Moskou na het mislukken van de coup tegen Gorbatsjov, 21 augustus 1991 © Czarek Sokolowski / Associated Press / ANP

De oorlog in Oekraïne heeft een lange voorgeschiedenis. Niets is er over van de euforische stemming waarin de wereld zo’n slordige dertig jaar geleden afscheid nam van de Koude Oorlog en de totalitaire erfenis van Lenin en Stalin, en vrede en welvaart Oost en West toelachten. Ergens onderweg is er iets grondig misgegaan, maar waar? Aan het begin al misschien? In 1991 stortte de wereldmacht Sovjet-Unie in elkaar, of liever: zij viel uiteen in vijftien onafhankelijke staten, waaronder Rusland en Oekraïne. Die ineenstorting was de onbedoelde uitkomst van het beleid van Michail Gorbatsjov, de man die in 1985 was aangetreden als partijleider in de Sovjet-Unie. Hij moest deze wereldmacht, bestuurlijk en economisch sinds de jaren zestig ernstig in het slop geraakt, een nieuwe toekomst geven.

Gorbatsjovs wanbeleid mondde uit in een ramp voor het eigen land, meent de historicus Vladislav Zubok, verbonden aan de London School of Economics, en die ramp staat mede aan de wieg van de rampen van vandaag. In Collapse: The Fall of the Soviet Union, zijn recente, gedetailleerde geschiedenis van de ineenstorting van de Sovjet-Unie, schetst Zubok een huiveringwekkend beeld van de onmacht en chaos waarin Gorbatsjovs hervormingsstreven ten onder ging, totdat niet alleen het communisme verdween, maar ook de Sovjet-Unie desintegreerde, zonder dat dit eigenlijk de bedoeling was van de meeste betrokkenen.

Deze desintegratie is de ‘geopolitieke catastrofe’ waarover de huidige leider van Rusland, Vladimir Poetin, het af en toe heeft en die hij, met afschuwelijke methoden, in Oekraïne althans deels probeert goed te maken. Dit tot grote verrassing van de Verenigde Staten en andere westerse landen, waar de aandacht voor Rusland de afgelopen decennia danig was verslapt.

De wereld na Oekraïne

De invloed van de Russische inval in Oekraïne strekt veel verder dan de regio. Opeens vormt het Westen weer een blok tegenover het Oosten. De oorlog heeft de EU tot daadkracht aangezet, heeft de Navo weer relevant gemaakt en zorgt er ook voor dat de wereldwijde voedselvoorziening opnieuw hoog op de agenda staat. De komende weken interviewt De Groene wetenschappers en denkers over de geopolitieke toekomst.

Geen wonder, meent Zubok: al sinds 1985 is alles wat uit het Kremlin komt voor het Westen bijna steeds een verrassing. Soms een aangename, zoals de beëindiging van de Koude Oorlog door Gorbatsjov of de verregaande nucleaire ontwapeningsvoorstellen van de Russische president Boris Jeltsin in de jaren 1992-1994, die ook de denuclearisatie van Oekraïne mogelijk maakten. Dat de Sovjet-Unie en later Rusland tegelijkertijd een ernstige interne crisis doormaakten, hield het Westen veel minder bezig. Niet het Westen stond aan de basis van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Maar toen het, als onbedoeld neveneffect van een onhandige couppoging in 1991, gebeurde, kon het Westen daar prima mee leven.

Vladislav Zubok (1958) studeerde in Moskou en zette in de jaren negentig zijn loopbaan als specialist in de sovjetgeschiedenis voort aan Amerikaanse academische instellingen. Hoogleraar aan de London School of Economics is hij sinds 2013. In Collapse schildert hij een wrang beeld van de hooggespannen verwachtingen bij Gorbatsjov, Jeltsin en vele anderen, zoals de liberalen van de beweging Democratisch Rusland, ten aanzien van de westerse wil tot samenwerking. Er gingen ideeën rond over een economische ‘Grand Bargain’, een nieuwe Marshall-hulp die de Sovjet-Unie voor economische ineenstorting kon behoeden; en er was de verwachting dat Moskou op ooghoogte deel zou gaan uitmaken van een nieuwe Europese veiligheidsarchitectuur. Van het een noch het ander kwam iets terecht: na de desintegratie van de Sovjet-Unie en het einde van de Koude Oorlog leek het Westen zijn belangstelling te verliezen. Was dat ‘verraad’?

‘Ik zou eerder willen spreken van onvervulde verlangens’, zegt Zubok via een Zoom-verbinding. ‘Ik kan me die verlangens, als jonge student in Moskou in de jaren negentig, heel goed herinneren. Het was een tijd van hoop en van sterke sympathie voor het Westen dat, meende men zeker te weten, ons zou bijstaan. In zekere zin waren die verwachtingen een bijproduct van de afbrokkelende mythologie van het communisme: eens te meer in de geschiedenis stond ons land op een gevaarlijke tweesprong en het was zaak nieuwe doelstellingen te formuleren. Iedereen wilde deel uitmaken van het Westen, vooral toen de grenzen opengingen en reizen mogelijk werd.

De gedachte aan een nieuwe Marshall-hulp – grootscheepse financiële steun aan de Sovjet-Unie – kwam op in 1991 en werd vooral bepleit door de Franse president François Mitterrand en de Italiaanse premier Giulio Andreotti. Beiden waren politici die naar Rusland keken als een Europees land, dat er in de geschiedenis altijd geweest was en dat nu, net als de West-Europese landen na 1945, hulp nodig had. Er is niets van terechtgekomen. De genadeklap kwam van de Amerikaanse regering-Bush sr., die helemaal niets zag in zo’n Marshall-plan. En dat nog niet eens vanwege de kosten of het ontbreken van een coherente hervormingsstrategie aan de sovjetkant. De oorzaak was meer de traditionele Amerikaanse kijk op de Sovjet-Unie en Rusland als een totalitaire, imperialistische mogendheid die in de geschiedenis altijd al imperialistisch was geweest en vermoedelijk altijd een probleem zou blijven. We moeten deze staat zeker niet helpen intact te blijven, zullen ze in Washington hebben gedacht.’

Vladislav Zubok © Sergey Melikhov
‘Glasnost leidde tot de gedachte dat het verleden misdadig was en de toekomst onduidelijk’

Moeten we ze dat kwalijk nemen? ‘Het is niet de taak van een historicus om wie dan ook iets kwalijk te nemen, maar om verbanden te laten zien. Een gemiste kans was het zeker. “Grand Bargain” en “Marshall-plan” klinken geweldig. Zelfs al was het maar bij vage beloften gebleven, dan nog was het voor de coupplegers van 1991 veel moeilijker geweest hun plan door te zetten en daarmee onbedoeld de Unie op te blazen. Iedereen zou ze hebben gezegd: ben je gek geworden? De Marshall-hulp in de waagschaal stellen?’

In Collapse betoogt Zubok dat de ineenstorting van de Sovjet-Unie, anders dan in de VS vaak wordt beweerd, niet in de eerste plaats het gevolg was van het feit dat de Sovjet-Unie in de bewapeningswedloop met de VS niet meer kon meekomen, maar bovenal het resultaat van politiek en intellectueel onvermogen, in het bijzonder van één man: Gorbatsjov. Zubok deelt geenszins de in het Westen breed gedragen bewondering voor de uitvinder van ‘perestroika’ en ‘glasnost’ en beëindiger van de Koude Oorlog: op binnenlands gebied was Gorbatsjov een ramp, concludeert hij. Als partijleider vanaf 1985 en tevens president vanaf 1990 beschikte Gorbatsjov over enorme bevoegdheden en machtsmiddelen. Dat het sovjetsysteem, vooral economisch, om hervormingen schreeuwde, was sinds de jaren zestig al bekend. De toestand werd op alle fronten steeds nijpender: zelfs in bevoorrechte steden als Moskou en Leningrad werden de rijen steeds langer.

Toen in 1982 Joeri Andropov was aangetreden als opvolger van partijleider Leonid Brezjnev werd verwacht dat Andropov, als voormalig hoofd van de geheime dienst kgb, onder handhaving van een streng autoritair politiek regime hervormingen in de richting van een markteconomie zou doorvoeren. Maar Andropov overleed al na een jaar. Na een kort intermezzo onder Konstantin Tsjernenko, die eveneens na een jaar de geest gaf, kwam Gorbatsjov. Die bleek uit heel ander, meer idealistisch hout gesneden.

Zubok beschrijft hoe Michail Gorbatsjov, in plaats van te vertrouwen op de in het bestuursapparaat van de staat aanwezige kennis van economie en samenleving, zich het liefst terugtrok uit het werk van alledag om inspiratie op te doen uit de werken van Vladimir Iljitsj Lenin, stichter van de sovjetstaat. Met zijn vrouw Raisa koesterde hij idealen uit de tijd van de korte periode na Stalins dood die als de ‘Dooi’ bekendstaat. De nieuwe leider stond een ‘socialistische democratie’ voor ogen, een vaag ideaal dat leidde tot meer persvrijheid, ruimte voor publiek debat en aandacht voor de schaduwzijden van de sovjetgeschiedenis en dat hem, onder de noemer ‘glasnost’, met name in kringen van de intelligentsia enkele jaren ongekend populair maakte.

Al snel bleek echter dat de in het buitenland bejubelde Gorbatsjov in eigen land vooral aarzelend optrad. In plaats van economische hervormingen door te voeren, zag de partijleider/president vooral heil in politieke maatregelen, zoals in 1989 het bijeenroepen van een maar liefst 2250 leden tellend Congres van Volksafgevaardigden van de Sovjet-Unie. De daar gevoerde debatten leidden tot niets concreets, maar pasten wel bij Gorbatsjovs stijl van leiderschap: heel veel praten en delibereren, weinig conclusies trekken. Zijn krediet, zowel in de politieke en intellectuele elite van de Sovjet-Unie als in de bevolking in den brede, verdween als sneeuw voor de zon.

Vladislav Zubov denkt dat Gorbatsjov ten onrechte het apparaat van de Communistische Partij, het bindweefsel van de Sovjet-Unie, als een hinderpaal voor de verwezenlijking van zijn idealen zag. ‘Als jongeman dacht ik natuurlijk ook: weg met de partij. Veel te corrupt, veel te conservatief. Maar voor miljoenen sovjetburgers was de partij de enige geloofwaardige machtsfactor die problemen kon oplossen. Gorbatsjov vertrouwde trouwens aanvankelijk juist wel op de partij, en zuiverde de hogere regionen ervan – het Politburo, het Centraal Comité – van de oude Brezjnev-garde.’

Ironisch genoeg waren de jongeren die vanuit de gewesten hun plaats innamen veel kritischer ingesteld dan de oude garde: cynischer over de partijcultuur, vrij van ideologische taboes en niet beladen door stalinistische heilige huisjes. In plaats van naar hen te luisteren, zag Gorbatsjov hun kritiek – op zijn persoon en zijn beleid – als een bedreiging. Liever leende hij het oor aan de liberale intelligentsia, wat op den duur tot zijn val heeft bijgedragen omdat die intelligentsia op hem uitgekeken raakte en op zijn rivaal Boris Jeltsin ging wedden.

‘Gorbatsjov was een man uit Zuid-Rusland’, zegt Zubov ter verklaring van de schier eindeloze boutades van de partijleider, zowel in het openbaar als achter gesloten deuren. ‘Hij was geen intellectueel en zijn opleiding was bescheiden. Zijn praatgraagte was in het begin van de perestroika geen probleem: iedereen wilde toen na decennia van verplicht zwijgen eindelijk het woord voeren. Maar dat veranderde rond 1989, toen pijnlijk duidelijk werd dat de man die alle macht had niet verder kwam dan delibereren. Glasnost leidde tot de gedachte dat het verleden vol misdaden was, het heden niet veelbelovend en de toekomst onduidelijk. Veel mensen keken aanvankelijk op een romantische manier naar Gorbatsjov als een leider die de weg zou wijzen en ons van de angst voor het bestaan zou bevrijden. Daarin faalde hij volledig.’

Het machtsvacuüm dat Gorbatsjov zo liet ontstaan gaf ruim baan aan het opkomen van nationalistische ongenoegens, vooral in de Baltische landen en de Kaukasus. Boris Jeltsin, de partijleider van de grootste van de vijftien sovjetrepublieken, de rsfsr (de huidige Russische Federatie) zag zijn kans schoon om Gorbatsjovs positie aan te vechten door Rusland en zijn instituties zoveel mogelijk in de plaats te stellen van de Unie. Gorbatsjov wilde die Unie juist behouden, nu als een politieke confederatie op basis van vrijwilligheid.

‘Iedereen zou hebben gezegd: ben je gek geworden? De Marshall-hulp in de waagschaal stellen?’

In augustus 1991 vond, weer onverwacht, een poging tot staatsgreep plaats. Op initiatief van Vladimir Krjoetsjkov, het hoofd van de kgb die wilde verhinderen dat, naar hij vreesde, de Sovjet-Unie als staat ten onder zou gaan, werd met steun van de strijdkrachten de macht opgeëist door een soort junta, die Gorbatsjov liet arresteren. Omdat vreemd genoeg de junta Boris Jeltsin ongemoeid liet en er ook verder tegenop zag geweld te gebruiken, verzandde de staatsgreep binnen enkele dagen. Jeltsin kwam als populaire leider die de vrijheid had verdedigd uit de bus. Gorbatsjovs rol was uitgespeeld, al leek hij dat maandenlang zelf niet te beseffen.

In september bepaalde Jeltsin op een achternamiddag in een geheime vergadering met de collega-partijleiders van Oekraïne en Wit-Rusland (nu Belarus) dat het definitief afgelopen moest zijn met de Sovjet-Unie. Dat was opnieuw een verrassing voor het Westen, dat hoge verwachtingen had van de door Gorbatsjov bepleite nieuwe Unie, en trouwens ook voor de leiders van de andere, nu plotseling tot onafhankelijkheid veroordeelde sovjetrepublieken. Op 25 december werd de rode vlag van de Sovjet-Unie voor het laatst gestreken op het Kremlin.

Het boek Collapse eindigt hier, maar tussen Rusland, als politieke opvolger van de Sovjet-Unie, en het Westen kwam het nooit meer goed, meent Vladislav Zubok. Boris Jeltsin bleef lang geloven dat Rusland mogelijk lid van de Navo zou kunnen worden, waardoor het Atlantisch bondgenootschap zich zou ontwikkelen tot veiligheidsorganisatie van Lissabon tot Vladivostok. Voor zo’n scenario ontbrak in de VS en de andere Navo-landen elke animo: Rusland was te groot en kende bovendien een onsympathieke imperialistische traditie, die in 1994 duidelijk aan het licht trad toen met militaire middelen de nationalistische opstand in Tsjetsjenië werd onderdrukt. Zubok: ‘De Amerikanen hebben een broertje dood aan imperialisme, behalve hun eigen imperialisme natuurlijk, dat ze dan “de wereld beter maken” noemen.’

Toen het Westen wel andere, aan het territorium van de voormalige Sovjet-Unie grenzende landen ging toelaten tot de Navo, brak bij Jeltsin bittere teleurstelling door: de Navo ontpopte zich tot een structuur die er net als vroeger op gericht was Rusland in toom te houden. Dat de Navo in 1999, zonder Rusland daarin te kennen en zonder VN-mandaat, tijdens de Kosovo-crisis Servië bombardeerde, deed bij Jeltsin en de rest van de Russische politieke elite definitief de overtuiging postvatten dat het Westen helemaal niet van zins was Moskou een plaats te gunnen aan de Europese tafel. Rusland gold eerder als de eeuwige ‘ander’ die zich elk moment weer tot vijand kon ontpoppen. Vanuit die deceptie was het niet zo’n grote stap naar de onder Poetin in zwang geraakte mythe dat het Westen de eeuwige vijand is van Rusland en er altijd op uit is Rusland te ondermijnen, door het inpalmen van buurlanden of tweedracht zaaien in de Russische samenleving.

‘Jeltsin was diep teleurgesteld en verbitterd over de houding van het Westen’, zegt Zubok. ‘Maar onder Poetin heeft pas met de jaren een nieuwe mythe ingang gevonden: dat het Westen Rusland willens en wetens heeft misleid en bedrogen. Die mythe, die als alle mythen een kern van waarheid in zich draagt, sluit uitstekend aan bij het gevoel van veel Russen dat zij in de geschiedenis altijd slachtoffers zijn. En we zien in Oekraïne nu waar zulke gevoelens toe kunnen leiden. Poetins beslissing van 24 februari om Oekraïne binnen te vallen was, denk ik, niet door zakelijke overwegingen ingegeven, maar door zijn eigen opvatting van de geschiedenis. Hij is de gevangene van mythen die hij zelf bedacht heeft.’

De historicus ziet een treffende overeenkomst tussen Poetins inval in Oekraïne en de onfortuinlijke poging tot staatsgreep van Krjoetsjkov en zijn kameraden in 1991, die de ineenstorting van de Sovjet-Unie inluidde. Zowel toen als nu pleitte, rationeel gezien, eigenlijk alles tegen de dramatische beslissing, maar voelde men zich toch verplicht tot handelen. ‘In beide gevallen zeiden de actoren dat er voor hun stap “geen alternatief” was. Het is een verbazingwekkend fenomeen: hoe in ander opzicht slimme en goed geïnformeerde mensen ervan overtuigd kunnen raken dat zij voor een afgrond staan, dat er geen andere oplossing is dan springen, tegen alle schijn in, in weerwil van de gevaren. Krjoetsjkov heeft later in verhoren verteld hoe dat in 1991 was gegaan. Over Poetins besluitvorming weten we nog weinig, maar het lijkt wel zeker dat hij pas daags tevoren heeft besloten om Oekraïne daadwerkelijk binnen te vallen. Bij sommige mensen is gedrag heel moeilijk te voorspellen: ze springen onverwacht in het diepe. Zulk gedrag kan echter enorme, blijvende consequenties hebben.’

De geschiedenis herhaalt zich niet, zegt Zubok. ‘Maar zij rijmt.’

Aan het einde van Collapse schrijft hij: ‘De economische ramp en maatschappelijke trauma’s die het gevolg waren van de ineenstorting van de Sovjet-Unie verklaren niet wat nu, vele jaren later, gebeurt, en nog veel minder vormen ze daarvoor een rechtvaardiging.’ Maar waar deze geschiedenis ons wel met de neus op drukt, is de altijd bestaande mogelijkheid van een historische ommekeer en verrassingen. ‘En de voornaamste aanjager van dit alles is de persoon aan de macht die besluit dat er geen alternatief is voor zijn waanzin.’

Poetin lijkt tot de overtuiging gekomen dat de keus voor zijn regime, en daarmee voor Rusland, ‘vechten of ten onder gaan’ is. ‘Voor een deel van de Russische politieke elite en een verrassend groot aantal Russen bieden mythen van nationale overleving in een epische strijd tegen het Westen, en sprookjes van Russisch noodlot en zelfopoffering, nog steeds afdoende bescherming tegen de realiteit van de isolatie van het land en de dreigende catastrofe’, constateerde Zubok onlangs in een tijdschriftartikel.

Maar de toekomst heeft hij als historicus niet in pacht. ‘Hoe levenskrachtig is Poetins mythe? Zal zijn verhaal instorten, zoals de communistische ideologie van de vorige eeuw? Of zal die mythe van een strijdend Rusland als een feniks uit de as herrijzen, zoals de afgelopen eeuwen al vaker is gebeurd? Over een aantal maanden zullen we dat weten.’