Weg met de mythevorming

Het werkelijke leven van Johann Sebastian Bach

Over Bachs leven is weinig bekend. Veel biografen fantaseren maar wat om het verhaal compleet te maken. Zo niet Klaus Eidam. Hij wil afrekenen met mythevorming en Bach-clichés.

Goethe-jaar, Kästner-jaar, Nietzsche-jaar, Bach-jaar. Wie in de gelegenheid is af en toe een boekhandel bij onze oosterburen binnen te lopen, stelt telkens weer met lichte verbazing vast hoe men daar de Duitse meesters eert. Afgelopen juli was het precies tweehonderdvijftig jaar geleden dat Bach crepeerde aan een paar middeleeuws-beestachtig uitgevoerde oogoperaties. Aanleiding voor weer een nieuwe lichting Bach-literatuur, terwijl het Bach-jaar 1985 ons nog vers in het geheugen ligt: heruitgaven van historische documenten; nieuwe biografieën, onder andere één door Bach-specialist Geck; herdrukken van gerespecteerde biografieën als die van Schweitzer, Spitta, Wolff en anderen. En ten slotte Klaus Eidams Das wahre Leben des Johann Sebastian Bach. Het is de prikkelendste en de op een na brutaalste titel die momenteel in de feestelijk aangeklede Bach-etalages ligt.

Minder prikkelend, maar zeker zo brutaal is de titel Bach und Ich van Maarten ’t Hart, een boek dat hier te lande uitsluitend verkrijgbaar is bij het Kruidvat en dat in het Nederlands heel bescheiden Johann Sebastian Bach heet. Volgens uitgeverij De Arbeiderspers is het ook aan Maarten ’t Harts warme aanbeveling te danken dat sinds kort de Nederlandse vertaling van Eidams werk, Het ware leven van Johann Sebastian Bach, bij de echte boekhandel ligt (God verhoede dat ze daar ooit steunkousen gaan verkopen).

De vertaler van het boek heeft net als de vele critici ervan niet in de gaten gehad dat de titel een speelse variant is op Nabokovs Het werkelijke leven van Sebastian Knight. Uiteraard is Eidam intelligent genoeg om te weten dat ook hij niet in staat is vast te leggen hoe het werkelijke leven van J.S. Bach zich heeft voltrokken. De keuze voor deze polemische titel houdt echter wel degelijk een programma in.

Het probleem is bekend: feitelijk weten we zeer weinig over Bachs leven. Geboren in Eisenach als telg van een muzikantengeslacht. Wees op negenjarige leeftijd. Opvoeding bij zijn broer in Ohrdruf, leerling aan de Latijnse school in Lüneburg, het eerste kortstondige engagement in Weimar, organist in Arnstadt, daarna in Mühl hausen, andermaal Weimar, hofkapelmeester in Köthen, en ten slotte 27 jaar lang cantor aan de Thomasschool in Leipzig. Twee vrouwen, twintig kinderen, waarvan de meesten vroeg stierven en vooral heel veel geniale muziek, die op Goethe de indruk maakt «als wenn die ewige Harmonie sich mit sichselbst unterhielte».

Dat schept ruimte voor bio grafen die met het beperkte aantal legstukjes de puzzel moeten zien te completeren. En logisch dat met het verstrijken van de tijd het muzikale object van al die biografieën naar de achtergrond verdwijnt om meer en meer plaats te maken voor de schrijvers ervan. Zo werd Bach voor negentiende-eeuwse musicologen als Spitta en Schweitzer de modeste dienaar Gods voor wie het Leipziger cantoraat wel de apotheose van zijn godvruchtig leven moest zijn. DDR-wetenschappers, op wier grondgebied Bach immers het grootste deel van zijn leven doorbracht, stelden hem voor als de «baanbreker van die grote periode van de Verlichting», degene «die het nieuwe vertegenwoordigt, dat voorwaarts streeft en naar de toekomst wijst». Hem helemaal tot arbeiderscomponist maken ging net iets te ver. En in ons computertijdperk willen rekenmeesters bewijzen dat Bach vooral een door de kabbala beïnvloede getallensymbolist is.

Maar ook «objectievere» biografen moeten zich stevig «inleven», of gewoon maar wat fantaseren om het verhaal compleet te maken. Maarten ’t Hart laat in zijn boekje treffend zien hoe dat in zijn werk gaat, in een aardig hoofdstuk over het voorval in Arnstadt. Bach werd er in 1705 op straat aangevallen door enkele leerlingen en ’t Hart geeft, naast hetgeen er feitelijk bekend is uit de overgeleverde ambtelijke stukken, een twintigtal versies in de Bach-literatuur. Het is als bij het kringspel waarin iemand een verhaaltje vertelt aan degene die naast hem zit, die het doorgeeft aan de volgende et cetera. Het verhaal wordt sensationeler en «vollediger» naarmate de kring groter is.

Het is duidelijk dat Eidam wil afrekenen met mythevorming en met gangbare Bach-clichés. Zijn boek is meeslepend en overtuigend vanaf de eerste bladzijde. De argeloze lezer moet zich wel verbazen over tweehonderdvijftig jaar stompzinnigheid, over het domme geneuzel van niet-muzikale musicologen, over de moedwillig verkeerde beeldvorming, bepaald door protestantse of DDR-communistische belangen, over luie en ongecontroleerde overschrijverij en vooral over het feit dat eeuwenlange Bach-Forschung slechts geleid heeft tot iets wat lijkt op de Sixtijnse kapel van voor de restauratie. Eidam verwijdert voor ons het vuil en de overschilderingen, maakt eerdere restauraties ongedaan en tovert voor ons te voorschijn: de ware Johann Sebastian Bach.

Ik zou iedere Bach-liefhebber willen verleiden om toch vooral dit boek te gaan lezen, maar twee essentiële punten van kritiek kunnen toch niet onbesproken blijven. In de eerste plaats is Eidam ten onrechte volkomen ongenuanceerd in het veroordelen van zijn vele voorgangers. De ik-en-de-anderen-truc is hier wel heel doorzichtig toegepast. Eidam schildert eerst hoe «de anderen» een voorval of aspect uit Bachs leven hebben beschreven. Hij kiest daarbij steevast de gemakkelijkst te bekritiseren versie, meestal de zeer oude biografieën van Spitta (1873-1880), Terry (1928) en Schweitzer (1904). De rest wordt vervolgens zonder onderscheid op de grote hoop geveegd. Gezamenlijk en eensgezind dwalen zij, en eindelijk is er Eidam die in zijn eentje het Bach-beeld radicaal verandert. Zo eenvoudig liggen de zaken echter niet. Op aanraden van Bach-kenners raadpleegde ik de biografie van Karl Geiringer uit de jaren zeventig, en daar bleek op nuchter zakelijke wijze al afgerekend te zijn met veel gangbare Bach-clichés. Geiringer wordt door Eidam alleen daar ter sprake gebracht waar hij hem in het kamp van de tegenstanders kan plaatsen.

Daarnaast is het opvallend dat Eidam ondanks het grote aantal voetnoten juist daar waar ze nodig zijn, verstek laat gaan. Hij presenteert een aantal opmerkelijke vondsten en nieuwe gegevens, maar geeft niet aan waar hij die gevonden heeft. Een mooi voorbeeld levert de bovengenoemde vechtpartij. Waar tot nu toe slechts drie van de zes aanvallers met naam en toenaam bekend waren, noemt Eidam ook de andere drie. Het zou aardig zijn te weten waar hij deze namen gevonden heeft. En dat geldt voor meer, blijkbaar nieuw gevonden archiefmateriaal dat door Eidam oncontroleerbaar verwerkt wordt in deze biografie.

Maar laten we ons concentreren op de grote verdiensten van het boek. Bij het hernieuwde archiefonderzoek heeft Eidam zich duidelijk niet alleen geconcentreerd op Bach, maar vooral ook gepoogd om zijn omgeving te schilderen. De hoofdstukken waarin hij een beeld schetst van de wereldlijke en geestelijke heersers in wier loondienst Bach zijn noten schreef, en van de maatschappelijke structuur waarin hij moest werken, zijn informatief en overtuigend. Vorst Wilhelm Ernst van Saksen-Weimar, door vroegere biografen geprezen om zijn verlichte denkbeelden, wordt door Eidam teruggebracht tot een autoritaire, conservatieve en bekrompen dwingeland. En de situatie waarin Bach in Leipzig kwam te verkeren, wordt wel zeer herkenbaar uit de doeken gedaan: hij werd er vermalen tussen geestloze en middelmatige burgers die hun eigen positie in kerkelijk, wereldlijk of universitair verband veel belangrijker vonden dan het gezeur van die eigengereide componist, die ook nog van die onbruikbare muziek schreef.

Bachs vermeende opvliegendheid en het idee dat hij een lastpak was, is dan ook een vaak terugkerend onderwerp in het boek. Maar Eidam laat zien dat Bach integendeel uiterst gelaten zijn lot onderging en daar waar mogelijk geduldig streed voor de zaak waarvoor hij leefde: zijn muziek. Logisch dat Bach daarbij zijn opdrachtgevers op zijn weg vond. Vanuit zijn perspectief was het onbegrijpelijk dat men hem aanstelde om muziek te maken en vervolgens niet bereid was de nodige middelen ter beschikking te stellen. Veel van de overgeleverde briefwisselingen en raadsstukken zijn door Eidam gemakkelijk te herleiden tot dit fundamentele conflict. In de woorden van Eidam: «Men had niets op hem tegen, zolang hij maar niemand met zijn kwaliteitseisen lastig viel.»

Het zijn telkens de heldere en bondige formuleringen van Eidam die overtuigen. De discussie over Bachs stellingname in de vele godsdiensttwisten in zijn tijd wordt krachtig van tafel geveegd: «Zijn geloof had niets van doen met het theologische gekrakeel van zijn tijd, en het kon zijn geloof zomin als zijn muziek beïnvoeden.» In felle bewoordingen bestrijdt hij zin en vooral onzin in de Bach-literatuur: «En wie zonodig geheime bedoelingen, de meest absurde getalsverhoudingen en de meest vergezochte symboliek in het werk meent te moeten leggen, die verwisselt oorzaak en gevolg (…) voor zover ze geen puur toeval zijn, zijn ze in zijn muziek aanwezig, omdat ze een onderdeel vormen van zijn muzikale architectuur. Ook Onze Lieve Heer heeft niet eerst 231 botten afgeteld om er vervolgens een mens van te maken, maar een mens bevat onder meer precies 231 botten. Een aanhanger van de kabbala mag ons dan misschien aan het verstand proberen te brengen dat daaraan nu juist het goddelijke principe van zijn essentie valt af te lezen, want 3 is het getal van de goddelijk Drievuldigheid, 1+2 is nog een keer drie en de som van de cijfers van het getal 231 is zelfs twee keer 3 — maar een natuurwetenschapper zal de samenhang tussen de botten en de Heilige Drievuldigheid allicht in twijfel trekken.» En aan diegenen die ontdekt hebben dat Bachs «vroomheid hierin tot uiting kwam dat hij bij passende gelegenheid de notenbolletjes in de vorm van een kruis rangschikte» is het kennelijk ontgaan «dat we in de composities van Bach soms, vooral bij overgangen, ook notenfiguren in de vorm van een halve maan tegenkomen, wat wel eens mogelijk op zijn betrekkingen met de islam zou kunnen duiden».

Een andere steen des aanstoots: de «deskundige Bach-onderzoekers van onze tijd, die er intussen in zijn geslaagd te bewijzen dat zijn belangrijkste composities louter imitaties zijn van andermans werken». Volgens Eidam hebben de onderzoekers die Bach coûte que coûte historisch in de muziekgeschiedenis zijn plaats wilden geven, door het dwangmatig zoeken naar invloeden, naar oorzaak en gevolg, het wezenlijke kenmerk van Bach en zijn muziek over het hoofd gezien: Bach schreef letterlijk unieke muziek, die op geen enkele manier paste in een tijd, laat staan in zijn tijd. Hoogtepunt en eindpunt van de Barok? Flauwekul: «De Bach-cantate staat op zichzelf, niet als vertegenwoordigster van haar soort — ze is haar soort.»

Eidam laat zien hoe Bach zijn hele leven bezig is geweest met het oplossen van muzikale problemen: «Het is de bronnenonderzoekers en de kabbalistische interpretatoren ontgaan dat alle composities in de eerste plaats muzikale probleemstellingen met hun oplossingen bevatten. Het begint steeds met niet meer dan een leeg stuk papier en de voorstelling van een mogelijkheid. Maar elke noot die op het papier terechtkomt, opent een heel veld van nieuwe mogelijkheden, waarvan de ene bruikbaar, de tweede niet slecht, een derde interessant, een vierde verrassend mag zijn, maar slechts één de enige juiste is. Ze is niet te vinden tussen logische constructie en wetmatigheid, ze houdt zich ergens op in de ziel van de componist.»

De grootste onderneming was uiteraard het oplossen van het probleem van de gelijkzwevende stemming. Uiteindelijk slaagde Bach erin om de kluisters te verbreken en het muzikale universum te onderwerpen aan zijn ongebreidelde behoefte: «Hij had de kwintencirkel, die tot dan toe aan de bovenkant open was geweest, gesloten en als het ware de verbinding, de noordelijke zeeroute gevonden tussen de oceanen van de muziek.» Maar het «wonderbaarlijke en absoluut unieke aan deze grote muziekvorser Bach» is volgens Eidam «dat hij ondanks de grandioze kennis die hij in zijn praktijk demonstreerde, nooit theoretisch onderkoelde, maar steeds levendige muziek schreef en maakte: zingbaarheid was voor hem het grondcriterium van alle muziek, een ‹cantabele voordracht› de hoofdzaak, en Wilhelm Furtwängler maakte niet lichtvaardig, maar vanuit diepste kennis van zaken de opmerking dat hij Verdi en Bach voor de grootste melodici van de muziekgeschiedenis hield». Das wohltemperierte Klavier, Bachs eigen «Ring», het met niets vergelijkbare meesterwerk, is er het bewijs van.

Een belangrijk hoofdstuk wordt ook gewijd aan Bachs invloed op het nageslacht. Bach zou zijn vergeten totdat Mendelssohn hem weer ontdekte. Eidam laat zien dat ook dit onzin is en dat Bach door zijn vele leerlingen op alle mogelijke manieren indirect invloed heeft uitgeoefend op het nageslacht. Maar zoals Bachs muziek niet rechtstreeks terug te voeren is op zijn voorgangers, zo is zijn muziek ook onmogelijk na te volgen.

Eidam schetst een beeld van Bach dat consistenter en begrijpelijker is dan dat wat in veel vroegere Bach-literatuur naar voren komt, om de doodeenvoudige reden dat daar te zeer wordt voorbijgegaan aan Bachs fundamentele drijfveren. Bach wordt getekend als een man die in muziek dacht, die muziek ademde, die een ongekend genoegen schiep in zijn eigen creativiteit, die plezier had in de muziek om haarzelfs wille, als het edelste spel dat een mens kan spelen. De man die zich in zijn jonge jaren als een spons volgezogen had met muziek, die daarbij «als ter zake kundige niet alleen de kunstwerken zag, maar ook hun anatomie», en die, toen hij eenmaal begon met componeren niet meer kon stoppen. Die de polyfonie tot zijn wezenskenmerk maakte. Door deze benadering vertoont de componist ineens een verbluffende gelijkenis met Mozart, zoals Hildesheimer hem ons heeft beschreven. Ondanks de zeer verschillende uitdrukkingswijzen gaat het hier om twee zelfbewuste, in muziek denkende en levende genieën, voor wie een leven zonder het spel met noten ondenkbaar zou zijn geweest. «Bach heeft in zijn vroegste jaren al een enorme hoeveelheid grandioze muziek geschreven, zonder enige concrete aanleiding, zomaar uit zichzelf en om haar op de wereld te zetten (…) het ging hem niet eenvoudigweg om het opschrijven van invallen, het ging hem tegelijkertijd ook altijd om het doordringen tot de geheimen van zijn kunst.

De polemische benadering is de kracht én de zwakte van het boek. Het maakt Eidam jammer genoeg onnodig kwetsbaar voor kritiek. Hopelijk komt hij ertoe een tweede editie te verzorgen, waarin hij sommige voorgangers de eer geeft die hen toekomt en waarin hij in voetnoten aangeeft waar hij zijn nieuwe gegevens gevonden heeft, zodat ze voor latere generaties controleerbaar worden. Dan zal hij een bijdrage aan de Bach-Forschung geleverd hebben die zonder meer baanbrekend genoemd moet worden. Zo niet, dan kunnen zijn tegenstanders hun schouders ophalen en Eidams werk afdoen als rancuneus en onwetenschappelijk. En dat zou jammer zijn.

Klaus Eidam, Het ware leven van Johann Sebastian Bach. Vertaald door Hans Driessen, uitg. De Arbeiderspers, 450 blz., ƒ69,95 (gebonden)