Het Westen vervaagt

Zou Europa zich zelfstandig, zonder het bondgenootschap met de Verenigde Staten, kunnen handhaven? Absurde vraag. Sinds 1917, toen de Amerikanen in de Eerste Wereldoorlog werden betrokken, waardoor de Geallieerde overwinning onvermijdelijk werd, bestaat er een Amerikaans-Europese belangengemeenschap. Die heeft een historische en culturele grondslag. In tijden van grote nood groeit daaruit een politiek en militair bondgenootschap. Zo is het ook in 1941 na de Japanse aanval op Pearl Harbor gegaan, en in 1949, toen de Navo werd opgericht nadat een jaar tevoren door een communistische staatsgreep Tsjechoslowakije achter het IJzeren Gordijn was verdwenen. In veertig jaar Koude Oorlog heeft onder Amerikaanse leiding de democratie van het Westen bewezen in alle opzichten superieur te zijn aan het sovjetcommunisme. Het is binnenkort 21 jaar geleden dat de Berlijnse Muur viel. Amerika was de laatste supermacht, leider van de hele wereld, de hypermacht.
Hoe is het nu? Eerst nog een stukje recente geschiedenis. Na de Koude Oorlog zijn we aan het zorgeloze decennium begonnen. Daarna kwamen al gauw de Joegoslavische burgeroorlogen. Onder de ogen van de West-Europeanen en het machteloze toezicht van de Verenigde Naties verloren daar zo'n tweehonderdduizend mensen het leven. Toen greep Amerika in, met bombardementen. ‘This benign nation’, zei minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright. We gingen weer over tot de zorgeloze orde van de dag.
Op 11 september 2001 kwam de volgende breuk in de geschiedenis. De aanval op de Twin Towers was een drama waardoor het hele Westen geschokt werd. Wij zijn allen Amerikanen, schreef Le Monde. Waarschijnlijk is die krant nooit zo veel geciteerd als met deze uitspraak. Voor de regering van George Bush maakte het geen verschil. Amerika ging zijn eigen weg, zonder de Franse kaaseters en al die andere lammelingen op het oude continent. Eerst werden de Taliban verslagen, toen was Saddam Hoessein aan de beurt en negen jaar later is de natie nog altijd verstrikt in twee uitzichtloze oorlogen en de rest van de problematiek in het Midden-Oosten. Dat is, stelt The Economist vast, het resultaat van de neoconservatieve droom, 'die beloofde dat Amerika iedere vijand kan intimideren en de verwachting wekte dat de hele wereld de Amerikaanse waarden zou aanvaarden’. In 2002 en 2003 was dit weekblad zelf harts- tochtelijk voorstander van de aanval op Irak.
Deze week draagt het omslagverhaal de titel After Iraq: The Limits of American Power. Het is een evaluatie van bijna twee jaar Obama, en de president komt er niet slecht van af. Hij heeft de diplomatie in ere hersteld, het nut van economische druk begrepen, het gevecht tegen al-Qaeda niet opgegeven, en dit alles ondanks de durende economische crisis en een publieke opinie die de oorlogen moe is, en waarvan een deel, godsdienstig rechts, zich fanatiek tegen hem heeft gekeerd. Al met al krijgt Obama van The Economist een redelijk goed cijfer.
Maar ondanks de geladen titel - de grenzen van de Amerikaanse macht - dringt het blad niet door tot de kern van het probleem. De afgelopen negen jaar is duidelijk geworden wat de Britse, in Amerika wonende historicus Paul Kennedy in zijn boek The Rise and Fall of the Great Powers (1986) heeft voorspeld. Steeds meer wijst erop dat de laatste supermacht begint te lijden aan dezelfde kwaal die andere grootmachten, van de Nederlandse Republiek in de Gouden Eeuw tot het Britse Imperium, noodlottig is geworden. De imperial overstretch, het aangaan van overzeese verplichtingen die door het moederland economisch, militair en psychisch niet meer kunnen worden gedragen.
De muren van de Navo vertonen scheuren. Al jaren geleden is duidelijk geworden dat de Europese bondgenoten niet meer bereid waren de Amerikanen te helpen bij hun uitzichtloze werk in Irak. Afghanistan begint nu daarbij te komen. Het bondgenootschap in zijn daadwerkelijke vorm brokkelt af. Obama doet zijn best het verval te stuiten, maar op alle denkbare manieren heeft hij het tij tegen. De economie die niet wil herstellen, China als opkomende supermacht, het probleem van Iran, en boven alles het terrorisme dat zich met alle historisch beproefde middelen niet laat verslaan. Strijdend op al deze fronten begint Amerika een supermacht te worden die wankelt op de rand van overstretch.
Zo komen we terug op het beproefde westelijk bondgenootschap. Wat kan Europa doen om de Amerikanen te helpen? Niets, vrees ik. In Brussel zetelt het centrum van de Europese macht, maar een Europa dat als politieke eenheid kan handelen bestaat nauwelijks. Over een grote Europese buitenlandse politiek wordt niet meer nagedacht. De publieke opinie in de grote lidstaten is verstrikt in ruzies over de immigratie. Terwijl Amerika de lasten van de overstretch torst, zijn de Europeanen aan het provincialiseren. Het oude westelijke bondgenootschap van een kwart eeuw geleden is feitelijk verdwenen.