Martin Reints, Ballade van de winstwaarschuwing

Het weiland in je hoofd

Martin Reints

Ballade van de winstwaarschuwing

De Bezige Bij, 38 blz., € 16,50

De ballade van de winstwaarschuwing van Martin Reints laat zien wat er ontstaat wanneer een zo exact mogelijke beschrijving tekortschiet. De dichter neemt waar wat er binnen en buiten zijn hoofd gebeurt en noteert tot in de kleinste details wat hij aantreft. Deze notities doen denken aan de nauwkeurige schetsen van een tekenaar die op een zeker moment raakt afgeleid.

In het gedicht Hoofd schrijft Reints:

Aandacht volgt op ontspanning

zoals de nacht volgt op de dag

en de droomslaap volgt op de kalme slaap

ik lig met mijn hoofd op mijn arm voor het toetsenbord:

de deadlines naderen, de deadlines komen voorbij

terwijl er – zoals dat aanvoelt – een weiland in mijn hoofd is

De droomslaap en de kalme slaap die elkaar opvolgen maken de manier waarop er voor het toetsenbord wordt gerust onrustig, maar de structuur van opeen volging die uiteen is gezet in de eerste strofe geven de vermoeide ook berusting. Zelfs de deadlines die voorbij komen maken niet werkelijk onrustig, want de dichter vindt houvast in de veronderstelling dat alles van voorbijgaande aard is. Alleen het weiland dat in zijn hoofd is, blijft liggen. Het weiland is er nadrukkelijk niet werkelijk: «zoals dat aanvoelt» en de formulering ervan suggereert dat de dichter het een algemeen en bekend gevoel acht. Maar wat is een weiland in je hoofd? Een plaats voor kalme gedachten vermoedelijk.

en een rij koeien die daar voortschrijdt, langzaam

naar het hek waar we ze staan op te wachten

Maar dit weiland is te vreemd om een plek van kalmte te zijn. Het begint steeds concretere vormen aan te nemen, terwijl de plotselinge introductie van een «we» doet vermoeden dat er een moment uit een droom of een herinnering wordt beschreven.

door een deur die kennelijk ergens openwaait

komt er een luidruchtige vergadering mijn hoofd in golven

en ik mag kiezen:

nadenken over wat er wordt gezegd en die zaal binnenlopen

of me bewegen en mijn ogen weer opendoen

en zo terugkeren naar het toetsenbord en mijn agenda

en de opengeslagen boeken om me heen

Waar bevindt de dichter zich? Door het woord «ergens» in de regel «door een deur die kennelijk ergens open waait» beginnen tijd en ruimte om elkaar heen te draaien en bevindt de dichter zich op verschillende plekken tegelijk. Hij staat vanuit het weiland door een deur te kijken, maar de deur is ook het begin van een droom of dagdroom waarin de dichter flarden van een vergadering opvangt. Wellicht is het niet de dichter die we ons moeten voorstellen, maar is hier een werknemer van een kantoor aan het woord die achter zijn computer in slaap dommelt.

De deur zwaait kennelijk ergens open, deelt de dichter mee. Hij ziet het niet gebeuren, maar baseert zich op het geluid dat in golven zijn hoofd bereikt. Hij zegt daarmee dat hij zich zou kunnen vergissen en omdat hij daar de nadruk op legt, is de kans dat dat ook zo is groot. De feitelijke en de imaginaire deur vormen een overgang van binnen naar buiten en van buiten naar binnen; van dromen naar waken, van aandacht naar ontspannen. En het weiland? Dat ligt er nog steeds en doet realistischer aan dan de vergadering, of de boeken om de dagdromer heen:

de koeien werpen hun koppen naar achteren om de vliegen te verdrijven

en de slierten kwijl aan hun lippen gaan heen en weer

als de slingers van oude uurwerken

Het ontbreken van hoofdletters heeft eenzelfde functie als de mysterieuze deur die al dan niet in het weiland staat. Het heeft tot gevolg dat sommige beelden in elkaar overlopen, zoals wanneer de geluiden die het hoofd van de dichter bereiken de scherpe zinsnede opleveren: mijn hoofd in golven. En ook in de laatste regels raak je als lezer kwijt waar welk beeld begint en welk beeld eindigt. De slierten kwijl aan de koeienkoppen bewegen als slingers van oude uurwerken. Het is vervolgens niet duidelijk wie door wiens ogen kijkt. De koeien hebben de kop in de nek gegooid en in welke verte zij staren moet de lezer zelf bedenken:

nu kijken door hun ogen

kennelijk vanuit een wereld waar zij zijn

anderen ons in de ogen.

Weer duikt het woord «kennelijk» op, waarmee de dichter logische verbanden suggereert die voor de lezer onduidelijk blijven. Het doet denken aan ongeschreven wetten van de droom, waarin de meest bizarre omstandigheden zich vanzelf sprekend voordoen. In de optiek van de dromer die aan het woord is, is het aan nemelijk dat anderen door de ogen van de koeien naar «ons» kijken. Het is een aan paranoia grenzende, angstaanjagende gedachte, totdat de koeien weer in een verzonnen wei staan: de ogen van de koeien zijn er net zo min als het weiland.

Martin Reints maakt in een heldere taal duidelijk dat de waarneming en de werkelijkheid, of de binnen- en de buitenwereld, elkaar overlappen en voordat je het weet behoort zijn vreemde weiland tot het landschap in je hoofd.