DE BANKIER VAN GOD

Het web van Roberto Calvi

Een bijna drie jaar durend proces over de moord in 1982 op ‘Gods Bankier’ Roberto Calvi heeft alleen maar meer vraagtekens opgeroepen. De kans dat de waarheid over Calvi’s einde boven tafel komt is minimaal.

De dood komt soms als geroepen. Bijvoorbeeld die van de Amerikaanse aartsbisschop Paul Marcinkus, van 1971 tot 1989 de bewindvoerder van het Istituto per le Opere Religiose, de centrale bank van het Vaticaan. Marcinkus overleed begin 2006, enkele maanden na het begin van het proces, in Rome, tegen vijf verdachten van de moord op Roberto Calvi. Marcinkus nam vele geheimen in zijn graf mee. ‘Wat had ik die man graag geïnterviewd’, verzucht de Engelse journalist Philip Willan, schrijver van het boek The Last Supper: The Mafia, the Masons and the Killing of Roberto Calvi. Onder Marcinkus’ leiding werd het ior een speler van formaat op de financiële markten. Calvi was voorzitter van Banco Ambrosiano, destijds Italië’s grootste particuliere bank, waarvan het ior de voornaamste aandeelhouder was. Vast staat dat Marcinkus samen met Calvi geldstromen regelde naar belastingparadijzen als de Kaaiman-eilanden. De ambitieuze Calvi onderhield innige relaties met de Italiaanse georganiseerde misdaad en sluisde bijvoorbeeld via de ior-kanalen inkomsten uit de drugsindustrie het land uit.

Willan beschrijft in The Last Supper – een boek waaraan hij drie jaar werkte – zeer gedetailleerd de ongelooflijke carrousel van subversieve financiële activiteiten die door Calvi draaiende werd gehouden. ‘Calvi tekende zijn doodvonnis toen Banco Ambrosiano begin jaren tachtig tegen het faillissement aanhikte. Hij schreef dreigbrieven aan onder meer de paus om geld los te weken teneinde de ondergang van zijn bank te verhinderen’, zegt Willan. Wat zijn boek – zeker zo spannend als The Da Vinci Code, maar veel ingewikkelder – aan dwarsverbanden blootlegt, tart het verbeeldingsvermogen. Zich baserend op eigen speurwerk en getuigenverklaringen tijdens het proces maakt Willan aannemelijk dat de illegale geldstromen van het Vaticaan en Banco Ambrosiano niet alleen werden gebruikt in de internationale wapenhandel en covert operations van de Amerikaanse geheime dienst, maar ook voor de financiering van de veelgeroemde Vaticaanse bijdrage aan de val van het communisme via ondersteuning van de Poolse vrije vakbond Solidarnosc.

De complexiteit van Calvi’s operaties heeft de Romeinse openbare aanklager Luca Tescaroli in elk geval te veel hoofdbrekens gekost. Vorig jaar zomer leverde het in oktober 2003 begonnen proces vrijspraak op voor vijf verdachten, van wie drie maffiosi van de tweede garnituur.

Tescaroli had een vrijwel onmogelijke taak. Er was te veel tijd verstreken, te veel bewijslast en getuigen waren verdwenen. Toen Calvi op 18 juni 1982 bungelend aan een strop aan een steiger onder Blackfriars Bridge werd aangetroffen, concludeerde de Engelse politie meteen zelfmoord. Dat eerste onderzoek was van een onthutsende onzorgvuldigheid. De steiger en de bij het lichaam gevonden bezittingen werden niet gecontroleerd op vingerafdrukken. Ook werd het feit dat Calvi’s lichaam verzwaard was met een aantal bakstenen in het kruis van zijn broek niet als aanwijzing gezien dat er wellicht meer aan de hand was. ‘Het Engelse onderzoek werd gekarakteriseerd door nalatigheid en onvolledigheid’, stelt het vonnis van de Romeinse rechtbank.

Door vasthoudendheid van Calvi’s familie, met name van Calvi’s zoon Carlo, die er van meet af aan van overtuigd was dat zijn vader was vermoord, werd de zelfmoordtheorie pas jaren later verworpen. De familie had meer dan één reden om de Londense bevindingen aan te vechten. Calvi had een levensverzekering van tien miljoen dollar, die niet zou worden uitgekeerd in geval van zelfmoord. Pas in 2002 werd na opgraving van het lijk van Calvi en nieuw forensisch onderzoek officieel geconcludeerd dat de bankier was vermoord. Gewapend met dat gegeven besloot het parket van Rome de strafzaak te openen.

Auteur Philip Willan, die al 27 jaar in Italië werkt: ‘Ik sluit zeker de mogelijkheid niet uit dat er in 1982 aan de Engelse kant sprake was van een weloverwogen cover-up. Zo is er de link met de vrijmetselaars. Bekend is dat sleutelfiguren uit de politie van de Londense City (die het onderzoek leidde) aangesloten waren bij vrijmetselaarsloges.’

Calvi was dat ook. De bankier had zich in de jaren zeventig aangesloten bij de beruchte vrijmetselaarsloge Propaganda 2, geleid door de thans hoogbejaarde Licio Gelli, een regelrechte Mussolini-fascist, bijgenaamd ‘de Poppenspeler’. Die bijnaam dankte hij aan zijn naoorlogse activiteiten. Gelli onderhield, naar in Italië met stelligheid wordt beweerd met steun van de cia, een extreem-rechts netwerk dat maar één doel had: met alle middelen de zeer populaire Italiaanse communistische partij van de macht afhouden.

Gelli was achter de schermen zó machtig in het Italië van de Koude Oorlog dat wie ook maar iets wilde betekenen in politiek of zakenleven contact en bescherming bij hem zocht. Het ledenbestand van P2, in de jaren tachtig na een inval van justitie bij Gelli door de regering gepubliceerd, bestond uit de top van geheime diensten, leger en politie, bekende zakenlieden – onder wie de destijds beginnende Silvio Berlusconi – en bankiers als Calvi. Er waren ook banden met de roemruchte katholieke organisatie Opus Dei.

‘Om de zaak Calvi enigszins te kunnen begrijpen moet je die plaatsen in de internationale context van de Koude Oorlog van de jaren zeventig en tachtig. Dat was een zeer instabiele periode in Italië. Het waren de “jaren van lood”, met bloedige aanslagen en ontvoeringen door de Rode Brigades en rechts-extreme organisaties’, zegt Willan. Toen Calvi in zijn ambitie om Banco Ambrosiano uit te breiden financiële risico’s aanging en in moeilijkheden raakte, zocht hij niet alleen steun bij zijn Vaticaanse kompaan Marcinkus, maar ook bij Gelli. Hij stond voor een nog steeds niet nauwkeurig vastgesteld bedrag (schattingen variëren van zevenhonderd miljoen tot 1,5 miljard dollar) in het krijt. Hij was al gearresteerd wegens overtreding van de valutawetgeving, en na een zelfmoordpoging in de gevangenis weer op vrije voeten gesteld. Dat deed hem besluiten met behulp van de latere hoofdverdachte Flavio Carboni, een Sardijnse zakenrelatie van Silvio Berlusconi, en een drietal onderwereldfiguren naar Londen te vluchten. Het duistere gezelschap – naast Carboni diens toen 21-jarige Oostenrijkse minnares Manuela Kleinszig en de heren Pippo Calò, Ernesto Diotallevi en Silvano Vittor – beloofde Calvi tijdens een etentje in een Londens restaurant een veilige aftocht naar waarschijnlijk een Zuid-Amerikaans land.

Calvi had toen al gedreigd zijn geheimen openbaar te maken, onder meer in een brief aan paus Johannes Paulus II. Niet alleen het Vaticaan mocht die geheimen vrezen. Philip Willan: ‘Hij wist alles van de witwaspraktijken van de maffia en de betrokkenheid van politici bij de georganiseerde misdaad.’ Calvi was een goede bekende en ook de opvolger van de maffiose Siciliaanse bankier Michele Sindona, eveneens een relatie van Marcinkus. Sindona werd ooit door een andere vriend, de christen-democratische oud-premier Giuliano Andreotti, gehuldigd als ‘redder van de lire’. Sindona en zijn netwerk van banken gingen ten onder in het faillissement van de door hem geleide Amerikaanse Franklin-bank. Sindona werd uiteindelijk door de Amerikanen aan Italië uitgeleverd. In 1986 werd hij dood aangetroffen in zijn cel in de zwaarbeveiligde Voghera-gevangenis, vergiftigd door het drinken van een espresso met cyanide. Sindona en Calvi waren niet de enigen die hun kennis van het netwerk met de dood bekochten. In de zaak-Calvi wemelt het van getuigen die op verdachte wijze aan hun einde kwamen. Sommigen, zoals Calvi’s secretaresse, met achterlating van een weinig geloofwaardige afscheidsbrief.

Opvallend is dat Licio Gelli, 89 en onder gerieflijk huisarrest levend in een Toscaanse villa, van het lijstje van oorspronkelijke gedaagden voor het proces werd geschrapt. Hij legde wel een getuigenis af, waarbij hij het vermoeden uitsprak dat Calvi door ‘Oost-Europese, vermoedelijk Poolse’ agenten was vermoord. Dat zou wraak zijn geweest voor de financiële steun die via de sluipwegen van Banco Ambrosiano aan Solidariteit was verstrekt. Ook opvallend is dat het Vaticaan, dat uiteraard – net als Opus Dei – alle betrokkenheid ontkende, in 1984 224 miljoen dollar schadevergoeding uitbetaalde aan 120 schuldeisers van Calvi’s failliete Banco Ambrosiano. Als ‘erkenning van morele betrokkenheid’ bij de val van de bank, heette het toen.

Officier van justitie Tescaroli negeerde in zijn aanklacht de betrokkenheid van buitenlandse geheime diensten en de financiering via Calvi’s bank van tegen de (vermeende) communistische dreiging opgezette covert operations. Philip Willan zoekt in The Last Supper juist daar de oorzaak van Calvi’s gewelddadige einde. ‘De man wist te veel, werd een risico, en niet alleen voor Italiaanse politici’, zegt hij. Tescaroli daarentegen zette alles op de maffia-kaart. Het proces verzandde daardoor in eindeloze uiteenzettingen over verschillende maffia-fracties, waarvan de leden elkaar van van alles beschuldigden. Willan maakt in zijn boek echter aannemelijk dat de verdachten slechts uitvoerders waren en de opdrachtgevers elders moeten worden gezocht. De lezer moet overigens wel bij de les blijven, want Willan gaat (soms veel te uitvoerig) in op alle mogelijke dwarsverbanden.

Tescaroli moest zijn aanpak vorig jaar juli bekopen met vrijspraak wegens gebrek aan bewijs van Carboni, Calò, Diotallevi en Vittor. Carboni’s minnares Manuela Kleinszig was al eerder als verdachte geschrapt. De aanklager moest tot eind november wachten op publicatie van het vonnis en heeft pas vorige week besloten beroep aan te tekenen. Een lange aarzeling, waarschijnlijk omdat het 145 pagina’s tellende vonnis weinig heel liet van Tescaroli’s reputatie. Geconcludeerd werd dat de aanklager veel aannemelijk heeft weten te maken, maar dat hij zo veel verdachten en zo veel onbetrouwbare, zichzelf en elkaar tegensprekende getuigen presenteerde dat er geen sprake was van onomstotelijk, elke twijfel uit de weg ruimend bewijs.

Geheel in de Italiaanse traditie van eindeloze rechtsprocedures zal het proces zich nog geruime tijd voortslepen. Hoewel Tescaroli schermt met een tweede ‘geheim’ onderzoek waarover nog niets naar buiten is gekomen lijkt het onwaarschijnlijk dat hij in hoger beroep nieuwe doorslaggevende bewijzen kan presenteren. Willan: ‘De kans dat de waarheid boven tafel komt is minimaal. Er is te veel tijd verstreken, te veel getuigen zijn van het toneel verdwenen of zo bejaard dat hun herinnering hen in de steek laat.’ Een golf van publiciteit over wat ooit het ‘misdaadmysterie van de eeuw’ werd genoemd is evenmin te verwachten. Willan volgde het proces van begin tot eind en was zo’n beetje de enige. ‘Er was alleen bij het begin wat publiciteit. Daarna: oorverdovende stilte.’

Philip Willan, The Last Supper: The Mafia, the Masons and the Killing of Roberto Calvi. Constable & Robinson, 400 blz., £ 8.99