ik merkte dat ik me niet met die student kon identificeren. De natuur schreef mij voor om partij te kiezen voor deze generatiegenoot die in opstand kwam tegen ‘het gezag’, de tijdgeest dwong mij ertoe, maar hoe ik ook mijn best deed, ik voelde geen verwantschap met die knaap. Ontbrak het mij aan revolutionair elan? Had ik iets niet begrepen?

In augustus 1968 reden Russische tanks Praag binnen en herstelden in Tsjechoslowakije de dictatuur van het communisme. Met twee vrienden kwam ik op het idee om onder scholieren een ‘handtekeningenaktie’ te organiseren om steun te betuigen aan de Tsjechoslowaken die van hun vrijheid waren beroofd. Via de Nederlandse Schoolpers Unie brachten wij deze ‘aktie’ op gang. Het lukte. Dagelijks werden bij de conciërge van ons lyceum pakketten met handtekeningen afgeleverd. In de hal van de school vulden de daar opgehangen rollen behangpapier zich met handtekeningen. Maar terwijl ik achter het bureau van mijn vader – voor het eerst in mijn leven veelvuldig gebruik makend van een telefoon – de ‘aktie’ coördineerde, bekroop mij de twijfel. Tsjechoslowakije was ver weg. Ik had nog nooit een Tsjechoslowaak ontmoet. Voelde ik me werkelijk betrokken? Ik durfde mijzelf, laat staan mijn vrienden, deze twijfel niet te bekennen. Bovendien: er was geen weg terug. Er werd een afspraak gemaakt met de Tsjechische ambassade in Den Haag.

Op een ochtend zat ik met mijn vrienden in de trein, vergezeld van een journalist van de Provinciale Zeeuwsche Courant, in het bagagerek lagen dozen met handtekeningen. In Den Haag wisten wij met een taxi de ambassade te vinden, waar een fotograaf van Trouw ons al stond op te wachten. Het hek was dicht. Wij meldden ons via de intercom. In de ambassade duurde het lang aleer men zich onze aangekondigde komst wenste te herinneren – het was weer een ambassade van achter het IJzeren Gordijn geworden. Ten slotte was de tweede secretaris bereid ons te ontvangen. Er werden foto’s gemaakt terwijl wij, in colbert, onze schooldas nog om, de handtekeningen overhandigden. Na tien minuten stonden we weer buiten. In de trein: diepe teleurstelling. Onze dozen stonden nu al in de kelder, dat was zeker, en de Tsjechoslowaken zouden van die twintigduizend handtekeningen nooit iets vernemen. De volgende ochtend trof ik tot mijn verbazing in de Provinciale Zeeuwsche Courant en Trouw foto’s aan van drie scholieren en een tweede secretaris. Ik had het niet meer verwacht. Voor het eerst besefte ik hoeveel macht de massamedia hadden: alleen omdat die foto’s in de krant waren afgedrukt bestond onze handtekeningenaktie. Weer een paar dagen later, toen het genot van gestreelde ijdelheid was vervlogen, durfde ik mezelf bekennen: dit was één grote zeepbel, dit doe ik nooit meer.

Begin 1969 verliet ik opnieuw de diepe provincie om in Utrecht aanwezig te zijn op een congres van de net opgerichte Scholieren Belangen Organisatie. Het congres vond plaats in een oud theater, dat van binnen geheel in de kleuren paars en oranje was geschilderd. Het gebouw puilde uit. Ik had nog nooit zoveel langharigen bij elkaar gezien. Er waren twee ‘plenaire vergaderingen’ – beide eindigden in chaos. Er was een ‘theetuin’ waar je kon wegdromen op de geuren van thee en hasj. Elders draaide een stencilmachine op volle toeren: elk uur werd een bulletin gedrukt. In de foyer klom een student met haren tot over zijn schouders op een kistje en hield een pleidooi voor gratis verstrekking van condooms aan scholieren. Het ontging mij niet dat hij na zijn opzwepende toespraak door meisjes werd omringd. Gegrepen door de geest van oproer besloten mijn mede-schoolkrantredacteur en ik op weg naar huis tot een ‘extra-editie’ van onze schoolkrant. Ik kan het nalezen en herken mijzelf moeiteloos in de tekst. De tijdgeest dwong ons om de revolutie te prediken. Maar overal in het verslag is de scepsis voelbaar.

Ik wist dus al gauw dat ik niet geschikt was voor het ‘aktiewezen’.

Doordrukstrip

Mijn persoonlijke opstand van die jaren was vooral gericht tegen mijn godsdienstige opvoeding. Het was de meest diepgaande breuk met de traditie die mogelijk is. Ik maakte me los van wat voor mijn ouders de kern van hun bestaan uitmaakte, ik verwierp hun diepste overtuigingen. Maar dat besefte ik pas veel later. Toen ging het erom te ontkomen aan kerkdiensten, dominees, preken, psalmgezang en het keurig geklede kerkvolk. Mijn ouders stonden voor de ondankbare taak om het mysterie van de religie te verklaren aan een half geïnteresseerde en half onwillige knaap die met de door hem net ontdekte ratio alle geloofswaarheden aan mootjes hakte. Jezus droeg lang haar, jende ik, waarom ik dan niet?

Langharigen vormden in Goes een uiterst geringe minderheid. De meeste van mijn medescholieren waren kinderen van boeren, fruittelers, lage ambtenaren en kleine neringdoenden, de eersten in hun familie die konden ‘doorleren’, en zij waren nog net zo gezagsgetrouw als hun ouders. Vanaf mijn zestiende slaagde ik erin mijn haar langzaam maar zeker tot over mijn oren te laten groeien. Maar er waren jongens die veel langer haar hadden, die dus veel vrijgevochtener waren dan ik, en daar keek ik tegenop. Als zij dan ook nog, omdat ze uit een socialistisch milieu kwamen, het atheïsme als een vanzelfsprekendheid beleden en een spijkerjack droegen, waren zij ronduit imponerend.

Op een dag liet mijn vriendin mij op haar kamertje een oranje doordrukstrip zien. Zonder het te beseffen zag ik de meest invloedrijke uitvinding van de jaren zestig. Verlegen glimlachend stopte ze een minuscuul pilletje in haar mond. Met de vader van mijn vriendin – de zoon van een landarbeider en op zijn twaalfde aan het werk gegaan – debatteerde ik over de ruilverkaveling die het laat-middeleeuwse heggenlandschap van Zuid-Beveland vernielde. Ik was tegen die ruilverkaveling. Het maakte de man woedend. Het was noodzakelijk voor de boeren, vond hij, en ik was een snotneus die niet wist wat werken was, die nog nooit had gewerkt. Een aanzienlijk deel van het eiland ging op de schop: grote kavels kwamen er, lange en rechte sloten, nieuwe wegen. Ook dat zijn voor mij de jaren zestig: de vernietiging van een oud landschap. In het Sloegebied verdween de natuur van schorren en slikken onder chemische fabrieken. Grote indruk maakten op mij de sombere voorspellingen van de Club van Rome, de eerste mondiale milieurapportage.

PSP

In 1971 streek ik neer in Amsterdam en raakte nog meer van de tijdgeest doordrenkt. Ik liet mijn haar tot op mijn schouders groeien, kocht mijn kleren op het Waterlooplein, liep in een muf ruikende zwarte bontjas en droeg bij wijze van halsketting een afgedankte rozenkrans.

Aan de ‘demokratisering van de universiteit’ heb ik een jaar meegewerkt, en toen geloofde ik er niet meer in. Ik zie nog het treurige gezicht van mijn hoogleraar architectuurgeschiedenis voor me, een briljant man, toen hij gedwongen was met een stel onwetende studenten te onderhandelen over de inhoud van het studieprogramma. Ik ben één keer naar een ‘plenaire vergadering’ van een studentenbond gegaan en had aan die ene keer genoeg om te weten hoe ‘demokraties’ het daar aan toe ging. Ik heb me eenmaal verplicht gevoeld mee te doen aan een studentendemonstratie en ben er na tien minuten, toen om mij heen met matige geestdrift de kreet ‘Onderwijs ja, bezuinigingen nee’ werd gescandeerd, weer uitgestapt. In communes leven leek mij een verschrikking; zelfs de ‘gemeenschappelijke keukens’ die ik in studentenflats aantrof wekten al mijn weerzin op. Ik ben opgehouden met het lezen van ‘histories-materialistiese teksten’ toen het mij opviel dat de schrijvers ervan onophoudelijk woorden en zinsdelen onderstreepten. In die onderstrepingen herkende ik de fanatieke ideologie. Ik stemde psp, de Pacifistisch Socialistische Partij dus, omdat het een kleine partij was met een tweemansfractie in de Tweede Kamer, die een luis in de pels van de ‘demokratie’ wilde zijn, en vanwege een ondoordachte hang naar het pacifisme.

Op mijn 22ste debuteerde ik in een literair tijdschrift en vanaf dat moment ging ik mijn eigen weg. Als je schrijver wilde worden, had je niet zo veel aan de linkse ‘strijdcultuur’.

Luxe-revolutie

Ik heb altijd een grote sympathie gevoeld voor het vroege socialisme in Nederland. Ik bedoel de tijd van Herman Gorter, Henriëtte Roland Holst, Pieter Jelles Troelstra en andere groten uit de beginjaren van de sdap. In die periode werd gestreden tegen mensonterend onrecht en de uitbuiting van een aanzienlijk deel van de bevolking. Er werden daarvoor grote offers gebracht. Domela Nieuwenhuis, om nog een held van die tijd te noemen, begon als een vermogend man aan zijn politieke strijd en bij zijn dood liet hij zijn weduwe armlastig achter: hij had alles weggegeven. Doorgaans ben ik allergisch voor idealisme, maar het idealisme van arbeiders en ‘intellektuelen’ uit die dagen vind ik altijd aangrijpend en imponerend.

Kijken wij nu eens naar de heftige politieke en sociale strijd van de jaren zestig en zeventig.

Ging het om mensonterend onrecht, om een gevecht tegen armoede, analfabetisme, ondervoeding, slechte behuizing en fysieke uitbuiting? Nee, dat ging het niet. Want het socialisme had zijn belangrijkste doelen al bereikt, na de oorlog was met vijftien jaar hard werken de Wederopbouw tot stand gebracht, en halverwege de jaren zestig was er zelfs een ‘loonexplosie’ en had de welvaart bijna ieders huis bereikt. Het was dus niet een strijd tegen onrecht.

Het ging om gezagsverhoudingen en vooral om een nieuwe levensstijl van een numeriek sterke, jonge generatie die met nieuwe middelen werd doorgezet. Alleen het feminisme had nog een werkelijk onrecht te bestrijden. In de terugblik relativeert dit besef voor mij al die demonstraties, bezettingen, stakingen, ‘ludieke akties’ en politieke theorieën van die jaren in hoge mate. Het was een luxe-revolutie. Onder het mom van politieke strijd en maatschappelijke verandering werden voornamelijk persoonlijke doelen nagestreefd. Zo luxe was die ‘revolutie’ dat men zich kon permitteren zich in te zetten voor boeren in Nicaragua, die nog nooit van Nederland hadden gehoord, en voor vele andere onderdrukten en armen waar ook ter wereld. Dat er zo veel aandacht kon uitgaan naar onderdrukking en armoede in verre landen geeft trouwens al aan dat er in Nederland geen fundamentele problemen meer waren. De verzorgingsstaat was inmiddels een feit.

Het is merkwaardig dat de grote sociale verandering die zich in de jaren zestig en zeventig voltrok zo sterk is gepolitiseerd. Inmiddels heeft een volgende generatie haar eigen levensstijl ontwikkeld zonder dat daar enig politiek kader voor nodig was. De twintigjarigen van nu hoeven hun levensstijl niet politiek te legitimeren. In de jaren zestig hebben de linkse politiek en het linkse denken zich meester gemaakt van de jonge generatie. Het was een laatste opleving van de linkse wereldverbeteraars. ‘Progressief’ was het toverwoord. Wie jong was wilde ‘progressief’ zijn en ‘progressief’ dat was links. Merkwaardig is ook dat allerlei utopische ideeën uit de negentiende eeuw juist in die tijd van grote technologische ontwikkelingen nogmaals opdoken. Alsof men terugdeinsde voor de leegte van de materialistische en hedonistische cultuur die men zelf in het leven riep en zijn toevlucht zocht bij utopische en crypto-religieuze ideeën als de ‘klassenloze maatschappij’ en het ‘gemeenschappelijk beheer van de productiemiddelen’.

Verloedering

Het linkse denken van de jaren zestig en zeventig is een roemloze dood gestorven. Maar het heeft ons wel opgezadeld met een nalatenschap, met een mentaliteit die nog steeds doorwerkt.

Voor het linkse gelijkheidsdenken en de linkse nivelleringsdrift was elke autoriteit verdacht. Tegen autoriteiten aanschoppen was dapper en goed. Geen ontzag kennen was een teken van bevrijding. Anti-elitair zijn was een deugd. Het sloot aan bij het egalitarisme dat toch al zo sterk in het sedert de zeventiende eeuw kleinburgerlijke Nederland leeft, waar nooit een dominante aristocratische cultuur heeft bestaan. Dit zelfgenoegzame schoppen tegen autoriteiten heeft geleid tot een van de opvallendste zwaktes van het huidige Nederland: het ontbreken van autoriteit bij degenen aan wie ze zou moeten worden toegekend. We zijn eraan gewend geraakt om voor geen enkele autoriteit ontzag te hebben. Een minister kan voor de televisiecamera’s worden beledigd. Dit is een erfenis van links.

Het was ook het linkse denken dat in de jaren zestig fel aandrong op ‘demokratisering’ van de universiteiten, het lokale bestuursapparaat en tal van instellingen. Een onzalig idee dat uiteindelijk heeft geleid tot de verstikkende vergadercultuur waar dit land nu al decennia onder zucht. Aan de niveauverlaging van het onderwijs sedert de jaren zeventig heeft links met zijn natuurlijke voorkeur voor de middelmaat de grootste bijdrage geleverd.

Naast de wanen en uitwassen van het linkse en progressieve denken hebben de jaren zestig ons ook veel goeds opgeleverd: de seksuele revolutie, een nieuwe feministische golf, het ontstaan van het milieubewustzijn, de ontzuiling en in het algemeen een vrijheid van denken en spreken die voordien niet bestond. Maar de belangrijkste items van die periode zijn het ontstaan van de grote welvaart en de consumptiecultuur, gelijk opgaand met het afsterven van de ‘grote verhalen’, de breuk met de Grieks-Romeinse en joods-christelijke traditie. Niets heeft zoveel invloed op ons gehad als de welvaart en het achter de horizon verdwijnen van de ideeënwereld waarop onze beschaving is gebouwd. De decadentie en verloedering van het huidige Nederland hebben daarom hun wortels in die bevrijdende tijd.