Hubertus Knabe

Het was nog veel erger

In zijn nieuwste boek schetst Stasi-expert Hubertus Knabe een verbijsterend beeld van de verschillende manieren waarop de DDR trachtte de publieke opinie en politiek in de Duitse Bondsrepubliek te beïnvloeden. De arm van de Oost-Duitse geheime dienst was lang.

«Denk’ ich an Deutschland in der Nacht,/ Dann bin ich um den Schlaf gebracht…» Onder jour na listen die eind jaren zeventig over Duitsland schreven, waren er weinigen die niet voor de verleiding bezweken deze openingszinnen van Heines Nachtgedanken te citeren. Dat het ge dicht over zijn oude moeder ging, die hij wegens zijn ballingschap niet kon op zoe ken, dat werd er zelden bij verteld. Het waren juist van die lekker drei gende regels, die suggereerden dat er in Duitsland wederom duistere, angstwekkende dingen aan de hand waren.

Nu was de aanblik van West-Duitsland in deze jaren ook niet bepaald om vrolijk van te worden. Het terrorisme van de Rote Armee Fraktion (RAF) had geresulteerd in een groot aantal draconische maat regelen, waarmee de regering van so ciaal-democraten en liberalen trachtte het politieke radicalisme in te dammen. Bovendien werd de Bondsrepubliek door velen in het buitenland met argwaan bekeken, omdat nogal wat kopstukken uit het openbare leven en de bureaucratie hun carrière waren begonnen tijdens het Derde Rijk.

Voor wie weinig heil zag in het afschieten van werkgeversvoorzitters of leden der magistratuur, en wie tevens geen affiniteit had met het gedachtegoed van de talloze maoïstische en trotskistische sektes of met het betonvlechtersproza van de officiële DDR-ideologen, viel het niet mee om lichtpuntjes te ontwaren. Gelukkig waren er nog altijd enkele vertegenwoordigers van het «andere» Duitsland. Zo was er bijvoorbeeld de journalist Günther Wallraff, die van binnenuit de praktijken van de ellendige Springer-pers aan de kaak stelde of het miserabele leven van illegale buitenlandse werknemers beschreef. En je had de maatschappijkritische schrijver Bernt Engelmann, die misschien geen literair genie was maar wel in romanvorm talloze misstanden in de Bondsrepubliek beschreef. Ook was er nog het antifascistische weekblad Die Tat, dat onvermoeibaar bleef onthullen welke rechter voor de SD had gewerkt, welk kamerlid ooit betrokken was bij het roven van joodse bezittingen, of in welke gemeente Adolf Hitler nog op de lijst van ereburgers stond.

Meer dan twintig jaar later blijkt het allemaal nog veel erger te zijn geweest. Van veel lieden die toen betrouwbaar leken omdat ze van nazistische smetten vrij waren, terwijl ze evenmin tot een communistische partij behoorden, staat inmiddels vast dat ze voor de Oost-Duitse geheime dienst hebben gewerkt. Günther Wallraff was Inoffizieller Mitarbeiter (IM) van het Ministerium für Staatssicherheit, kortweg Stasi. Bovendien zorgde hij ervoor dat de DDR-autoriteiten volledig op de hoogte bleven van de handel en wandel van zijn vriend Wolf Biermann, nadat deze kritische zanger het land uit was gegooid. Bernt Engelmann werd bij het schrijven van zijn boeken door de Stasi geholpen met geld en informatie, terwijl hij als voorzitter van het Verband deutscher Schriftsteller dissidente collega’s in de DDR de nuncieerde. En dat antifascistische blaadje Die Tat…? Inderdaad, volledig gefinancierd door de kameraden van drüben, evenals het linkse studentenblad Konkret.

Deugde er dan helemaal niemand in de Bondsrepubliek? Wie de boeken van de historicus en Stasi-expert Hubertus Knabe leest, waar deze voorbeelden aan zijn ontleend, zou dat bijna gaan denken. Twee jaar geleden publiceerde deze voormalige medewerker van de Forschungsabteilung des Bundesbeauftragten für die Stasi-Unterlagen (de zogenaamde Gauck-Behörde) een standaardwerk over de activiteiten van de Oost-Duitse geheime dienst in West-Duitsland, Die unterwanderte Republik. Met behulp van uitvoerige documentatie schildert Knabe hierin de verschillende manieren waarop de DDR trachtte de publieke opinie en politiek in de Bondsrepubliek te beïnvloeden.

Dit gebeurde onder meer door middel van lastercampagnes tegen prominente politici. Zo werd de SPD-topman én oud-communist Herbert Wehner ervan beschuldigd tijdens de oorlog verzetsstrijders aan de Gestapo te hebben verraden. Nu had deze voormalige KPD-politicus tijdens de stalinistische «zuiveringen» in Moskou wel degelijk kameraden verraden, maar dat argument kon de Stasi bezwaarlijk hanteren, aangezien de oprichters van de DDR, Pieck en Ulbricht, niet anders hadden gedaan. Dat Wehner mensen zou hebben verklikt bij de Gestapo was echter een flagrante leugen. Ook in de aanvallen op de CDU-politici Hans Globke en Heinrich Lübke bleek dat de slachtoffers tijdens de nazi-jaren weliswaar geen glorieuze rol hadden gespeeld, maar dat ze evenmin de grote oorlogsmisdadigers waren waarvoor ze door de DDR werden versleten.

Naast deze tegen personen gerichte campagnes en infiltratie in politieke en maatschappelijke organisaties waren de Oost-Duitsers ook niet te beroerd om ervoor te zorgen dat regelmatig joodse begraafplaatsen met hakenkruizen werden beklad. Hierdoor konden de DDR-media erop wijzen dat het nationaal-socialisme ten westen van het IJzeren Gordijn nog steeds springlevend was. Vandaar de noodzaak van die «antifascistische verdedigingsmuur» in Berlijn!

De emotionele bijeenkomsten waarmee onlangs werd herdacht dat diezelfde Muur veertig jaar geleden werd opgericht, zouden de indruk kunnen doen ontstaan dat de DDR in West-Duitsland altijd zeer argwanend en kritisch is bekeken. Voor de eerste jaren van de Duitse deling, toen de Koude Oorlog op zijn hoogtepunt was, klopt dat beeld zeker. Maar reeds enkele jaren na de bouw van de Berlijnse Muur werd een kentering zichtbaar. Werd Oost-Duitsland in de jaren vijftig nog aangeduid als «die Zone» en ging de afkorting DDR altijd vergezeld van het adjectief «zogenaamde», in de loop van de jaren zestig werd de bericht geving veel minder negatief van toon en werden de beschrijvingen van het toch wel exotische «andere» Duitsland gekenmerkt door een combinatie van verbazing en vertedering.

Uiteraard zijn er voor deze verschuiving in het DDR-beeld tal van oorzaken aan te wijzen, en mag niet worden vergeten dat de Zeitgeist in deze jaren een hip en progressief jasje droeg, maar dat de Oost-Duitse geheime dienst zijn uiterste best heeft gedaan om hierbij een handje te helpen, dat staat buiten kijf. Zo kon de Stasi in de Bondsrepubliek volgens Knabe rekenen op een legertje Inoffizieller Mitarbeiter van twintigduizend man. Deze IM’s sluisden niet alleen informatie door van West naar Oost, maar hadden tevens een werkzaam aandeel in de verspreiding van communistische propaganda.

Nu droeg niet elke IM evenveel bij aan het oppoetsen van het imago van de DDR. Een beroepsgroep die in dit verband wel van heel groot belang is, is uiteraard de journalistiek. Van journalisten wordt natuurlijk verwacht dat ze zeer kritisch zijn, dat ze angstvallig hun onafhankelijkheid bewaren en zich niet voor propagandistische karretjes laten spannen. Een mooie droom, die zelfs in een redelijk open, democratische maatschappij als de onze een illusie blijkt, aangezien de scheidslijn tussen journalistiek en commercie dikwijls vaag lijkt en sommige journalisten wel erg dicht tegen de politieke macht aan schurken. Dat de West-Duitse journalistiek, geconfronteerd met de DDR-dictatuur, het echter voor een groot deel heeft laten afweten, wordt duidelijk uit het nieuwste boek van Hubertus Knabe.

In Der diskrete Charme der DDR: Stasi und Westmedien beschrijft Knabe zeer uitgebreid hoe vooral de desinformatie- en spionageafdeling van de Stasi, onder leiding van de inmiddels legendarische Markus Wolf, West-Duitse journalisten gebruikte bij de bestrijding van de klassevijand. Een belangrijke rol was weggelegd voor de zogenoemde Kontaktarbeit, wat inhield dat de geheime dienst veelvuldig journalisten uitnodigde om reportages te komen maken en hen hierbij fêteerde als hooggeplaatste gasten. Niet alleen journalisten van regionale kranten of van een links sensatieblad als Stern, maar ook de redactionele top van het keurig liberale kwaliteitsblad Die Zeit. Als eind jaren zestig, begin jaren zeventig de contacten tussen West- en Oost-Duitsland worden «genormaliseerd», mogen westerse media ook correspondenten in de DDR stationeren. Hierbij gaan regering en media akkoord met beperkende voorwaarden die zo stringent zijn dat van normale nieuwsgaring en berichtgeving geen sprake is.

Waren vele journalisten tot op grote hoogte onkritisch ten opzichte van het Oost-Duitse regime, andere maakten zich regelrecht schuldig aan spionage. Vooral rond de SPD bewogen zich nogal wat journalisten die niet alleen zeer nauwe contacten onderhielden met prominente sociaal-democratische politici, maar die tevens kind aan huis waren in Oost-Berlijn. Nu was in de periode vóór de zogenoemde Ostpolitik van Willy Brandt en Egon Bahr openlijk politiek contact met de DDR nog taboe, en speelden met name enkele journalisten een belangrijke rol bij het totstandkomen van de diplomatieke betrekkingen, sommigen gingen echter veel te ver. Hetzelfde kan ook worden gezegd van een aantal politici, die bij het beslechten van interne partijvetes dankbaar gebruik maakten van door de DDR geleverd materiaal.

Terwijl verschillende extreem-rechtse groeperingen en blaadjes door de DDR werden gekoesterd en zelfs actief gesteund — zij vormden immers het bewijs van de «continuïteit» van het nationaal-socialisme — waren het vooral christen-democratische politici en rechtse media die door de Stasi onder vuur werden genomen. Hierbij werden de Oost-Duitsers gretig geholpen door tal van linkse journalisten. Zo werd in de jaren zestig Eugen Gerstenmaier, CDU-politicus en parlementsvoorzitter, slachtoffer van een lastercampagne die zo infaam was dat de man de politiek verliet. Minder succes had de Stasi bij zijn pogingen te bewijzen dat de gehate mediamagnaat Axel Springer een nazi was geweest. Voor linkse journalisten en de studentenbeweging maakte dit echter niets uit. Springer was tegen de DDR en voor de markteconomie, dus was hij een zwijn, wiens bedrijf «onteigend» mocht worden.

Toch waren het niet alleen «rechtse» krachten waar de Feindbekämpfung van de Stasi zich op richtte. Ook werden journalisten als IM of als Einflussagent ingezet tegen een links blad als de Tageszeitung, tegen linkse tegenstanders van de DDR en tegen dissidenten.

De boeken van Knabe hebben in Duitsland veel stof doen opwaaien. Diverse mensen die door hem worden genoemd, zijn inmiddels naar de rechter gestapt. In een enkel geval heeft deze beslist dat de persoon in kwestie niet als Stasi-agent mag worden gekwalificeerd omdat een dergelijke verbintenis niet zwart op wit staat. Dat is natuurlijk het grote probleem van Knabe en andere historici. Na de val van de Muur is ongelooflijk veel archiefmateriaal vernietigd en bo vendien worden de overgebleven dossiers in toenemende mate afgeschermd. Toen duidelijk werd dat een grote groep West-Duitse politici boter op het hoofd had, werden de restricties groter.

Er zijn mensen die beweren dat de boeken van Knabe hebben aangetoond dat de geschiedenis van de Bondsrepubliek herschreven moet worden. De invloed van de DDR op de binnenlandse politiek zou zo groot zijn geweest dat van alle politieke ontwikkelingen onderzocht zou moeten worden of de lange arm van de Stasi geen rol heeft gespeeld. Als concreet voorbeeld geldt dan de omkoping van het CDU-bondsdaglid Steiner in 1972, waardoor een motie van wantrouwen tegen de regering-Brandt werd verworpen. Verschillende critici stellen echter dat Knabe lijdt aan de veel voorkomende beroepsdeformatie van historici die zich bezighouden met geheime diensten. Onder de indruk van de geraffineerde activiteiten van hun onderzoeksobject overschatten ze nogal eens de uiteindelijke effectiviteit van al die spionage-, desinformatie- en lastercampagnes. Zo kun je je afvragen of de studentenbeweging in haar strijd tegen de Springerpers wel door de DDR moest worden aangemoedigd.

Deze kritiek neemt niet weg dat Der diskrete Charme der DDR een even belangrijk als verbijsterend boek is. Dat niet iedere journalist een onbaatzuchtige dienaar van «de Waarheid» is, is natuurlijk geen nieuws. Maar de mate waarin vooral zichzelf «progressief» en «kritisch» noemende journalisten zich hebben laten gebruiken door een dictatuur stemt niet erg vrolijk.

Blijft de vraag: waarom deden ze het? Dat een Oost-Duitser zwichtte voor het verzoek IM te worden, was natuurlijk niet vreemd. Weigering kon ernstige gevolgen hebben voor het privé leven en de carrière van de persoon in kwestie én diens familie. Maar waarom waren veel West-Duitsers zo gek? Voor een enkeling was het simpelweg het geld dat zeer aantrekkelijk was. Anderen dachten hun carrière op een hoger plan te brengen met de drüben voorgekookte «onthullingen». Maar voor de meesten waren het toch «ideële» motieven die de doorslag gaven. Echte, achttien karaats communisten waren er onder de West-Duitse journalisten maar zeer weinig. Bij de meesten speelde iets anders een rol.

In zijn dissertatie Nederland en de DDR heeft Jacco Pekelder de beweegredenen van Nederlandse pleitbezorgers van de DDR herleid tot een drietal «antistemmingen». De overwegend uit linkse partijen afkomstige voorstanders van erkenning van de DDR waren volgens Pekelder anti-establishment, anti-Koude-Oorlog en anti-West-Duits. Veel linkse mensen in de Bondsrepubliek en Nederland zagen in de DDR helemaal geen heilstaat, maar wel een geduchte vijand van reactionaire, oorlogszuchtige krachten in het Westen. En als je de oudere generatie eens flink op de kast wilde jagen, dan was niets zo effectief als het maken van avances naar communistische regimes. Bovendien was vanaf de jaren zestig tot eind jaren tachtig weinig zo beladen als de term Koude Oorlog. Velen vonden de gespannen verhouding tussen de twee supermachten veel erger dan het feit dat aan gene zijde van het IJzeren Gordijn miljoenen mensen werden onderdrukt en vervolgd. Bij het streven naar toenadering tot het Oostblok, en naar stabiliteit in het machtsevenwicht werd gemakkelijk vergeten dat men te maken had met totalitaire dictaturen. Ook in dit opzicht was er nauwelijks verschil tussen Nederland en de Bondsrepubliek.

Zelfs wat betreft het anti-West-Duitse sentiment in Nederland is er een duidelijke overeenkomst met veel linkse mensen in de Bondsrepubliek. Wat Nederlanders ergerde was vooral de vermeende continuïteit van het nationaal-socialisme. Het «bruine» verleden zou in West-Duitsland niet echt zijn verwerkt en onder de oppervlakte nog altijd doorwerken. Dit was ook de veel gehoorde klacht van de West-Duitse «generatie van 68».

In al deze zaken werd de DDR dan misschien niet gezien als lichtend voorbeeld, maar wel als bondgenoot: de vijand van mijn vijand is mijn vriend. Een nogal kortzichtige, stompzinnige opvatting die op den duur nooit is vol te houden. De erkenning van deze «inschattingsfout» valt velen nog altijd te zwaar.

Hubertus Knabe, Der diskrete Charme der DDR: Stasi und Westmedien.

Uitg. Propylaën Verlag, 505 blz., ƒ66,70. Die unterwanderte Republik is nu ook verkrijgbaar als Ullstein Taschenbuch, DM 19,46.