Gerald MacLean (ed.), Re-Orienting the Renaissance: Cultural Exchanges with the East

Het Westen en het Oosten

Gerald MacLean (ed.)
Re-Orienting the Renaissance: Cultural Exchanges with the East
Palgrave, 187 blz., € 33,90

Het paste weer lekker in het beeld, dat bericht vorige week over Nadjib Mahfoez. De 94-jarige Egyptische schrijver, die in 1988 de Nobelprijs heeft gekregen, heeft zijn uit gever opgedragen om aan de hoogste autoriteit van de soennitische islam, het Al-Azhar instituut in Cairo, toestemming te vragen voor het in Egypte publiceren van zijn roman Kinderen van Gabalawi. Toen dat boek in 1959 verscheen, sprak Al-Azhar er een fatwa over uit, waarna het vervolgens alleen buiten Egypte kon worden uitgegeven.
Mahfoez verklaarde dat hij toentertijd met de autoriteiten had afgesproken dat hij het zonder toestemming nooit in Egypte zou publiceren, en dat hij zich nu dus simpelweg aan zijn belofte houdt. Bovendien is de gelauwerde auteur niet principieel tegen censuur – in de jaren vijftig heeft hij zelfs korte tijd als filmcensor gewerkt – omdat kunst een breed publiek bereikt en dus niet zomaar alles kan worden uit gegeven. Goed, hij was in 1994 door een fundamentalist met een mes in zijn nek gestoken, dus is hij op zijn oude dag misschien niet meer zo heldhaftig, maar een dergelijke houding past toch niet bij een schrijver, die altijd pal dient te staan voor het vrije woord?
Wij in «het Westen» weten immers hoe het hoort en bovendien weten we precies waar het bij «hen», in de islamitische wereld, aan mankeert. Wij hebben de Renaissance en de Verlichting doorgemaakt, en zij niet. Deze overtuiging, of noem het maar gerust een geloof, doet het momenteel in de politiek en op de opiniepagina’s heel goed. Maar wat blijft er van deze visie over als de verhouding tussen «West» en «Oost» in detail wordt onderzocht?
De bundel Re-Orienting the Renaissance maakt bijvoorbeeld duidelijk dat waar het gaat om het tijdperk van de Renaissance, het clichébeeld van de indolente, bekrompen en degenerende Oriënt, terwijl in West- en Zuid-Europa een tijd van on gekende bloei en dynamiek aanbrak, dringend aan herziening toe is. De auteurs van deze bundel zetten zich dan ook sterk af tegen het werk van Bernard Lewis.
Deze vermaarde Midden-Oosten deskundige, die grote invloed uitoefent op de regering-Bush, stelt dat de islamitische wereld duizend jaar lang in verreweg de meeste opzichten superieur was aan het Westen. Terwijl West-Europa in de Middeleeuwen werd bewoond door analfabete, onvoorstelbaar stinkende barbaren, die elkaar voortdurend de hersens insloegen en in primitieve gebouwtjes woonden, stonden in de islamitische wereld wetenschap en cultuur reeds op een zeer hoog plan. Volgens Lewis begon de neergang van de islam echter met het afgebroken beleg van Wenen, in 1683. Ondertussen was in het Westen de Renaissance uitgebroken, wat inhield dat het individualisme op kwam, mensen steeds nieuws gieriger werden naar wat er achter de horizon lag en dus gingen reizen en zich in vreemde talen verdiepten.
Deze dynamiek zou in schril contrast hebben gestaan met de zelfgenoegzaamheid van de moslims, die weinig tot geen belangstelling voor de wereld buiten hun eigen grenzen zouden hebben gehad. Hierdoor ontwikkelde de aanvankelijk door het christendom gedomineerde westerse wereld zich tot een welvarende, technologisch hoog ontwikkelde en democratische samenleving, terwijl de islamitische landen nog slechts konden terugkijken op een glorieus verleden. Wie op een dergelijke wijze buitenspel komt te staan, loopt de kans rancuneus te worden en op wraak te zinnen. In de ogen van Lewis en door hem beïnvloede politici en opinion leaders is een significant deel van de moslims al jaren bezig met het slijpen van de kromzwaarden. Volgens Lewis staan er duidelijk twee on verzoenlijke blokken tegenover elkaar, en in een van zijn essays schreef hij over een «clash of civilizations», een term waarmee Samuel Huntington vervolgens furore maakte.
De auteurs van deze bundel, die allen gespecialiseerd zijn in de geschiedenis van het Ottomaanse rijk, laten zien dat de bijdrage van de islamitische wereld aan de zogenaamde Renaissance in Europa enorm is geweest. Er was intensief commercieel en cultureel verkeer tussen de christelijke en de islamitische wereld. Van een «botsing» tussen twee blokken was geen sprake, eerder van poreuze grenzen en een levendige interactie. Deels komt het clichébeeld eenvoudigweg voort uit het feit dat bepaalde zaken nooit onderzocht zijn. Uitgebreid onderzoek naar tal van bibliotheken laat bijvoorbeeld zien dat er door moslims wel degelijk veel gereisd is, en dat zij even nieuwsgierig waren als hun westerse tijdgenoten.
Ook wordt duidelijk dat het «rise-and-fall»-_model te simplistisch is. Te lang is aangenomen dat de opkomst van het Westen noodzakelijkerwijs gepaard moest gaan met een neergang van het Oosten. Het belangrijkste kenmerk van de westerse Renaissance zou zijn dat men naar buiten gericht was geweest. Nieuwsgierigheid leidde tot de ontdekkingsreizen, die resulteerden in koloniale rijken, die voor welvaart zorgden. Tegelijkertijd zou het Ottomaanse rijk gestagneerd zijn. In haar artikel _The Treacherous Cleverness of Hindsight: Myths of Ottoman Decay laat Caroline Finkel zien dat ook dit beeld niet in overeenstemming met de werkelijkheid is. Terwijl landen als Spanje en Portugal in Afrika en Amerika min of meer geïsoleerde handelsposten en kleine koloniën stichtten, breidde het Ottomaanse rijk zijn invloed uit tot ver in de Indische Oceaan en maakte het de Zwarte Zee tot een «Ottomaans meer».
De traditionele visie op de islamitische wereld in de periode 1500-1800 is gebaseerd op twee onjuiste uitgangspunten. Om te beginnen is het begrip «Renaissance» hard aan herijking toe. Uit de enorme hoeveelheid studies naar dit fenomeen wordt duidelijk dat de negentiende-eeuwse visie op de geboorte van de «moderne mens» niet meer helemaal correspondeert met de voorhanden zijnde kennis. Ten tweede is het zo dat wanneer de westerse geschiedenis als norm wordt gehanteerd andere samen levingen altijd zullen gelden als «afwijking».
Deze in omvang bescheiden maar in houdelijk rijke bundel laat een glimp zien van de boeiende en verbazingwekkende geschiedenis van het Ottomaanse rijk. Het is echter jammer dat niet wordt ingegaan op de problemen waarmee het rijk na 1800 werd geconfronteerd. Want een deel van de huidige problemen zou wel eens kunnen voortkomen uit de periode waarin de eens zo machtige islamitische wereld in toe nemende mate door het Westen werd gekoloniseerd en/of betutteld.