Het wereldraadsel

Die inmiddels sterk vergeelde boeken en brochures heten Het Schoone en de Kunst, of de naaste en onmiddellijke zelfbevrediging van absolute geestelijkheid, in het kort besproken door G.J.P.J. Bolland, hoogleeraar der wijsbegeerte te Leiden (1908) of De Waanzinnige Waereld, de zielkundige ontleding van de huidige socialisten en hunne voorgangers, door E. van Dieren, arts, schrijver van het in 1909 verschenen boek: Het Socialistische Gevaar, een bijdrage tot de kennis der besmettelijke zielsziekten (1919) of Natuurlijke historie van den Filistijn - prolegomena tot de studie van Arthur Schopenhauer, door Daniel Kiehl, oud-assistent-rezident (1895).

Het zijn hooggeleerd ogende vertogen, die nietemin zelden een gedachte bevatten die de moeite van het overwegen waard is. In hun soort zijn het trouwens monumenten, schrifturen van zelfbenoemde denkkolossen die, veelal voortsloffend in het voetspoor van Georg Wilhelm Friedrich Hegel, onvermoeid op zoek waren naar de oplossing van het Wereldraadsel, vervat in bewoordingen die wij thans als voornamelijk opgewonden en overpolemisch ervaren.
Heinrich Heine liet zich aan de oplossing van het Wereldraadsel weinig gelegen liggen. Van de ‘grauwe, gekookte spinnewebben van de hegeliaanse dialectiek’ wilde hij al spoedig niets meer weten. Onder invloed van de Saint-Simonisten koos hij voor het sensualisme, boven het rigide, politiek en intellectueel geëxalteerde, spiritualisme. Zijn wijsgerige programma was aards en overzichtelijk: de mens was zijns inziens een tweebenige God, die de hemel graag aan de engelen en mussen gunde, en zelf bij leven en welzijn tevreden was met nectar en ambrozijn, purperen mantels, kostbaar reukwerk, wellust, pracht, muziek en blijspelen.
Was Heine daarmee impliciet een voorstander van zoiets schandelijks als het ménage à trois, vraagt Daniël Kiehl, oud-assistent-rezident, zich af? Om Heine vervolgens manhaftig tegen de 'lastige oudewijvenpraatjes, boosaardige verzinsels, boosaardige cancans enzv.’ in bescherming te nemen. Nee, de dichter was beslist geen 'heilig boontje’, hetgeen 'de Nederlandsche Filistijnen’ nog niet het recht gaf om… Bovendien mocht Heine aanspraak maken op het krediet van de 'dichters van den eersten rang - van den eersten rang, verstaat gij!’
Niettemin prefereerde de auteur van de Natuurlijke Historie van den Filistijn, met alle waardering voor Heinrich Heine, toch een denker als Arthur Schopenhauer. Een woord van lof voor de Duitsers, die Schopenhauer inmiddels zijn verdiende plaats in de geschiedenis van de wijsbegeerte hadden gegeven. Anders dan de Hollanders, met 'hunne gemakzuchtige laagdunkendheid en deerniswaardige bekrompenheid’. Verzuchtte Daniël Kiehl, oud-assistent-rezident: 'Ook hiermede, gelijk met alle dingen, zullen wij in Holland eene eeuw komen na andere beschaafde volkeren.’
Peinzend laten wij ons oog ten tweeden male langs deze regel glijden. Holland… Honderd jaar later… Een kritische kanttekening, gemaakt door een man die zowel een Heine- als Schopenhauerspecialist is geweest… Is het toeval of hebben wij inmiddels - per ongeluk - de oerbron van Heines even beroemde als apocriefe zwerfcitaat gevonden?