Het werd fictie. Ook dat nog

Jonathan Littell. Grote ­literatuur © Benjamin Loyseau

In 2001 zag ik de film Conspiracy van Frank Pierson over de Wannseeconferentie van 20 januari 1942, waar een kleine groep nazi-kopstukken tot de Endlösung besloot. Van die conferentie zijn notulen overgeleverd en scenarist Loring Mandel maakte er een beklemmend script van. Beklemmend, omdat er geen sprake is van schurkachtige figuren die in alles slecht en onaangenaam zijn. Keurige heren, waaronder Heydrich en Eichmann, bespreken de mogelijkheden van de vernietiging van alle joden.

Iedereen moet deze film zien. Lange shots, beleefde gesprekken, af en toe zijn er pauzes in de vergadering en dan bespreken de generaals en partijbonzen het thuisfront, wat ze na de conferentie zullen doen, hoe het met hun echtgenotes gaat, terwijl ze even wat hapjes tot zich nemen. Geen moralistische voice-over, en het rare is dat we (wij dus, ja, wij) nog meeleven ook met de verschillende figuren. Want er is onenigheid. Kan dit allemaal wel goed geregeld worden? Zijn er genoeg treinen? Gaat het niet te erg opvallen? Verzet van de bevolking? De spanning loopt op, niet iedereen wil het nu al, kunnen we niet beter even wachten? Het is dus ook nog spannend, uiteindelijk wordt iedereen het er toch over eens: ja, we gaan het doen. Einde film.

Littell zette ons overal vooraan bij de gruwelijk- heden

Pas bij de aftiteling komt er een sobere tekst over het scherm waarin de gevolgen van deze conferentie worden gememoreerd. Ik herinner me de stilte in de zaal en in mezelf: ik was dus bij die conferentie aanwezig en had mee gedebatteerd. Grote kunst is dit.

In 2006 publiceerde Jonathan Littell zijn grote en verschrikkelijke roman die met vergelijkbare vertelprincipes werkt. Geen moraliserende voice-over van ‘de’ geschiedenis, die het achteraf allemaal beter weet, geen spijtbetuigingen, geen schuldbekentenissen, maar gewoon het verhaal van binnenuit van de SS-officier Aue die overal bij geweest is en daar verslag van uitbrengt. Hij woont nu in Frankrijk, leidt daar een rustig leven en vindt het tijd om de zaken eens op een rijtje te zetten. No regrets, zo ging het nu eenmaal, dat is zijn uitgangspunt.

Littell zorgde ervoor dat we (ja, wij, wij zijn er steeds bij, ja, ik ook) gewoon met zijn ‘held’ meereizen, en overal vooraan staan bij de gruwelijkheden, in Rusland, in Polen, bij vernietigde bevolkingsgroepen, in de kampen, tussen de beulen, waar dan ook. Hij leverde ons oeverloze verslagen van de overwegingen die bij de nazi’s een rol speelden, de minutieuze verslaggeving, de eindeloze vergaderingen, het onderlinge gedoe. Duizenden pagina’s notulen ploegde hij door.

Het boek kon zeker een derde korter, hoorde je in de kritiek, op het laatst weet je het allemaal wel, maar juist deze precieze verslaggeving van de overwegingen, de besluitvorming, kortom de dagelijkse gang van zaken tijdens de nazi-tijd, geven aan zijn roman een verschrikkelijke lading. Niet de grote overzichten van een paar bladzijden (‘op 10 mei vielen de Duitsers ons land binnen’), niet nog een keer de toespraken van Hitler, maar de overwegingen van de uitvoerders, de problemen die ze ondervonden, het onderlinge gekibbel, de minachting die ze zelf voor de uitvoerders van de bevelen voelden, het bureaucratisch gedoe (‘kon het niet wat sneller allemaal?’), juist dat maakt zijn roman adembenemend. Verschrikkelijk. Prachtig. Hoe moet ik het noemen? Het maakt de nazi-tijd normaal. Ik weet zeker dat ik ook warmere gevoelens voor bepaalde meerderen zou koesteren, en voor anderen minder.

Littell laat zijn held musea bezoeken, op bezoek gaan bij mede-SS’ers, lachen in de mess, roddelen over meerderen en minderen, genieten van kunst. Hij zuigt ons zijn roman binnen, alleen al via zijn eerste zin, die bij mij weken nadreunde: ‘Mensenbroeders, laat me u vertellen hoe het is gegaan.’ Mensenbroeders, gvd. Littell maakte medeplichtig, deed dat onder andere ook door zijn ‘held’ te voorzien van een getroebleerd verleden, met slechte ouders, incestueuze verlangens, gebroken seksualiteit, kortom hij voorzag zijn held doelbewust van de clichés die we altijd in de wat slechtere romans tegenkomen. Het werd fictie. Ook dat nog. En het werkte, ik wilde alles weten. Volstrekt hoogtepunt (of dieptepunt) zijn de oeverloze debatten in het nazi-kamp of een bepaald bergvolk (Bergjuden) ergens in Azië wel of niet uitgeroeid moeten worden. Zijn ze wel of niet jood genoeg?

Littell beschrijft de eindeloze vergaderingen van de verschillende instituties, plus een conferentie waar verschillende vakmensen hun zegje doen. ‘Graag stel ik u dr. Rehrl voor, als specialist in het oosters judaïsme verbonden aan het Instituut voor Joodse Vraagstukken in Frankfurt.’ Al die nette geleerden die hun steentje aan het debat bijdragen, vele bladzijden lang. Geen ironie, geen pastiche. Ik las dit handenwringend. ‘Jammer genoeg’, zegt een van de geleerden, ‘biedt de biologische antropologie ons weinig steun voor een keuze tussen de verschillende hypothesen.’ En dan spreken ze uitermate beleefd verder over de schedelmetingen bij de Bergjoden. Dit is grote literatuur.


Kees ’t Hart is schrijver van romans, essays en gedichten. Naast Littell noemde hij Alfred Birney, De tolk van Java; Astrid Roemer, Gebroken wit; Peter Delpeut, In het zwart van de spiegel en Michel Houellebecq, De kaart en het gebied