‘het water stroomde maar’

Nescio, Verzameld werk. Nijgh & Van Ditmar/G.A. van Oorschot. Gebonden, in cassette, â175,- in twee delen, 1416 blz., â175,-. Bezorgd door Lieneke Frerichs.
O, NESCIO! Mm, Nescio! Jottum, Nescio! Zelfs de meest verzuurde zuurpruim in de vaderlandse letteren krijgt rode konen van opwinding als de naam valt van de schrijver van (in de eerste plaats) De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje.

Slechts hoogst zelden reageert men terughoudend op Nescio, die als een van de zeer weinigen niet alleen het voorrecht geniet op grote hoogte te staan, maar daar zelfs te mogen blijven, onaangetast door veranderende voorkeuren en kortstondige grillen van de literatuur. Nescio staat boven de mode, en zijn werk weerstaat met soepel gemak de tand des tijds.
Nu het Verzameld werk is verschenen, in een ongekend eendrachtige samenwerking van de uitgeverijen Nijgh & Van Ditmar en Van Oorschot, zou er wellicht verandering kunnen komen in de ingesleten opvatting dat Nescio ‘slechts’ de schrijver is van drie meesterlijke verhalen. Maar waarschijnlijk komt die verandering er niet. Waarschijnlijk blijft Nescio 'slechts’ de schrijver van Dichtertje, Titaantjes en De uitvreter. Want uit de overige, bijna duizend, pagina’s blijkt vooral dat hij eigenlijk alles wat hij te zeggen had, al had gezegd in dat klassieke drieluik, en op zijn allerbest.
Het Nagelaten werk bestaat uit voorstudies, oefeningen, varianten en snijresten, alle in de marge van de drie 'grote’ verhalen. Maar voor de echte liefhebber (waarvan er zoveel lijken te zijn) moet het een genot zijn om telkens opnieuw hetzelfde te mogen lezen.
Nescio’s Verzameld werk neigt naar een historisch-kritische uitgave (een vorm van publiceren waar vooral Duitsers bijzonder bedreven in zijn). Door het fabelachtige graaf-, spit en archiveerwerk van Lieneke Frerichs heeft de Nederlandse literatuur nu De Complete Nescio, een definitief monument voor de in 1961 overleden schrijver.
Een dergelijke bundeling van vrijwel alles wat hij ooit noteerde geeft Nescio vanzelf een plaats in de Galerij der Groten. Maar hoort hij daar? Zo'n groots en prachtig Verzameld werk wijst daar op, maar ik heb mijn twijfels.
NA DE UITVRETER, Titaantjes en Dichtertje volgen de verhalenbundels Mene Tekel en Boven het dal. Het Nagelaten werk besluit het eerste boek. Deel Twee voegt daar tenslotte het volumineuze Natuurdagboek aan toe. De literaire speurneus stort zich vanzelfsprekend op al dat werk dat nooit eerder werd gepubliceerd, in de hoop onvermoede schatten aan te treffen of vondsten te doen, die bekende feiten in een ander perspectief kunnen plaatsen. Of die nu worden gevonden of niet, zo'n Verzameld werk geeft in ieder geval een beeld van een schrijverschap, en plaatst het bekende werk in een bredere context. En het vertelt iets over de bewondering voor de auteur.
Nescio was een bescheiden schrijver, en een bescheiden mens. Hij maakte geen verre reizen, bezocht geen exotische oorden, leidde geen turbulent leven, voerde geen literaire strijd en hield zich in het algemeen verre van uitspattingen en extremen. In zijn jeugd was hij een bescheiden idealist, volgeling van Frederik van Eeden, later flirtte hij wat met Multatuli’s opstandigheid, maar bovenal lijkt hij een man van gematigdheid te zijn geweest, iemand die zich neerlegt bij de dingen zoals ze zijn. Een zeer Hollands man, dus.
Nescio bezat een grote liefde voor en enige kennis van de natuur - de Nederlandse natuur om precies te zijn. Of, om nog preciezer te zijn, de natuur in de vierhoek Ransdorp, Huizen, Breukelen en Nes, zoals op een handig kaartje van het eigen gebied weergegeven achter in Deel Twee.
Maar hoe serieus moet je die 401 pagina’s Natuurdagboek nemen? Blijkens de 110 bladzijden Verantwoording, Lijst van personen, Aantekeningen en Kaartje uiterst serieus. Maar ik weet het niet. Moet je misschien toch een verstokte, die hard-fan zijn voor: '5 Augustus. Zondagochtend, te vergeefs naar de Miepen (met bus tot driesprong). ’s Middags op het duin, pays de velours met witte wolken, zag er uit of het 1256 was. De 2 zilveren torenspitsen van Schagen op den horizon. ’s Avonds weer met bus naar Miepen, die nu thuis waren. Even daar geweest, toen heeft Miep me naar de driesprong gebracht, waar we 40 minuten op dien hoek hebben gewacht. Ik zat op de “stone of chastity” en keek naar die dichte rij populieren voor het duin.’ Met daarbij de volgende Aantekening:'5 augustus 1951driesprong: in Schoorl, ter hoogte van de Molenweg.pays de velours: (Fr.) fluwelen landschapde “stone of chastity”: (Eng.) de steen der kuisheid. - De titel van een roman uit 1940 van Margery Sharp.’
(Wel mooi hoor, twee leeslinten per band…)
IN NESCIO’S oeuvre is soms sprake van een bijna mystiek moment, wanneer de natuur zich op een indrukwekkende of verrassende wijze openbaart. Het is niet te zeggen of de schrijver ook naar dergelijke ervaringen op zoek is: het obsessief noteren van zijn wandelingen, uitstapjes, busreisjes en kopjes koffie lijkt niet een literair of 'spiritueel’ doel te hebben. Het komt eerder in de buurt van een dwangneurotisch vastleggen van het geziene, tot in de kleinste, voor de buitenwereld onbetekenende details.
Wat wilde hij ermee? Waren de aantekeningen, die de periode 1946-1956 beslaan, simpelweg bedoeld als dagboek? Meende Nescio door de hem omringende wereld omstandig en minutieus te beschrijven, vat te krijgen op zijn eigen plaats erin? Zijn drang steeds weer hetzelfde vast te leggen, zoals Harvey Keitel in de film Smoke elke dag een foto neemt van de straathoek waar zijn tabakswinkel staat, lijkt op een soort meedeinen in het ritme van de eeuwige kringloop der natuur. Alsof de mens Nescio, die weet dat hij een passief, onderworpen deel van de natuur is, het goddelijke in zichzelf trachtte te vinden, dat deel van de mens dat actief, heersend en scheppend is.
Het Natuurdagboek leest als een bezwering, als een poging grip te krijgen op het voortgaan van de tijd en de cirkelgang der seizoenen, als een niet aflatend trachten zichzelf een plaats toe te eigenen in dat (te) grote, (te) onbegrijpelijke universum. Het tweede deel van Nescio’s Verzameld werk is een monomane zang op het ritme van de ewige Wiederkehr des Gleichen. Zoals in De uitvreter staat: 'Het water stroomde maar, de zon scheen er maar in, honderd, duizend, honderdduizend maal. Voor tweeduizend jaar scheen de zon er al in en stroomde het water maar. God weet hoe lang al. Meer dan 700.000 maal was de zon sedert al opgegaan, meer dan 700.000 maal was i ondergegaan, al dien tijd had het water gestroomd. Hij werd beroerd van dat getal.’
In extenso wordt de wisselwerking beschreven tussen het menselijke in God en het goddelijke in de mens. De mens die zich, oog in oog met het zuivere Hollandse landschap, bijna geheel heeft losgemaakt van alle 'platte’, aardse, materiële beslommeringen - bij uitstek de elementen waar het eerste deel van het Verzameld werk om draait.
In het literaire werk is minder plek voor de natuur, de mystiek en God, en des te meer voor het kantoor, de romantiek en de jongens. Of je nu 200 pagina’s 'officiële’ Nescio leest, of 800 officieuze, de grondvorm blijft hetzelfde, evenals de stijl en de look & feel. Steeds weer draait het om de thematiek van de teloorgang van de jeugd. Wie jong is, bestormt de hemel, tot hij ouder wordt en zich begint neer te leggen bij de dingen zoals ze zijn. Jongens zijn opstandig (maar aardig), ze stürmen und drängen dat het een aard heeft, maar zijn na een paar jaar vanzelf uitgeraasd, en komen in een kalm burgerbestaan terecht. 'Een groot dichter zijn en dan vallen’, is een zich herhalend motief in Dichtertje. Wie hoog stijgt kan diep vallen, en dat is bij uitstek de romantische, roekeloze gedrevenheid van de titanische jongeling. Wie een dichtertje is, stijgt niet hoog en valt dus maar een klein beetje, zonder risico op serieuze verwondingen.
DIE VERKLEINWOORDEN, daar zit het ’m in: dichtertje, titaantjes. Het is het kleine, het (opzettelijk) onbetekenende, het bescheiden blijven. Dat is het thema dat Nescio zo'n groot schrijver heeft gemaakt: eigenlijk is het wel goed om gewoon te zijn, om vrede te hebben met het kleine. Want dat is de essentie van al die verhalen. Dat is het leven van Japi, Bavink, Koekebakker en de anderen. Dat is de onvermijdelijke conclusie na die jongenstijd vol hemelbestormingen, hartstochten en opstanden.
Gerard Reve zei ooit over Nescio: 'Het wezen van het schrijverschap is het inzicht van de schrijver, dat dat, waar het om gaat, nooit te beschrijven is, dat alle artistieke middelen, dus niet alleen die van het schrijverschap, maar inzonderheid die van het schrijverschap, gewoon te kort schieten, en dat het effect uiteindelijk berust op dat inzicht; als je iemand als Nescio neemt, de ontroering die hij teweeg brengt, berust op het besef, op een gegeven moment, van zijn onmacht: het zijn altijd die momenten dat hij een half woord zegt, en zegt: nou ja eh, en wat zeg je er verder van, die en die is later ook in de handel gegaan. Of als er gezegd wordt die en die werkt nou gewoon op een kantoor en die mag ’s middags als het zonnetje schijnt soms een uurtje gaan wandelen van zijn baas omdat hij Dante vertaald heeft (…): dat gebeurt er met de man die wat gevoelig is en met artistieke aspiraties die verwerkelijkt kunnen worden en dat is het beste wat hij hopen mag.’
STIJL EN ONTROERING. In haar uitgebreide Verantwoording schrijft Lieneke Frerichs over het opnemen van flarden en brokstukken: 'Deze onvoltooide stukjes lijken misschien op zichzelf minder van waarde, maar in het licht van de genese van het werk zijn ze boeiend: het zijn bouwstenen, die inzicht geven in Nescio’s schrijverschap. Ze zijn in dat opzicht te vergelijken met tekeningen uit het schetsboek van een schilder als Breitner. Daarnaast hebben wij gemeend bij een schrijver als Nescio niet voor het opnemen van fragmenten te moeten terugschrikken: Nescio is niet zozeer de man van de meeslepende plot, als wel een auteur met een groot en imponerend stilistisch vermogen, van wie ook een paar losse zinnen de moeite waard kunnen zijn. Hijzelf heeft in Boven het dal al het goede voorbeeld gegeven door enkele stukjes op te nemen die hem, naar eigen zeggen, “eigenlijk te fragmentair om te drukken” leken, maar die hij niettemin “graag bewaard zou zien blijven, omdat ik vind dat ze zoo lekker geschreven zijn”. Wij hebben ons bij die mening van harte aangesloten.’
Van een meeslepende plot is inderdaad geen sprake in De uitvreter etc., wel van een groot stilistisch vermogen, hoewel 'imponerend’ hier vrij zwaar aangezet lijkt voor een stijl die meestentijds lichtvoetig, transparant en geestig is. Nescio vindt in zijn manier van schrijven een voor de lezer weldadige balans tussen de luchtige, parlando vertelling en de melancholieke, maar zelden cynische of verbitterde bespiegeling. De handelingen van zijn beminde personages gaan vergezeld van wereldbeschouwelijke uiteenzettingen in de vorm van dialogen, en min of meer filosofische mijmeringen van de verteller.
Nescio’s stilistische vermogen is vooral de gave de lezer in een weldadige, gemoedelijke toestand te brengen en hem als een schoolziek kind te verwennen met warme kruiken, stiekeme snoepjes en een cadeautje op zijn tijd. Nescio lezen is je koesteren in een donzen dekentje van fijnzinnig Nederlands, je tevreden nestelen in een onschuldig gevoel van nostalgische ontroering.
Dat wordt mede opgewekt doordat steevast het verleden als voltooid wordt beschreven: we waren jongens, we zouden dit of dat, maar we hebben uiteindelijk zus of zo gedaan. Het verleden is afgesloten, definitief voorbij. De wilde haren zijn weg. Ofwel: 'Wat we eigenlijk zouden doen is ons nooit duidelijk geweest. Iets zouden we doen. Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wilde afbreken. Ploeger wilde zijn baas z'n eigen klokken laten inpakken en er bij gaan staan met een sigaar in z'n hoofd en vloeken op die kerels die nooit iets goed konden doen. Eens waren we ’t, dat we “eruit” moesten. Waaruit, en hoe? Eigenlijk deden we niets anders dan praten, rooken, drinken en boeken lezen.’
Later, terugkijkend op die tijd, noteert Koekebakker in een vlaag van inzicht: 'En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie ’t water stroomen, voortdurend stroomen naar ’t onbekende. En ’t onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor den wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid, dat dit alles bestaat, omdat ik ’t zoo verkies te denken. En ik ben dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan en voel mij God, de oneindigheid zelf.
Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.’
Het verschil tussen de twee citaten, daar gaat het om. Het verschil tussen toen en nu. En om dat 'in ootmoed’.
NESCIO IS een typische Nederlander. En waarschijnlijk ligt daar ook de kern van alle bewondering: Nescio’s werk is een ode aan de berusting, de ootmoed, het kleine en gewone, het tevreden zijn met wat je hebt. Door Nescio te lezen, van zijn proza te genieten, en door hem te omarmen, kan men vrede hebben met de eigen matigheid en een bevestiging vinden voor het eigen gewone bestaan. In plaats van gefrustreerd te zijn over de eigen lafheid en halfhartigheid, in plaats van zichzelf slap en zwak te vinden en voortdurend gebukt te gaan onder het knagende besef dat men het anders, beter, grootser had moeten doen, vindt men nu bij Nescio een berustende, wetende glimlach, die het verleden het verleden laat, het bijzet in de vitrine met souvenirs uit dat andere leven - dat jongensleven. Nescio legitimeert zodoende de verburgerlijking.
Door Dichtertje, Titaantjes en De uitvreter hoeft men geen spijt te hebben van de teloorgang van de eigen jeugd of de keuze tégen het dichter-, uitvreter- of titaantjesschap, de eigenlijk zo verfoeilijke keuze vóór het leven van 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’. Men is burgerlijk geworden, maar wat dan nog? Want vroeger, jongen, vroeger… Wie vroeger een Titaan(tje) is geweest, hoeft nu eigenlijk niets meer te doen.