het was net schindler’s list

Ze voelen zich bedrogen door de politiek en verraden door het VN-oppercommando. Een jaar na de val van Srebrenica vertellen Dutchbatters over hun gedoemde missie. ‘Wat stond er tegenover die Balkan-killers? Een paar honderd Hollandse jongens, lekker gemaakt voor het leger met flitsende bioscoopreclames.’ DE NAZORG VOOR de Srebrenicagangers van Dutchbat is volop aan de gang. Psychologen en andere psychosociale hulpverleners maken overuren om te voorkomen dat het ‘Srebrenica-trauma’ straks voor dezelfde excessen zorgt als eerder het Nederlands-Indietrauma of dat van de Amerikaanse militairen na Vietnam. Ter stimulering van het gekwetste groepsmoreel presenteert de landmacht woensdag 3 juli het boek In vredesnaam, waarin ex-Srebrenicagangers over hun ervaringen in de belegerde Moslimenclave vertellen.

De Telegraaf legde reeds de hand op het boek en wist verleden week vrijdag op grond van de getuigenissen te melden dat ‘onze jongens’ zich 'verraden’ voelen.
Dat sentiment gaat echter nog verder dan Defensie wil weten. Sommige Dutchbatters voelen zich zo verraden dat zij niet eens meer wensten mee te werken aan het boek. Tegenover De Groene vertelden zij het hiernavolgende relaas. Het gaat om de verhalen van vier verschillende militairen, allen actief in de derde Srebrenica-lichting, de groep die de dramatische belegering en de val van de stad in juli 1995 meemaakte. Uit angst voor mogelijke repercussies wensten zij hun verhaal slechts prijs te geven als hun anonimiteit werd gewaarborgd.
'WE WERDEN belegerd als een middeleeuwse vesting. Heel Srebrenica was omsingeld en werd langzaam maar zeker uitgerookt en drooggelegd. Nog niet door de troepen van Mladic, die kwamen pas op het laatst om het karwei af te maken. In het begin hadden we te maken met oudere mannen met antieke karabijnen en een stevige fles op zak. Het was een ongedisciplineerd zooitje. Ze gedroegen zich nooit als militairen, eerder als een soort roversbende, gevormd door de plaatselijke dorpsoudsten.
In het begin was de verstandhouding redelijk. We groetten elkaar vanaf de uitkijkposten. Vanaf mei, nadat de Serven bij wijze van proefballonnetje een van onze posten hadden ingenomen, waren we echt helemaal afgesneden van de buitenwereld. De helft van de compagnie had toen net verlof, zodat we maar met zo'n vierhonderd man over waren. Af en toe lieten de Serven nog wat humanitaire zendingen van de UNHCR door, met levensmiddelen voor de bevolking van Srebrenica, zo'n 35.000 mensen. Maar die spullen werden dan gelijk geconfisqueerd door de commandant van de Moslimstrijders, die een deel onder zijn ondercommandanten verdeelde en de rest tegen woekerprijzen verkocht. Op de zwarte markt deed een pak suiker al snel tachtig mark. Er moeten een paar mensen schatrijk zijn geworden van die handel. De bevelhebber van de Moslimstrijders, Nasser Oric - een voormalig olympisch worstelkampioen en politieman - verliet de enclave in ieder geval als een gefortuneerd man. Ik heb gehoord dat hij zich bij de Serven vrijkocht voor twintig kilo goud en 25.000 mark. Dat was ongeveer in april. Oric heeft het in ieder geval wel overleefd. Tegenwoordig zit hij in de top van het Bosnische leger.
We hadden al twee maanden geen nieuwe voorraden gehad. Het enige wat we te eten hadden waren Franse blikken met smerig spul, bedoeld als noodvoorraad voor een dag, maar niet om weken op te leven. Bijna iedereen had buikloop en kreeg last van terugtrekkend tandvlees. Tot overmaat van ramp waren er uiteindelijk ook geen peuken meer. Om de laatste slof werd gevochten. We waren doodmoe en afgestompt omdat het beloofde verlof vanwege de omsingeling niet kon doorgaan.’
'DE TOESTAND van de bevolking verslechterde dag na dag. Op een gegeven moment, nadat onze bataljonsleiding had geweigerd dieselolie te leveren, sloten de Moslimstrijders het water af. In het vluchtelingenkamp, waar de strijders zelf niet verbleven, was de situatie rampzalig. Iedereen zat er onder de vlooien. Ondertussen werden daar wel gewoon babies geboren en werden mensen ziek. Dat alles bij een temperatuur van gemiddeld zo'n 43 graden.
Er was sowieso al sprake van spanningen tussen ons en de Moslimstrijders. Daar had je ten eerste die nachtelijke uitbraken. ’s Nachts slopen de Moslimstrijders uit de enclave. Wat ze dan gingen doen, was nogal onduidelijk. Je hoorde verhalen over aanslagen en afrekeningen. Maar soms was het gewoon om oude vrienden op te zoeken, een vroegere Servische buurman bijvoorbeeld, met wie ze daarvoor jaren ongestoord hadden samengeleefd.
Naarmate de Servische dreiging groter werd, werden de conflicten met de Moslims heviger. Zelf ben ik samen met een paar maten een paar dagen gegijzeld geweest door Moslimstrijders. Dat was in februari. De leiding van de Moslimstrijders had Karremans te verstaan gegeven dat een bepaalde zone van de enclave vanaf dat moment verboden gebied was voor ons. Karremans had dat niet gepikt en stuurde ons erop af om uit te zoeken wat ze daar uitspookten. Bij aankomst werden we gelijk gegijzeld door zo'n tachtig oudere mannen. Met de methode die vaste prik was: de loop van een geweer op je voorhoofd. Zo werden we vijf dagen vastgehouden.
Dat soort incidenten zorgde er nu niet bepaald voor dat de verhouding tussen ons en de Moslimstrijders erop vooruitging. De onderlinge verhoudingen kwamen helemaal onder het nulpunt toen soldaat Raviv van Rensen werd gedood door de Moslims. Dat was begin juli, toen de Servische aanval op gang was gekomen. Van Rensen zat op een pantservoertuig, op de terugweg van post Opifoxtrot. Zijn groep werd net even buiten Srebrenica beschoten en probeerde terug te keren. Ik had radiocontact met die groep en kon alles dus letterlijk volgen. De Moslimstrijders probeerden het vertrek van de jongens te verhinderen en eisten dat ze mee zouden vechten tegen de oprukkende Serven. Toen ze toch wegreden, gooide een van de Moslims een handgranaat op het voertuig. Omdat de politiek al aan het begin van de missie had verordonneerd dat we geen geschutskoepels mochten hebben, werd Van Rensen precies achterop zijn hoofd geraakt. Later werd de indruk gewekt alsof die jongen, 21 was hij, door een verdwaalde kogel was geraakt. Dat is absoluut gelogen. Een van de Nederlandse artsen, kolonel Kremer, heeft sectie verricht op het lijk. Wat hij daar aantrof waren echt geen geweerkogels.
Vind je het dan gek dat er wat raar tegen de Moslims werd aangekeken? Op zich bestonden er heus wel vriendschappen tussen ons en de Moslims. Al die verhalen dat we als onverbeterlijke racisten op die mensen neerkeken, dat is echt de grootst mogelijke shit die je bedenken kunt. Maar feit was wel dat die strijders gewoon keiharde killers waren, net als de Serven trouwens. Op de Balkan krijgen ze het idee van bloedwraak en oog om oog met de paplepel ingegoten. Als iemand een tand uit je mond slaat, dan hak jij z'n hoofd eraf, en zo gaat het verder, van generatie op generatie. Veldslagen uit de veertiende eeuw werden nog dagelijks gewroken. Dat is de lokale traditie. En wat stond daar dan tegenover? Een paar honderd Hollandse knapen van achttien, negentien jaar oud, jongens die tot dan toe nooit verder waren gekomen dan op tienertoer en met papa en mama mee naar Spanje. Ze waren allemaal lekker gemaakt met die flitsende bioscoopreclames voor het leger en een salaris van rond de vierduizend piek, inclusief toeslag. Voor ons was het maar zeer de vraag van welke kant het meeste gevaar kwam: van degenen die ons aanvielen of van degenen die we geacht werden te beschermen.
Die elfde juli brak de hel echt los. Sommige jongens op de uitkijkposten werden hysterisch van angst toen ze die oude Russische tanks opeens op zich af zagen komen en het mortiervuur over hun hoofden vloog. Er waren jongens die drie dagen in een bunker bleven liggen, niet meer in staat tot wat dan ook. Je kan het ze niet eens kwalijk nemen. Het was pure doodsangst. Erger was dat heel wat hogere officieren even hard in de stress vlogen en ook niet meer wisten wat ze moesten doen. Karremans? Dat weet ik niet. Die lag sowieso al weken ziek op bed. Niemand zag hem.
Kijk, niemand weet hoe hij zal reageren in zo'n situatie. Dat weet je pas wanneer je erin zit. Veel officieren zaten stuk, maar evengoed onze psychologische hulpverleners en de medische begeleidingsdienst. Wat je kunt vaststellen is dat heel veel mensen op zo'n moment zodanig het hoofd verliezen dat ze hun taak niet meer kunnen uitvoeren, ook de duurgetrainde professionals niet. Zo had je de mensen die de vliegtuigen op de juiste plek moesten laten aanvliegen om de juiste doelen te bombarderen, de FAC'ers (Forward Airward Control - rz). Die waren er op dat moment ook even niet meer bij. Zodat andere mensen die daar eigenlijk helemaal niet voor opgeleid waren, dat werk maar even moesten opknappen, op open terrein die kisten begeleiden, terwijl de kogels en granaten hun om de oren vlogen. De jongens die dat deden hebben echt hun leven geriskeerd.
Ondertussen rukten de troepen van Mladic almaar verder op. We hadden opdracht gekregen terug te schieten. Maar op wat? De Serven beschoten ons vanuit de heuvels. Wij zaten in een dal, we konden ze niet zien. Hun wijze van beschieten was ook heel tactisch. Eerst honderd meter voor ons, dan vijftig, dan twintig, totdat wij wel tot de terugtocht moesten overgaan. We hadden er ook kunnen blijven zitten. Gezien de kritiek had men dat in Nederland kennelijk liever gezien, maar zo is het niet gelopen. De overlevingsinstincten kregen de overhand. Bovendien, wat hadden we moeten uitrichten tegen die Russische tanks? De legerleiding had het uiteindelijk verstandig geacht dat er geen zwaar geschut op onze pantservoertuigen zat.’
'EEN AANTAL JONGENS kwam zeer in het nauw. Terwijl voor hen het Servische vuur oprukte, dreigden achter hen onze Moslimvrienden ze met anti-tankwapengeschut naar de andere wereld te helpen als ze weigerden met hen mee te vechten. De strijders - of wat er van hen was overgebleven, er waren er al heel wat afgetaaid - waren er beroerd aan toe. Ze maakten een volkomen verdwaasde indruk. Volgens mij zaten ze helemaal onder de wodka, de slivovitsj of joost mag weten wat voor spul. Ze waren vooral doodsbang. Een aantal van ons kreeg een pistool tegen het hoofd gedrukt. Ook op de basis, waar de Moslimstrijders met getrokken pistool de beloofde bombardementen kwamen opeisen. Ons was altijd verzekerd dat er luchtsteun zou komen zodra de Serven een aanval op de enclave zouden inzetten. Dat werd ons die nacht ook voortdurend voorgespiegeld. “Luchtsteun komt eraan”, schalde het om de tien minuten uit de luidsprekers over de compound. Sommigen zaten al met propjes in de oren in de bunker te wachten.
Ondertussen werden de Moslims steeds ongeduldiger en de dreigementen in onze richting steeds ernstiger. Ja, er kwam dus nog die ene F16 overvliegen en die heeft toen nog twee bommetjes laten vallen. Mladic dreigde gijzelaars dood te schieten - dat waren er van onze kant al dertig - en toen was het ook met die luchtsteun voor onze luchtmobiele brigade gedaan.
Toen de Serven vanuit de noordkant zichtbaar over de heuvels kwamen, ontbrak van de Moslimstrijders ieder spoor. Ze waren toen al weggetrokken, de heuvels in, naar een gebied dat een groot mijnenveld was. God mag weten wat er met die mensen is gebeurd. Voor de Nederlanders zat er niks anders op dan de aftocht te blazen. Met achterlating van de wapens voor de Serven. Ook dat gebeurde niet vrijwillig, maar met een pistool tegen het hoofd gedrukt.’
'HET KAMP WERD overspoeld door angstige mensenmassa’s. De stad werd zwaar beschoten, iedereen vluchtte naar ons, in de hoop dat ze beschermd zouden worden tegen de Serven. Twintigduizend mensen probeerden de hekken binnen te komen, met hun baby’s boven het hoofd, stokoude vrouwen in kruiwagens, gewonden. Je zag panische doodsangst in hun ogen. Op een gegeven moment was het terrein even vol als Amsterdam op koninginnedag. We moesten de mensen wegduwen, achter de hekken houden, terwijl wij af en toe een baby in onze handen kregen geduwd. Vanwege de beschietingen in de stad was het ziekenhuis naar de compound overgebracht, de patienten gingen naar onze bunker. Er ontstond een conflict tussen de militaire leiding en de medische staf. De leiding vond dat de verzorging van de Moslims te veel tijd en te veel schaars geworden zaken als medicijnen en verband kostte. Men vreesde dat dat ten koste van de verzorging van eventuele militaire gewonden zou gaan. Dus werd het de artsen verboden zich met de burgerbevolking te bemoeien. Dokter Kremer weigerde dat bevel op te volgen. Uiteindelijk zweren artsen bij hun eindexamen de eed dat ze niemand verpleging zullen weigeren. Die man heeft als een paard gewerkt, zeker 72 uur onafgebroken achtereen, geholpen door militairen. Want ondertussen werden er ook weer baby’s geboren. Maar er waren ook artsen die al die ellende gewoon met de armen over elkaar zaten gade te slaan. Er was een kolonel-chirurg die doodleuk met zijn fototoestelletje om zijn nek de ramptoerist stond uit te hangen. Toen ik dat zag, ging ik door het lint. “Kolonel, of u gaat nu weg of u helpt”, zei ik. Hij ging weg.
Die hele krankzinnige kermis kwam in een klap tot stilstand toen Mladic het vluchtelingenkamp binnenkwam, met een paar cameraploegen achter zich aan. Hij deelde vers brood en water uit, gaf blikjes bier aan de bejaarde mannen, aaide een paar baby’s over de bol en riep dat niemand zich zorgen hoefde te maken, dat iedereen nu veilig was. Het zag er allemaal heel gelikt en professioneel uit. Ook de Serven die tot dan toe de bandiet hadden uitgehangen, schoten in de houding toen hij voorbijkwam. Maar zodra de camera’s stopten, hield Mladic het ook gelijk voor gezien met zijn naastenliefde.
METEEN BEGON MEN de weerbare Moslimmannen van de overige bevolking te scheiden. Ze werden in al klaarstaande bussen gezet en verdwenen met onbekende bestemming. Het is maar zeer de vraag of dat allemaal strijders waren. Er was een man met twee kleine kinderen in zijn armen, wiens vrouw net was overleden tijdens een spontane bevalling ergens in die mensenmassa. Die kinderen werden uit zijn handen gerukt en hij werd in die bus geduwd. Er gingen ook 85-jarigen die bussen in. De angst was enorm. De verhalen over concentratiekampen en verkrachtingen waren ook hier bekend. Oude vrouwen waren aan het gillen, kinderen huilden, het was een hel.
De Serven stelden ons voor de keuze: of terug naar ons kamp of meewerken aan de transporten. “Maar als jullie niet meewerken, weten jullie wat er gebeurt”, zei iemand van de militaire politie. Meewerken leek beter, omdat we er dan tenminste voor konden zorgen dat er zo veel mogelijk families bij elkaar bleven. Ik ben nog een keer met een zeventigjarige vrouw achter een tientonner die normaal voor varkensvervoer werd gebruikt, aan gerend. Haar kinderen waren op die kar geladen en al weggereden. Daarvoor hadden de Serven me kunnen neerschieten, maar dat kon me op dat moment niets meer verdommen. Het was afgrijselijk. Alsof we midden in Schindler’s List waren beland.
Toen de mannen tegen alle afspraken in ineens werden weggereden, heb ik geprotesteerd en gevraagd wat die mensen te wachten stond. Als antwoord werd er alleen maar een beetje gegrinnikt. Toen we tegen de Serven zeiden dat dit nazi-praktijken waren, werden ze woedend. Hoe durfden we dat te zeggen, kreeg je dan te horen. Hun vaders hadden nog bij Tito in het verzet gezeten. De Kroaten en de Moslims, dat waren de handlangers van de nazi’s geweest, zij waren de antifascisten. Er was een Servische commandant, een gewezen logistiek manager die nog een tijd in Praag had gestudeerd. “Hoe kun je dit verkopen?” vroeg ik hem. Waarop hij een foto liet zien van een paar kerels die poseerden als na een hertejacht, maar dan met een paar dode vrouwen aan hun voeten. “Zie je die man daar”, zei hij. “Dat is Moslimbevelhebber Oric. En die vrouw daar, dat was mijn echtgenote.” ’
'WE HEBBEN DIE mensen allemaal naar die bussen gebracht. Wij zorgden ervoor dat het zo kalm mogelijk verliep. De mensen vertrouwden ons. Ik hoor mezelf nog tegen een paar meisjes zeggen: “Ga nou maar mee, er gebeurt je niks.” Achteraf realiseer je je dat je hebt meegewerkt aan deportaties en mogelijk erger.
Gek genoeg begon ik me dat pas te realiseren toen we eenmaal ver van Srebrenica zaten, op weg naar Zagreb, waar zo'n dertig psychiaters - mogelijk nog verder heen dan wijzelf waren - op ons aan het wachten waren. Ik reed in een open Mercedes, het was lekker weer, en ik voelde me enorm opgelucht. Eindelijk weg uit die hel. Bij het passeren van de grens kwam er een Engelse reporter op me afgerend. “Wat hebben jullie gezien van de massamoorden in Srebrenica?” vroeg hij. Het was alsof ik door die vraag uit een soort slaaptoestand werd gewekt.
Ik heb nooit dingen gezien die wezen op massamoord. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat dat niet is gebeurd. Je mag aannemen dat de Serven daar wel een discreet plekje voor uitzochten. Ze zijn ertoe in staat, en dan bedoel ik alle strijdende partijen in voormalig Joegaslavie. Ik acht het niet onmogelijk dat er bij de val van Srebrenica in totaal tien- tot vijftienduizend mensen zijn omgekomen. Niet alleen door executies, ziekte en rondvliegende kogels, maar vooral ook door de gigantische mijnenvelden. Later sprak ik een Moslimdokter die me vertelde dat hij over bergen lijken heeft moeten lopen.’
'WIJ HEBBEN niet kunnen voorkomen dat duizenden mensen zijn vermoord. Dat is een gedachte waar ik ’s nachts nog vaak van wakker schrik. Maar het was ook een onbegonnen taak. We hadden eenvoudigweg de middelen niet om ook maar iets te voorkomen. Dutchbat was een aangewezen prooi voor de Serven. Ze hadden de keus tussen ons aanvallen of de Oekraieners, maar die zijn traditiegetrouw het grote broedervolk van de Serven, dus daar bleven ze wel van af. Verder hadden ze de Britten nog kunnen pakken. Maar dan hadden ze gelijk de hele VN-macht over zich heen gekregen. Bleven wij over. Makkelijker bestond eigenlijk niet. Wat hadden we met onze politiemacht van 350 man tegen een zwaar bewapend en hypergemotiveerd leger van tienduizend Serven moeten beginnen?’
'NU HOOR JE weer dat Srebrenica van tevoren al door de Fransen aan de Serven was verkocht. Dan zit je al snel tot je nek in de komplottheorieen, maar er zit volgens mij toch zeker een kern van waarheid in. Mladic en generaal Janvier hadden vaak genoeg overleg met elkaar tijdens de Srebrenica-crisis. Achteraf ga je jezelf toch vragen stellen. De Navo was er als de kippen bij om na de val van Srebrenica allerlei vermeende massagraven op te sporen in het gebied. Dat deden ze met Awacs-vliegtuigen, die hebben zulke goede apparatuur dat ze van honderden kilometers hoogte nog een mier op straat kunnen onderscheiden. Maar waar waren die vliegtuigen voor de Servische aanval? Waarom gaven die vliegtuigen toen niet door dat er een gigantische troepenverplaatsing richting Srebrenica op gang was, voor een deel nog via groot-Servie aangevoerd ook, al wordt dat hartstochtelijk ontkend? Lagen die vliegtuigen die dag toevallig allemaal in de werkplaats? Waarom moest Dutchbat met het lichtste geschut worden opgezadeld? In mijn ogen heeft het oppercommando van de Verenigde Naties willens en wetens meegewerkt aan de moord op duizenden mensen. Eigenlijk zou Akashi, de Japanse bevelhebber van de VN-strijdmacht, aangeklaagd moeten worden bij het Haagse oorlogstribunaal. Als er iemand verantwoordelijk is voor die moordpartij, dan is hij het wel. En dan kunnen ze Janvier er gelijk bij doen. En onze eigen generaal Nicolai ook. Die heeft de boel fors bedonderd door steeds maar te verkondigen dat hij voor de luchtsteun was. Nu blijkt dat hij dat juist altijd heeft tegengewerkt. Misschien kan je niet van directe schuld aan oorlogsmisdaden spreken. Maar ze hebben in ieder geval wel de ideale omstandigheden ervoor gekweekt.
Mij vielen de schellen eigenlijk pas van de ogen na Srebrenica. Direct nadat Clinton bij Tudjman en Milosevic langs was geweest, in september, begonnen de Kroaten aan een gigantisch offensief tegen de Serven. Tienduizenden Servische burgers sloegen op de vlucht, de bevolking werd van alle kanten geterroriseerd, maar daar hoorde je helemaal niemand over. Eigen schuld dikke bult, zal men wel hebben gedacht. Maar die Servische vluchtelingen waren even onschuldig en werden even hard gepakt als eerder de Moslims van Srebrenica, terwijl dat Kroatische landjepik even onrechtmatig was als wat de Serven deden.
Een Nederlandse generaal zei me dat hij het zo opvallend vond dat de Kroaten hun leger voor die gelegenheid zo drastisch hadden gemoderniseerd. Ze beschikten over de nieuwste Amerikaanse tanks en vochten volgens die generaal ook op de Amerikaanse manier. Dat wees er volgens hem op z'n minst op dat de Kroaten Amerikaanse adviseurs in huis hadden. Na dat Kroatische offensief werd alles opeens heel rustig. Alsof het van tevoren was afgesproken.’
'HET ERGSTE vond ik eigenlijk nog de reactie in de media en in de politiek. Toen we terugkwamen was er even een hosannastemming, zo van hoera, onze jongens zijn terug, maar daarna begon er een publiciteitsgolf waarin Dutchbat in steeds fellere bewoordingen werd beschuldigd van lafheid, betrokkenheid bij massamoorden en ga zo maar door. Waarom deden jullie niks, waarom lieten jullie dat allemaal gebeuren, werd ons telkens weer gevraagd door mensen die er geen idee van hadden wat er werkelijk in Srebrenica was gebeurd. Dan lees je in de krant krankzinnige vergelijkingen, waarin ze ons het voorbeeld van de soldaten in die tv-serie Colditz voorhielden. Waarom waren jullie niet zo inventief als die mannen, die tegen alle verdrukking in nog ontsnappingsplannen maakten? Of dan hoor je de leden van de Tweede Kamer fel uitvaren over het falen van Dutchbat. Om nog maar te zwijgen over dat uitgestreken smoelwerk van Fons de Poel. Hoezo falen? Hoe hadden we het dan anders moeten doen, gezien het totale gebrek aan medewerking van de VN? Was het dan beter geweest als we a la Davy Crockett bij de slag van Alamo tot de laatste man hadden doorgevochten? Dan waren er vierhonderd bodybags naar huis gevlogen. Was het vaderland dan gelukkig geweest?’