DE KORTE PRAAGSE LENTE

Het was nog niet zo ver

Terwijl Tsjechische babyboomers in 1968 kortstondig proefden van de vrijheid omarmden hun generatiegenoten in het Westen Marx en Lenin. Wie de socialistische heilstaat ontvluchtte, zoals Hans Renner, werd aan deze kant van het IJzeren Gordijn geconfronteerd met een theoretische illusie.

Het jaar 1968 stond in het communistische Oost-Europa in het teken van de Praagse Lente, zoals het hervormingsproces van Alexander Dubcek in Tsjechoslowakije genoemd werd. Dat deze hervormingen samenvielen met de ‘opstand van de jeugd’ in het Westen was historisch gezien puur toeval.

Reeds vanaf het midden van de jaren zestig, onder de conservatieve partijleider en president Antonín Novotn , gold Tsjechoslowakije in het voormalige Oostblok als een buitenbeentje dankzij een betrekkelijk liberaal cultureel klimaat en de mogelijkheden van de burgers om naar het Westen te reizen. Op universiteiten en onderzoekscentra, maar ook binnen de gelederen van de communistische partij werd steeds openlijker gediscussieerd over de wenselijke economische vernieuwingen en werd de ineffectieve centralistische manier van het leiden van de economie aan de kaak gesteld. De kritiek op het economische en sociale wanbeleid ging weldra gepaard met felle aanvallen op de autoritaire machtsuitoefening van Novotn zelf.

De systeemcritici kregen de overhand. Begin januari 1968 moest deze doorgewinterde stalinist als leider van de communistische partij het veld ruimen. Alexander Dubcek, met 46 jaar de jongste partijleider in de landen binnen de sovjetinvloedssfeer, werd zijn opvolger. De hervormingen kregen vrij baan, de maatschappij ontwaakte uit haar lethargie.

De veranderingen kwamen tot stand binnen het bestaande systeem. Ze werden bewerkstelligd door een deel van de machtselite zelf. De belangrijkste dragers waren economen, intellectuelen – de Tsjechische schrijvers voorop –, journalisten en hervormingsgezinde communistische politici in het partijapparaat. Allen, uitzonderingen daargelaten (de niet-communistische schrijver Václav Havel, een handjevol nonconformistische kunstenaars, enkele studentenleiders) behoorden tot de gevestigde orde en waren lid van de Tsjechoslowaakse communistische partij. Anders gesteld, het oude systeem in Tsjechoslowakije leek in de eerste plaats ten onder te gaan aan druk van binnenuit.

Pas daarna kwamen ‘de massa’s’ in beweging, te beginnen met de studenten die al snel doorhadden welke unieke kansen het hervormingsproces bood. De rest van de samenleving volgde. Binnen drie, vier maanden veranderde Tsjechoslowakije onherkenbaar. De communistische hervormers kregen krachtige steun van ‘onderop’; een steun die dankzij de vrijheid van meningsuiting en de vrijwel onbeperkte persvrijheid steeds meer de vorm van een geweldige stuwing aannam.

Ik was destijds student aan de Praagse Karelsuniversiteit en deed ijverig mee aan de acties en protesten. Plotseling, zo leek het, leefden wij in een vrij land. Toch was het Tsjechoslowakije van Dubcek en van president Svoboda (zijn naam betekent in het Tsjechisch ‘vrijheid’) in het jaar 1968 nog mijlenver verwijderd van een echte parlementaire democratie. Dubcek en de zijnen verzetten zich tegen invoering daarvan, wetende dat de Sovjet-Unie van Leonid Brezjnev dit nooit zou toestaan. Een begin was echter gemaakt: overal werden politieke clubs en belangenverenigingen opgericht, de onderdanige vakbonden begonnen op echte vakbonden te lijken en de sociaal-democratische partij die na de communistische machtsovername in 1948 gedwongen werd met de communisten te fuseren, pleitte luid voor heroprichting.

Onze docenten van het marxisme-leninisme en van de leer der internationale arbeidersbeweging, verplichte leerstof aan elke universiteit voor elke student, kregen het moeilijk. Wij hadden al lang geen zin meer in de versleten leerstellingen van Marx en Lenin. Nu konden wij dit eindelijk ook laten blijken door bijvoorbeeld zulke colleges te boycotten.

Ik kan me een kameraad-docent-marxist-leninist aan onze faculteit herinneren die in maart 1968 terugkeerde uit Parijs, waar hij lezingen over marxisme-leninisme had gegeven. Hij stelde ons de Franse studenten die ijverig de marxistische klassieken bestudeerden tot voorbeeld: ‘De studenten in een kapitalistisch land besteden hun vrije tijd enthousiast aan de bestudering van de revolutionaire gedachten van Marx, Engels en Lenin, en jullie in het socialistische Tsjechoslowakije, die hiertoe alle mogelijkheden hebben, doen het niet!’ zo luidde ongeveer zijn verwijt. Wij keken strak voor ons uit en dachten: als die Franse studenten zo stupide zijn om hun vrije tijd met Lenin te vullen, moeten ze het maar zelf weten. Na onze eigen ervaring met de ‘dictatuur van het proletariaat’ wisten wij beter. Van een ‘socialistische heilstaat’ hadden wij niets meer te verwachten.

In deze opvattingen verschilden wij, de Oost-Europese babyboomers, van onze westerse leeftijdsgenoten, van de rebellerende jeugd aan de andere kant van het IJzeren Gordijn. Anders dan wij waren zij wél de drijvende kracht achter de veranderingen. Zij trachtten de gevestigde orde van buitenaf omver te werpen, of op z’n minst flink te verstoren. Onze westerse generatiegenoten, of beter gezegd het radicale deel van hen, ageerden tegen de in hun ogen ‘domme democratie’, tegen de ‘kapitalistiese consumptiemaatschappij’, en zij waren fel gekant tegen de ‘imperialistiese’ Verenigde Staten.

Begin april 1968, enkele dagen voor de aanslag op zijn leven, kwam de Duitse extreem-linkse studentenleider Rudi Dutschke met een omvangrijke delegatie van de Socialistische Duitse Studentenbond naar Praag. Dutschke bezocht onze universiteit met als doel een gezamenlijk front te smeden tegen de heersende oude structuren in West en in Oost. Aanvankelijk zagen de Duitse marxistische links-radicalen in ons hun natuurlijke bondgenoten.

Al gauw bleek dat wij geen gemeenschappelijke taal spraken. Hun revolutie was de onze niet. Sterker nog, wat deze Duitse en andere West-Europese linksigers in het kapitalistische Westen wilden afschaffen, wilden wij in het communistische Oosten juist hebben! En wat onze houding ten opzichte van de Verenigde Staten betrof, voor ons gold het land van de presidenten Kennedy en Johnson als symbool van de vrijheid en als een democratisch bolwerk tegen het communisme waar dan ook in de wereld, van Cuba tot Vietnam.

De Tsjechen en Slowaken genoten met volle teugen van hun vrijheid. Slechts acht maanden lang leefden wij in een vrijheidsroes. Totdat de militaire troepen van de Sovjet-Unie en haar bondgenoten op 21 augustus hieraan een gewelddadig einde maakten. Het is wellicht minder bekend, maar het jaar 1968 heeft ook op het gebied van militaire geschiedenis furore gemaakt. Een half miljoen soldaten vielen het land binnen, ondersteund door achthonderd vliegtuigen, ruim 6300 tanks, tweeduizend kanonnen en speciale raketeenheden. De militaire interventie van augustus 1968 vormt tot heden de grootste militaire operatie in Europa sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Een andere primeur voor 1968: het indrukwekkende massale geweldloze verzet van de Tsjechoslowaakse bevolking als antwoord op de militaire inval. Nog nooit maakte Europa in de moderne tijd zoiets mee.

Het mocht, zoals bekend, niet baten. Dubcek en de andere Tsjechoslowaakse leiders die eerst als gevangenen naar Moskou waren gesleept, keerden na dagenlange chantage en vernederingen van sovjetzijde gebroken terug. De hervormingen werden vervolgens teruggedraaid, honderdduizenden aanhangers van Dubcek uit hun functies ontheven, de politieke klok werd teruggezet. De acht maanden vrijheid kwamen de Tsjechen en Slowaken duur te staan. Behalve een militaire sovjetbezetting kreeg Tsjechoslowakije een van de meest orthodoxe communistische regimes in Oost-Europa opgelegd, twintig jaar lang.

In september 1968 week ik uit naar Nederland en viel hier al snel van de ene verbazing in de andere. Linkse studenten die de massamoordenaars Lenin en Mao aan de universiteiten verheerlijkten en op hun kamers portretten van Che Guevara, Ho Chi Minh en andere communistische geweldenaren hingen. Op de universiteit van Utrecht waar ik mijn studie voortzette, maakte ik kennis met marxistische docenten en professoren. Er werden door de linkse activisten zelfs vergaderingen belegd waar docenten (op vrijwillige basis) zelfkritiek konden uitoefenen.

Wij, studenten uit Oost-Europa die de communistische onderdrukking aan den lijve hadden ervaren, raakten gefrustreerd. Van onze linkse Nederlandse studiegenoten kregen wij al gauw het etiket ‘Koude Oorlog-hitser’ opgeplakt. Waarom? Omdat wij de ‘goede’ kanten van de Sovjet-Unie en van Cuba en van China niet zagen? Omdat wij niet in staat waren de ‘onafwendbare maatschappelijke processen’ objectief tegemoet te treden? Of omdat wij niet wilden erkennen dat het communisme goed voor de arbeiders was en het kapitalisme slecht?

Toen een aantal jaren later pvda-voorzitster Ien van den Heuvel tijdens een bezoek aan de Berlijnse Muur vanuit de ddr-kant haar beruchte uitspraak ‘De Muur is historisch noodzakelijk’ deed, ging er een schok van herkenning door ons heen. Wij leerden namelijk op de communistische scholen dat deze antifascistische Schutzwall noodzakelijk was in de strijd voor vrede en tegen het West-Duitse revanchisme en het Amerikaanse imperialisme. En het was juist de gedachte aan vrede die veel zich progressief wanende Nederlanders de ogen deed sluiten voor het feit dat hun vrede ten koste ging van de vrijheid en het welzijn aan de communistische zijde van het IJzeren Gordijn.

Het duurde tot 1989 voordat de Muur viel en ook in Tsjechoslowakije het communistische systeem ineenstortte: door interne zwakte maar tevens door druk van buiten, door rebellerende teenagers en studenten die in Praag, Bratislava en elders als eersten de straat op gingen. Toen zij in november 1989 op het hoogtepunt van de Fluwelen Revolutie op het Praagse Wenceslausplein dansten en ‘Uz je to tady’ (het is zo ver) scandeerden, dachten zij niet meer aan de vervulling van de idealen uit de Praagse Lente, aan een ‘socialisme met een menselijk gezicht’, maar aan een concreet doel: snelle afschaffing van de verguisde communistische dictatuur.

Niet de hervormingsgezinde communist Alexander Dubcek was hun held en grote voorbeeld, maar de onverzettelijke dissidente schrijver en democraat in hart en nieren Václav Havel. Een man die vijf jaar in de communistische kerkers had doorgebracht en die weigerde te aanvaarden dat de deling van Europa ‘historisch noodzakelijk’ was.

Prof. dr. Hans Renner doceert Midden- en Oost-Europese geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen