Patrick Ouredník, Europeana

Het wereldrecord geschiedschrijven

Patrick Ouredník

Europeana: Een zeer korte geschiedenis van de twintigste eeuw

Fagel, 156 blz., € 16,50

In mijn boekenkast beginnen ze inmiddels behoorlijk wat ruimte in te nemen, de geschiedenissen van de twintigste eeuw. Nadat de Britse marxist Eric Hobsbawm in 1994 met Age of Extremes het spits had afgebeten, zijn er vele gevolgd. Wat betreft omvang het meest imposant is die van Martin Gilbert, in drie delen van elk duizend pagina’s. Naar schatting 1.350.000 woorden. Elk jaartal zijn eigen hoofdstuk, alle feiten keurig op een rij tje. Ideaal als je snel wilt opzoeken wat de exacte aanleiding voor de Koreaanse Oorlog was, of wat de eerste regeringsmaatregelen van Franklin D. Roosevelt waren.

Als je deze drie delen uit hebt ben je enigszins murw gebeukt door al die feiten. Europeana van de in Tsjecho-Slowakije geboren en in Parijs woonachtige Patrick Ouredník bevat slechts 2,5 procent van het aantal woorden dat Gilbert nodig had, maar als je dit kleine boekje uit hebt duizelt het je nog meer. De eerste bladzijde van deze poging het wereldrecord geschiedschrijven te verbeteren: «De Amerikanen die in 1944 in Normandië sneuvelden, waren uit de kluiten gewassen jongens met een gemiddelde lengte van 173 cm en als je hen achter elkaar zou leggen, de hielen tegen de kruinen, zouden ze samen een lengte van 38 kilometer hebben. De Duitsers waren ook lang, en de langste van allen waren de Senegalese schutters in de Eerste Wereldoorlog, die waren 176 cm lang, en dus werden ze in de voorste linies geposteerd om de Duitsers angst aan te jagen. Van de Eerste Wereldoorlog werd gezegd dat daarin de mensen bij bosjes werden neergemaaid, en de Russische communisten hebben later berekend hoeveel mest één kilometer lijken opleverde en hoeveel er kon worden bespaard op dure mest uit het buitenland als ze voor de bemesting de lijken van verraders en criminelen zouden gebruiken. En de Engelsen ontwikkelden de tank en de Duitsers het gas dat yperiet werd genoemd, omdat de Duitsers het voor het eerst gebruikten bij de stad Ieper, maar dat schijnt niet te kloppen, en het werd ook wel mosterdgas genoemd, want het prikte in de neus als Dijon-mosterd, en dat schijnt te kloppen, en sommige soldaten die na de oorlog thuis kwamen wilden nooit meer Dijonmosterd eten.»

Hierna volgen nog honderdvijftig van dergelijke bladzijden die de lezer bedelven onder talloze feiten en feitjes, waarbij dikwijls binnen een zin een enorme sprong naar een ander onderwerp wordt gemaakt, en waarin een eindeloze reeks ogenschijnlijke banaliteiten de lezer soms het idee geeft nieuwe samenhangen te zien of hem op zijn minst aanzet tot nadenken en tegenstribbelen. Zo gaat een beschrijving van de medische experimenten van de nazi’s over in een uiteenzetting over de medische vooruitgang, genetische manipulatie en de liberalisering van abortus en euthanasie. Vervolgens gaat hij in op de enorm gestegen welvaart en de komst van de wegwerpcultuur, waarbij hij een verband legt tussen de slogans van «mei ’68» en het reclamewezen. Het voortdurend op de markt brengen van nieuwe producten koppelt hij aan de maatregel die de meeste democratische landen hebben genomen, en die inhoudt dat een regeringsleider zijn functie niet langer dan twee ambtstermijnen mag vervullen, «om de toevoer van nieuwe en originele ideeën en een dynamische vernieuwing van de samenleving veilig te stellen».

Naast het noemen van feiten maakt hij melding van veel theorieën over al die feitelijkheden. Nadat hij de omwenteling van de jaren zestig heeft beschreven, en heeft vermeld dat ook «oudere burgers begonnen te sporten en zich jeugdig te kleden en in verschillende standjes gemeenschap met elkaar te hebben en originele en onconventionele gedachten te uiten», schrijft hij dat sommige filosofen dachten dat de cultus van de jeugd een vergissing was, omdat vooral de fascisten en de communisten hiervan gebruik hadden gemaakt. Dat democratische samenlevingen die cultus overnamen was erg dom, «maar anderen zeiden op hun beurt dat het zo goed was, dat de jeugd dan misschien wel dom was, maar ook dynamisch, en dat was dan positief».

Opmerkelijk is dat Ouredník niet alleen met supersonische snelheid door de ontwikkelingen in de twintigste-eeuwse samenleving raast, maar dat hij ook aandacht besteedt aan allerlei, al dan niet religieuze, groeperingen die zich aan die ontwikkelingen trachten te onttrekken. Zodoende duiken af en toe de Pinkstergemeenten, Jehova’s Getuigen en New Age-types op, en vermeldt hij bij apocalyptische angstvisioenen met betrekking tot de millenniumbug dat de in Amerika op negentiende-eeuwse wijze levende Amish twaalf keer zoveel met de hand aangedreven roomkloppers verkochten.

Opvallend is ook dat in het boekje geen enkele naam opduikt, wat mij pas halverwege opviel, toen de ideeën van Freud uiteen werden gezet. Op de laatste bladzijde wordt dan ook geen melding gemaakt van Francis Fukuyama, maar wel van zijn theorie over het einde van de geschiedenis, waarna Ouredník eindigt met de zin: «Maar veel mensen kenden die theorie niet en bleven doodleuk geschiedenis maken.»