Media

Het weer weer

Afgelopen vrijdag zouden we met vrienden eten in Den Haag. Maar de woensdag voorafgaand aan de afspraak viel er al roet in dat eten. Het KNMI gaf een weerswaarschuwing af. Hierop stuurden onze vrienden een mailtje. Zullen we het uitstellen, het schijnt slecht weer te worden. Mijn Spaanse vrouw pareerde dit met de opmerking dat het in Nederland altijd slecht weer is en dat een beetje meer of minder niet uitmaakt. Ik stelde voor de zaak nog even in beraad te houden.

Vrijdagochtend moesten wij beiden vroeg de deur uit. Het begon op dat moment net een beetje te sneeuwen. ‘Als dat sneeuw is’, zei mijn vrouw. Ze had gelijk, in Spanje hebben we wel anders meegemaakt, een week lang opgesloten in een Andalusisch dorp bijvoorbeeld, een meter sneeuw voor de deur, slechte verwarming, nauwelijks eten, veel dekens en meer drank. En ook ikzelf herinner me uit mijn jeugd wel andere hoeveelheden dan de paar centimeter van die ochtend. Niets aan de hand dus.

Te zien aan het parkeerterrein van de plek waar ik die dag moest zijn, was ik een van de weinigen die daar zo over dacht. Waar het gewoonlijk bomvol is, stonden nauwelijks auto’s en ook het gebouw was opmerkelijk leeg. Leeg was de weg ernaartoe, leger nog de weg toen ik ’s middags terugreed. Bovendien was het opgehouden met sneeuwen. Kortom, er was geen enkele reden onze Haagse afspraak te verzetten. En ziedaar, zelden zijn we zo snel richting residentie gereden, zelden ook zag ik de wegen in de Randstad zo leeg, schoon en zwart. ’s Avonds op de terugweg was hetzelfde het geval. Dank voor de fout, KNMI, dacht ik steeds weer.

Als er één ding objectief is, zo denken we gewoonlijk, dan is het wel het weer. Mijn historiografisch geweten Loe de Jong zei het, schrijvend over zijn eigen subjectiviteit, ooit als volgt. ‘Wie een geschiedenis van bezet Nederland zou willen schrijven waarin louter “objectieve” termen zouden voorkomen, zou zich, vrezen wij, moeten beperken tot het aspect van de weersomstandigheden.’ Het is een visie waarmee eenvoudig in te stemmen valt. Regen kun je meten, sneeuw ook en over temperatuur is geen meningsverschil mogelijk. Het is winter of zomer, droog of nat, koud of warm. Toch?

Als ik me goed herinner was het Maarten ’t Hart die me ooit vertelde dat hij zelden of nooit de verwarming aan zette. Kou, zei hij, is een volstrekt subjectief fenomeen. Ik moest daar destijds (en nog steeds) om lachen maar helemaal ongelijk heeft hij niet. Ik merk het in ons gezin. Als ik het om te stikken vind, begint het volgens de Spaanse tak ‘net lekker’ te worden. Voortdurend gedraai aan de thermostaatknop is het gevolg.

Maar al is het moeilijk te ontkennen dat de weer- of temperatuur­ervaring een zekere subjectiviteit kent, dat wil nog niet zeggen dat ‘het weer’ net zo subjectief en dus veranderlijk of manipuleerbaar is als, zeg, liefde of smaak. De media hebben er geen invloed op; het enige wat ze kunnen doen is erover berichten.

Was het maar zo simpel. We leven in een totaal gemediatiseerde cultuur. Dat betekent dat het beeld van de dingen belangrijker is dan de dingen zelf, zienswijze belangrijker is dan zijnswijze, weergave sterker dan werkelijkheid. Hoewel je kunt volhouden dat het in zekere zin altijd zo geweest is, kun je niet ontkennen, denk ik, dat die mediatisering tegenwoordig sterker is dan ooit. Een in dit verband relevant bewijs is dat je het weer ervaart lang voordat je het voelt, ja zelfs nog voordat het er is. De woensdag voorafgaand aan de vrijdag was het in ons hoofd al bitter winter terwijl het buiten nog volop herfst was. En donderdag met zes uur zonneschijn idem dito.

De media, belangrijkste drager van de gemediatiseerde cultuur, bespelen die beeldvorming niet alleen zo sterk omdat het hun broodwinning is, ze doen het ook omdat ze in een moordende concurrentiepositie zitten. Gevolg is permanente overdrijving. Overdrijven zij niet, dan doet een ander het wel en wat een ander doet in een markt met veel vraag betekent verlies voor jou. Overdrijven moet bovendien omdat mediacultuur bijna onvermijdelijk dramacultuur betekent. Anders dan feiten kunnen beelden tot in het belachelijke opgeblazen worden. Aldus wordt slecht slechter en groot groter, wordt een vlok een berg en een beetje vertraging nationale stilstand.

Dit alles (mediatisering, concurrentie én drama) wordt nog eens in de hand gewerkt doordat we leven in een verantwoordings- of afrekencultuur. Zeker sinds de tsunami van acht jaar geleden is de angst voor een te voorzichtige inschatting van het weer dermate sterk dat geen verantwoordelijke instantie risico’s durft te nemen. Aldus gaan we van ramp naar ramp – ook in tijden van alomtegenwoordige voorspoed en gemak. Het gedoe heeft één voordeel: hebben we meteen iets te doen.