Kort zomerverhaal

Het waterpolo-incident

Het was tijdens een familiair partijtje waterpolo dat ik mij met een schok realiseerde dat mijn nieuwe grote liefde niet het lentebriesje was waarvoor ik haar had gehouden, maar eigenlijk veel meer een verknipte straathond.

Misschien mankeerde er wel iets aan mijn waarnemingsvermogen, maar op dat specifieke moment in dat zwembad voor dat veel te luxe kasteel in Toscane, met rondom zitjes die waren gevuld met haar vakantie vierende familieleden, kon ik even geen andere reden bedenken waarom zij haar neef anders zo schandalig tegen zich tekeer liet gaan.

Ik lag in de vrije zone.

Ik lag al heel lang in de vrije zone.

Al een half uur eerder had ik mij van mijn tegenstander los gezwommen en was ik in de vrije zone van het zwembad terechtgekomen. Als een van haar neven de bal naar mij zou gooien, zou ik vrij gemakkelijk een doelpunt kunnen maken. Toch kon ik het niet opbrengen om naar hen te zwaaien en te roepen dat ik de bal graag wilde hebben.

Het begon tot me door te dringen dat de neef van mijn nieuwe grote liefde haar niet had uitgenodigd om de familiebanden aan te halen. Ik had dit al kunnen zien aan de paniekerige wijze waarop hij de sauna alsnog aan de praat probeerde te krijgen, nadat zich daar op de eerste ochtend van ons verblijf een ontploffing had voorgedaan. Nu zag ik het aan de slappe balletjes die hij steeds vlak voor haar in het water liet ploffen en de wijze waarop hij daarna op haar dook om haar aan te randen.

Telkens wanneer zij even boven water kwam om van de behandeling bij te komen, keek ze, terwijl ze haar bikini fatsoeneerde, even vlak en emotieloos naar mij, en wat ze zag was een man die door zijn persoonlijkheid in de steek was gelaten en die het in zijn kinderachtige vrije zone bovendien behoorlijk koud had gekregen.

…..

Thuis heb ik een stoepje. Eigenlijk is het meer een plateautje op de eerste verdieping van de buitentrap. Als ik wakker word, ga ik daar vaak op zitten. Mensen die komen langsgefietst, kijken altijd met iets van jaloerse ergernis omhoog. Daar zit die vent weer, lijken ze te denken, hij hoeft niet naar zijn werk, hij hoeft ook nergens anders naartoe, als anderen zich inzetten voor deze of gene zaak, gaat hij een beetje op zijn stoepje zitten.

In werkelijkheid probeer ik op dat stoepje al weken koortsachtig een antwoord te vinden op de vraag hoe ik erin ben geslaagd om Emma in een tijdsbestek van enkele maanden tot de uitspraak te laten komen: ‘Sorry, maar ik kan je niet langer zien als een autonoom persoon.’ Vooral ook omdat de aanvangssituatie nog zo gunstig was geweest: de eerste weken ging ik nog als ‘buitengewoon authentiek’ door het leven.

Ik denk nu: zoiets gaat niet in een dag. Zoiets gaat ook niet in een week. Het is een langzaam, moeilijk aan de oppervlakte te brengen proces, dat geleidelijk aan steeds meer van de persoonlijkheid wegvreet. Vlak voor de definitieve ineenstorting van het karakter heeft het slachtoffer soms nog een korte, felle opleving van de persoonlijkheid, zoals zieken vlak voor hun dood ook vaak nog een goed weekend hebben, als om nog helder afscheid te kunnen nemen.

Ik had Faust gelezen, ik had een fausterig motief in een boek gestopt dat al af was, ik had de uitspraak van Umberto Eco in mijn oren geknoopt dat een boek de schrijver maakte en niet andersom, en toch, zo realiseerde ik mij op mijn stoepje, had ik doodleuk mijn eigen verhaal nageleefd, was ik onder invloed van iets geraakt, had ik dat iets in huis genomen, aan de borst gedrukt en was ik ermee op vakantie gegaan. En dat iets, dat deugde niet.

Ik heb overigens geen afscheid genomen.

Er is afscheid van mij genomen.

En misschien, denk ik nu, is de kiem voor dat afscheid wel gelegd tijdens die merkwaardige woensdagmiddag dat ik Emma op mijn bed vond, liggend op haar buik, het betraande gezicht in de kussens gedrukt. ‘Ik voel niks’, riep ze, ‘ik voel niks, ik voel niks.’ Toen had ik natuurlijk meteen moeten zeggen: ‘Dan ga je maar fijn naar huis met die verwende kop.’ Maar dat deed ik niet. Ik liet haar geduldig uitpraten en probeerde vervolgens een goed gesprek te beginnen – en op dat moment begon vermoedelijk alles in mijn nadeel te verschuiven, want dat was het moment dat ik mezelf begon te veinzen: ik, Peter, wat er ook aan de hand is, geen paniek, práát gewoon met mij.

Halverwege het gesprek vroeg ze: ‘Maar wat heb ík er dan aan om met jou te zijn?’

‘Nou’, antwoordde ik, en pauzeerde meteen even, want ik wilde voorkomen dat ik als een sollicitatiebrief zou klinken, ‘ik kan je bijvoorbeeld helpen om geen cliché van jezelf te worden.’

Ik wist niet wat het betekende, ‘een cliché van jezelf’, en ik zag aan haar ogen dat Emma ook geen flauw benul had van de betekenis van mijn woorden en toch schrokken we allebei – kennelijk hoef je iets niet altijd te begrijpen om toch zeker te weten dat het geen prettig vooruitzicht is.

Het was een schijnoverwinning. Het betekende niets, ik had er vooraf ook geen seconde over nagedacht, en het lag ook niet voor de hand dat ik me ooit in eenzelfde situatie met een vergelijkbare opmerking uit de prut zou kunnen praten. Nee, ik had een Peter geschapen die ik niet begreep en die ik ook niet zou kunnen herhalen, maar waarop nog vaak en tevergeefs een beroep zou worden gedaan.

Deze Peter vond alles goed, vond alles leuk en aardig, en had nergens problemen mee. Toen zijn vriendin voorstelde om de vakantie samen door te brengen met haar familie in een luxe kasteel in Toscane, met dertig familieleden om precies te zijn, het verblijf zou zeven dagen en zeven nachten duren, zei hij dat hij het een leuk voorstel vond.

…..

Het kasteel luisterde naar de naam Tarturo del Truffo, wat volgens mij zoiets betekende als ‘het huis van de truffel’, en er waren eigenlijk twee grote gezinnen in samengekomen. De connectie tussen het gezin van Emma en het andere was haar vader, de oom van de neven.

Het moest een bijzondere man zijn geweest, iedereen sprak met ontzag en respect over hem, en misschien kwam dat wel omdat hij op het hoogtepunt van zijn leven en persoonlijkheid, toen de jongere generatie nog puberde, plotseling was verdwenen. Het laatste wat men van hem had vernomen, was dat hij in 1986 in Zuid-Afrika een keten kledingwinkels had proberen op te zetten. Na zijn plotselinge vertrek was het contact tussen beide families in het slop geraakt.

Aan de ene kant had je de familie Schoonhoven: een moeder, een enkel kleinkind en vier mooie dochters, onder wie Emma, de oudste, slimste en meest prikkelende van het stel; sinds acht maanden was zij mijn nieuwe grote liefde.

Aan de andere kant had je de familie Berends. Alles aan deze familie was ex, half en stief – het enkele stel dat nog wel samen was, stond op het punt de relatie te verbreken vanwege overspel, verveling en desinteresse.

De familie Berends bestond voornamelijk uit mannen van tegen de veertig. Lichamelijke mannen. Ze hadden een fortuin vergaard met de handel in rubberen haarstukjes voor pubermeisjes. Met dat geld schaften zij zich een enorm groot landhuis aan in Toscane, hoog op een berg. Tweeënhalf jaar werkten zij vervolgens aan dat huis: ze haalden stukken land weg om een prachtig zwembad aan te leggen, bouwden muren en piazza’s, dinerkamers en sauna’s en hieuwen comfortabele loungehoeken uit middeleeuwse wanden. In de wijde omtrek bleef in deze jaren geen bed onbeslapen.

Toen ze van de familie Berends besloten dat het werk gedaan was, dat het kasteel klaar was om in gebruik te nemen, toen er Italiaanse chefs waren om het eten te bereiden, meisjes om de troep op te ruimen en ‘Pooltjes’ om het gras te knippen, toen de koelkasten uitpuilden van de goede wijnen en grappa’s en de Toscaanse zon het landhuis dreigde te gaan beschijnen, moeten deze mannen hebben gedacht: goed, we hebben alles: een kasteel, zon, cocktails, luxe waterpolobenodigdheden, maar wat we niet hebben is een stel lekkere wijven voor aan het zwembad. Hadden wij niet nog ergens een stuk of vier nichtjes? En wordt het niet eens tijd om het contact te herstellen?

Ik zal eerlijk zijn: dit is mijn analyse van de onderliggende oorzaken van het drama dat zich in mijn laatste vakantie heeft afgespeeld. Ik weet zeker dat mijn nieuwe grote liefde met een ander gevoel het avontuur is ingestapt. Voor haar zweefde haar verdwenen vader boven de bijeenkomst, zij moet hebben gevoeld hoe zij eindelijk een stuk van haar leven terugkreeg, een stuk waar ze recht op had, ik bedoel: ik ben empathisch genoeg om te begrijpen dat zij die hele week de aanwezigheid van haar vader heeft gevoeld en deze wilde vieren met de verloren neven van de familie Berends. Maar dan ziet ze over het hoofd dat er tijdens het waterpolo dingen gebeurden die niets met waterpolo te maken hadden.

…..

In de auto onderweg naar Tarturo del Truffo had ik nog een korte opleving van mijn karakter, we gingen dan ook nog even erg leuk met elkaar om, maar op het moment dat we uit de auto stapten en de oprijlaan van het kasteel betraden, raakte ik niet alleen mezelf, maar ook mijn vriendin kwijt.

Zij werd hartelijk opgenomen in de gezelligheid, die zich overal waar je maar keek en kwam hardnekkig manifesteerde, op mijn aanwezigheid werd met teleurstelling gereageerd. Achteraf vallen de puzzelstukjes natuurlijk in elkaar. Kan men de blikken van verstandhouding die de neven uitwisselden zodra ze mij zagen, interpreteren als het woordeloos groeien van een cordon sanitaire, toen begreep ik dat allemaal nog niet, toen liep ik schaapachtig achter Emma aan, zonder te weten wat ik tegen wie moest zeggen of waar ik mezelf naartoe moest brengen.

Ik probeerde me zo onzichtbaar mogelijk te maken, mij zoveel mogelijk achter boeken, kamerschermen en parasollen te verbergen, een goed idee leek dat indertijd, maar nu moet ik toch toegeven dat ik daarmee alleen maar meer aandacht op mijn ongelukkige aanwezigheid vestigde en zodoende niet alleen voor mijn vriendin, maar eigenlijk voor iedereen de sfeer onder druk heb gezet.

‘Peter’, zei ze dan ook al op de tweede dag, en de toon verraadde dat mijn vakantie wat haar betrof met de rest van het geplande verblijf bekort kon worden. ‘Wat is het precies dat je niet leuk vindt?’ Ze draaide een kwartslag op haar voeten en ontsloot met een enigszins dramatisch armgebaar het uitzicht op de Toscaanse heuvels en dalen, waarop het vanaf onze positie in Tarturo del Truffo zo prachtig uitkijken was. ‘Is het misschien het landschap dat je irriteert?’

Natuurlijk was Toscane mooi. Alles glooide, was rond, fris en groen. Als je op een heuvel stond, en dat deden we de hele tijd, kon je verder kijken dan je ooit voor mogelijk had gehouden. Maar het landschap was het probleem niet. Ik was het probleem. Er was iets met mij gebeurd dat nog niet eerder met mij was gebeurd en ik begreep niet wat het was dat ervoor zorgde dat er al dagenlang geen woord meer uit me kwam, dat ik geen enkele zin meer tot een goed einde wist te brengen.

Achteraf kun je zeggen: je hebt jezelf ingeleverd, weggesmeten, volkomen te grabbel gegooid. Maar op dat moment was ik mij er nog niet eens van bewust dat zoiets kón, dat het überhaupt mogelijk was dat je karakter in enkele weken als grondwater uit je weg kon zakken, zodat er alleen maar een lege, hulpeloze huls van je overbleef. Laat staan dat het al was gebeurd. Dat iedereen het had gezien.

‘Is het soms het mooie weer dat je dwarszit?’ vroeg ze. ‘Zijn het je leeftijdgenoten in het zwembad? Zijn het de cocktails, de boeken die je overal op ligstoelen kunt lezen, of zit je soms in je maag met de aanwezigheid van je lieve vriendinnetje, met wie je kunt wandelen, lachen, steden bezoeken, zoveel seks kunt hebben als je maar wilt?’

Ze pauzeerde even, keek mij aan, stralend fit en uitgerust, en zei toen: ‘Zeg het maar, want ik weet het echt niet meer – wat denk je: ga je dit nog leuk vinden?’

Ik produceerde een verongelijkt geluidje, het was tijdens deze vakantie dat ik erachter was gekomen dat gedachten ook konden stamelen, en haalde toen nog maar eens mijn schouders op.

Mensen die hun persoonlijkheid zijn kwijtgeraakt, die zichzelf volkomen te grabbel hebben gegooid, mensen van wie helemaal niets is overgebleven, hebben eigenlijk een mentale afranseling nodig om te kunnen zien waar ze mee bezig zijn.

Ik heb die afranseling uiteindelijk ook gekregen.

Sindsdien zie ik mezelf ook wel lopen over de trappen en piazza’s van Tarturo del Truffo, energieloos voortsjokkend in een wolk van wanhoop zo dik dat niemand zich nog in mijn nabijheid durfde te wagen; als ze dat al hadden gewild natuurlijk, wat niet zo was. Maar op het moment zelf werd ik volkomen in beslag genomen door de kwellende behoefte aan een aai over de bol.

Het is pijnlijk om toe te geven, ik heb er veel voor over om te zorgen dat het nooit meer gebeurd, ik zal de signalen en kenmerken en bijbehorende gevoelens en gedachten de volgende keer snel herkennen en de boel met drastische maatregelen verhelpen, maar nu wist ik niet wat er aan de hand was, nu was er geen land meer met mij te bezeilen, ik hing met tegenzin in mijn gestel en ik deed niet eens moeite om mezelf een houding te geven – ik was één en al armen en benen en tanden – en ik keek smekend naar mijn nieuwe grote liefde, de grootste die ik in mijn leven had gekend, en ik zag walging in haar ogen – walging over zoveel zwakte – en ik zag dat ze bijna van mij moest overgeven.

Nietzsche zei: ‘Iemand kan niet lang in een afgrond kijken zonder dat die afgrond ook in iemand zelf kijkt.’ Ik zei: ‘Ah toe nou poppetje, je vindt me toch nog wel lief?’

‘Nou’, zuchtte ze. ‘Wat ga je doen?’

‘Misschien’, zei ik, ‘dat ik dan straks wel wil meedoen met het waterpolo.’

‘Goed dan’, zei ze. ‘Waterpolo.’ En ze draaide zich om en liet mij in mijn nieuwe zwembroek bij een parasolletje staan.

…..

Tijdens mijn studententijd heb ik een paar jaar op waterpolo gezeten. Als je zegt dat je op waterpolo zit, wordt je vaak gevraagd, vooral door leuke meisjes in het café: ‘Moest je dan ook zo’n mutsje op?’

Ja, knik je dan, je moest inderdaad zo’n mutsje op, bij de wedstrijden tenminste, de trainingen werden zonder afgewerkt. Hierna krijg je eigenlijk geen verdere vragen meer. De jongens mompelen nog wel eens iets over dat het een zware sport moet zijn, de meisjes staan met beoefenaars van andere sporten te praten.

Het ging er nogal wreed aan toe bij dat waterpolo. De trainingen stonden onder leiding van coach Kiezewski, een oude sovjetRus, gevlucht in een tijd dat het eigenlijk al niet meer nodig was, een man uit één stuk, die rook naar rode-bietensoep en realisme, en een haast fysieke afkeer van andermans vermoeidheid had. Na een paar maanden flink oefenen wist ik het grootste deel van de wedstrijden wel boven water te blijven, al moest ik het toch nog vaak goed vinden dat er over mij heen werd gezwommen als ik even in balbezit was.

Het grootste probleem tussen mij en het waterpolo bleek uiteindelijk: ik kwam niet tot scoren. Nu kwamen mijn teamgenoten ook niet erg tot scoren, en die van de tegenpartij vaak ook niet, eigenlijk was het een nogal doelpuntloze competitie die we onderhielden, en toch kon ik er niet goed tegen. Al dat zwemmen en ploeteren en onder water geduwd worden, al dat fysieke geweld en al die uitputting leken mij in dienst van doelpunten te moeten staan. Maar in mijn team stond ik alleen in deze opvatting. Mijn teamgenoten vonden alles om de doelpunten heen juist zo aantrekkelijk aan de sport. Na enkele seizoenen was ik behoorlijk breed geworden, kon ik een aardig potje zwemmen, maar zag ik van verdere deelname aan het waterpolo af.

Nu, op Tarturo del Truffo, dacht ik: een paar weken geleden heb ik met mijn beheersing van de vlinderslag nog indruk gemaakt op mijn vriendin, aan een potje waterpolo kan ik mij geen buil vallen.

Ik schuifelde naar het zwembad en liet mij zo onopvallend mogelijk in het water glijden. Machiel, de geilste neef, deelde Emma niet bij zijn eigen partij in, maar bij de tegenpartij, en maakte die tegenpartij zo verschrikkelijk veel sterker dan zijn eigen partij dat hij er absoluut zeker van kon zijn dat hij niets anders hoefde te doen dan de hele tijd zijn zogenaamd verdedigende acties op mijn nieuwe grote liefde te voltrekken.

Al vrij vroeg in het begin van de wedstrijd had ik mij van het kluitje weggezwommen en was ik in de vrije zone terechtgekomen.

Een half uur lang keek ik naar de schandelijke schermutseling van welke het begeerlijke lichaam mijn vriendin het middelpunt vormde. Ik begon over mezelf na te denken als iets dat in de weg stond. Ik lag verlamd en verslagen in het water en ik dacht: ik weet niet met wie of wat ik op vakantie ben gegaan, een lentebriesje is het niet.

Toen kwam het moment van het oogcontact met mijn vriendin, het moment dat zij de haren uit haar gezicht streek, haar bikini fatsoeneerde, vlak en emotieloos naar mij begon te kijken en een man zag die klappertandde, beefde en angstig uit zijn ogen keek.

‘Hé Peter!’ riep Machiel, ‘wat ben jij eigenlijk helemaal aan het doen?’

Hij stond vlak achter Emma, de bal in zijn handen, en blijkbaar kon hij er niet goed tegen dat zij haar gedachten ook maar even op mij bepaalde, ook al waren het de laatste, definitieve seconden, waarin ik in haar de beslissing zag groeien dat ik zo snel mogelijk van het terrein van Tarturo del Truffo moest worden verwijderd.

…..

De anderen waggelden lacherig naar de ligstoelen en grapten nog wat na over het spel, ik klom uit het water en zocht mijn weg naar onze kamer om onder de warme douche weer enigszins op temperatuur te komen.

Ik stond al zo’n twintig minuten onder de douche, maar klappertandde nog steeds, toen Emma het badkamertje binnenkwam. Ze keek naar me met een blik die zich lastig laat beschrijven: er zat verbazing in, iets van afkeer ook; ze zag iets dat ze liever niet wilde zien.

‘Kom je ook?’ vroeg ik ook nog. ‘Het water is lekker warm.’

Maar Emma had het helemaal niet koud, ze had een half uur intensief de waterpolosport beoefend. Ze had meer behoefte aan leuke kleren om aan te trekken, want zo meteen werd de gezelligheid voortgezet in de grote keuken: onder leiding van een echte Italiaanse chef zouden we pizza’s leren bakken met de hele club. Daarna zou er een bonte avond volgen en zou er tijdens een spelletje dieren imiteren overigens nog van mij worden verlangd dat ik een orang-oetan uit zou beelden.

Ze had al een jurkje gevonden waarin haar figuur mooi uitkwam, maar dat kostte haar nooit veel moeite. Ze wreef de condens van de badkamerspiegel om haar lippen te kunnen stiften. Toen ze daarmee klaar was, zei ze: ‘Ik weet niet of ik het wel kan, een relatie met jou.’

‘Nee’, zei ik.

Ze liet haar blik langs mijn kleumende lichaam glijden, er was ook iets van medelijden bij gekomen, niet zozeer voor mij persoonlijk, het was meer een vleugje metamedelijden voor de soort. Daarna begon ze haar ogen op te maken. ‘Maar ik wil je natuurlijk niet wegsturen’, zei ze. ‘Je mag zo lang blijven als je wilt.’

‘Dank je wel’, zei ik. ‘Maar dan wil ik morgen misschien toch wel graag naar huis.’

‘Jij kunt toch helemaal niet goed autorijden?’

Ze had gelijk. Ik was een gevaar op de weg. Van streek vermoedelijk nog erger dan gewoonlijk. Emma wist dat. Zelfs toen wij eens midden in de nacht in grote paniek naar het ziekenhuis hadden gemoeten – gekweld door hevige buikpijnen was zij in de keuken even haar bewustzijn kwijtgeraakt – had ze het niet aangedurfd om mij te laten rijden.

‘Nee’, zei ik dan ook. ‘Het zou op zich veiliger zijn om samen terug te gaan.’

Maar Emma kon goed uitleggen waarom samen teruggaan geen optie was, de gebeurtenis was te eenmalig en uitzonderlijk om zomaar in de steek te kunnen laten – ‘Ik zie mijn neef anders nooit.’

‘Nee’, zei ik. ‘Nee.’

‘Nee’, zei Emma. Ze legde een hand op de klink van de badkamerdeur. Over enkele seconden zou ze de kamer verlaten en naar buiten lopen, want buiten wachtte het restant van haar vakantie met een smartelijke erectie op haar, maar nu draaide ze zich voor de laatste keer naar me om en zei: ‘Sorry hee. Er waren ook dagen dat het wel leuk was.’

Dit is een niet eerder gepubliceerd verhaal. Peter Middendorps meest recente verhalenbundel heet Eerst had ik een leuke vriendin_, Uitg. Prometheus_