Pleidooi voor een nieuw prototype

Het wilde wonen

Afgedankte pallets als buitenwand of een windmolen op het dak: zelfbouwwijken zijn proeftuinen vgoor nieuwe architectonische mogelijkheden. Prima, dat soort experimenten.

HET KOST JE JE HUWELIJK en het kost je een vermogen. Dat zijn de waarschuwingen die gewoonlijk worden gericht aan Nederlanders die zelf een huis laten bouwen. De maatregelen van de overheid om het particulier opdrachtgeverschap te bevorderen mogen dan versoepeld zijn, de praktijk leert dat het nog niet zo eenvoudig is een kavel te bebouwen, zeker niet als je als eigenaar hoog hebt ingezet. Dus kiezen veel Nederlanders maar voor het gemak: een cataloguswoning in de vorm van een boerderette, notariswoning of andersoortige bekende archetypes die uit voorraad leverbaar zijn.
Dat is de keerzijde van het Wilde Wonen, het proces dat sinds 1995 op gang is gekomen dankzij de inzet van ex-architect Carel Weeber (tegenwoordig ook Carlos geheten) die vond dat de standaardwoningbouw Nederland overheerste. Zo wild gaat het er in feite niet aan toe in de wereld van ‘eigen haard, eigen huis’. De gemiddelde Nederlander kiest voor een braaf exemplaar. Toch kun je je nog volop verbazen over de buitenissige woningen die intussen ook zijn gebouwd. In dat opzicht beschikken de zogeheten zelfbouwwijken over voldoende uitzonderingen die een bewijsstuk vormen van het nieuwe individualisme in de Nederlandse woningbouw. Zoals ik woon, zo ben ik zelf.
Nieuw Leyden is zo'n wijk die verbazing wekt. Op het voormalige Slachthuisterrein aan de rand van de Leidse binnenstad hebben particulieren de afgelopen drie jaar de mogelijkheid gekregen een eigen huis te bouwen, waarbij ze een parkeerdek moeten delen. Dat verplichtte de zelfbouwers tot buurtvergaderingen om de bouw op elkaar af te stemmen, want alle woningen staan tegen die parkeergarage aan. Men bezit geen tuin maar een plaatsje achter het huis. De filosofie van de gemeente en de corporatie Portaal was duidelijk: door dit gezamenlijk overleg groeit er een zekere cohesie in de wijk. Het is de vraag of de deelnemende partijen daarop zitten te wachten, maar enig moralisme is de woningbouw in Nederland nu eenmaal niet vreemd, ook niet in de vrije sector.
De vrije kavels in Leiden zijn niet vrij, want de huizen staan tegen elkaar aan op een stuk grond dat vijf meter breed is en vijftien diep. Binnen die envelop (een woord dat architecten graag gebruiken) konden ze hun gang gaan. Voorover hellende gevels, een voortuintje afgescheiden door een muur met sierbalustrade, wild metselwerk, anything goes in Leiden. Je beklaagt je over de zelfbouwer die zich heeft ingehouden met een zorgvuldig ontworpen huis maar ondertussen gedwongen is naar het potsierlijke pand van de overbuurman te kijken. Velen realiseren zich niet dat je in een uitzicht woont.
Zo'n rariteit is een huis in de Hertzstraat waar ik een paar minuten met open mond naar heb staan kijken. De eigenaar/bewoner had gekozen voor twee reusachtige zuilen voor de gevel die een daklijst ondersteunen. Die zuilen gaan een gevecht aan met de nietige voordeur (voordeur verliest dus), die als ik me niet vergis niet helemaal geopend kan worden. Op de eerste etage zijn de rijk versierde balustrades dichtgezet met gaaswerk. Een buurtbewoonster vertelde me dat hier een zelfbouwende Marokkaan zijn fantasie heeft laten botvieren. Hij heeft de materialen uit zijn vaderland laten importeren en daaruit zijn paleis opgetrokken. Helaas voor hem klopten de maten niet helemaal, zodat hij noodvoorzieningen moest treffen, zoals gaas bij het balkonhek.
Je kunt daar lacherig over doen, maar eigenlijk is het bijzonder dat een Marokkaanse Nederlander in dit land een woning bouwt, in plaats van in Tetouan. Grepen maar meer allochtonen die kans - en zet er vooral geen werkgroep of begeleidingscommissie op. Dat gebeurt in Marokko immers evenmin. Het maakt de woningbouw avontuurlijker en verrassender. Mislukken hoort er ook bij. Dat kan zelfs de meest gerenommeerde Nederlandse interieurontwerper overkomen. Een paar dagen na mijn bezoek aan Nieuw Leyden passeerde ik in Almere Overgooi een villa van de hand van Jan des Bouvrie. Overgooi moet het antwoord zijn op de rijke bouw van het Gooi, waar nauwelijks ruimte meer is voor zelfbouwers die het breed willen laten hangen. Op het nieuwe land is die ruimte er wel, en aangezien de bomen en het struikgewas nog niet hoog zijn opgeschoten, is er alle gelegenheid je te verlustigen aan de smaak van de nouveau riche. Huizen in Engelse countrystijl, geïnspireerd op de architect Lutyens, patriciërshuizen met luiken en forse rieten daken, maar ook modernistische villa’s die zijn ontworpen door bekende bureaus als Mecanoo en NEXT Architects. Onder hen bevindt zich overigens ook de woning van burgemeester Jorritsma die het rustig heeft gehouden: een geschakeld complex, waar Annemarie met haar man in de ene vleugel woont en haar dochter in de andere. De patio wordt ingenomen door een zwembad.
De voordeur van het witte huis van Des Bouvrie is, zoals het geval is bij veel villa’s in de Almeerse zelfbouwwijken, te bereiken via een robuuste oprijlaan, afgezet met laurierboompjes in potten. Je moet je Bentley natuurlijk een beetje chic kunnen voorrijden. Een blauwe neonlijn omlijst de gevel, zodat je hier in het donker niet verdwaald raakt. Naar de Bentley is het vergeefs zoeken, want het huis staat te koop. Omdat Van Lanschot Bankiers, de hypotheekverstrekker, wilde weten wat deze villa zou moeten opbrengen, vroegen ze advies aan het architectuurcentrum van Almere, Casla. Dat is nog niet zo eenvoudig. 'Voor de liefhebber’, zou de advertentietekst kunnen luiden. De wanden zijn van zo'n verblindende kleur wit dat je doorlopend een zonnebril moet opzetten. Daar kan natuurlijk een verfkwast overheen. Ingewikkelder wordt het met de indeling. Het interieur is symmetrisch gerangschikt rond een hal, die qua afmeting te fors is ten opzichte van de woonvertrekken. Er is dus niet alleen een verfkwast nodig, maar ook een slopershamer. En dan wordt deel twee van de zelfbouw wel erg kostbaar.
Het lijkt erop dat Nederland nog moet wennen aan de wetmatigheden bij particulier opdrachtgeverschap, waarmee de Belgen al ruimschoots ervaring hebben. Onze traditie is die van de sociale woningbouw waarop architecten en woningbouwverenigingen zich een eeuw lang hebben kunnen uitleven. Nu in vijftien jaar tijd ruimte is geschapen voor het vrije huis op de vrije kavel word je geconfronteerd met rijp en groen: kennelijk kost het tijd voor een opdrachtgever om zijn eisen en wensen te formuleren. Hij moet leren keuzes te maken als de limiet van het budget is bereikt, hij moet het gevecht durven aangaan met taaie regelgeving, het bestemmingsplan en bouwvoorschriften. Gelukkig staan in sommige gemeenten, waaronder Almere, begeleidende bouwbureaus aan de zijlijn die het proces kunnen versoepelen. Daarmee wordt veel leed voorkomen.
In dat opzicht hebben zelfbouwende architecten het makkelijker. Ze kennen het klappen van de zweep, waardoor ze hun droom tot op het detail kunnen uitvoeren. Zo heeft architect Maarten Min in Bergen de eis van het bestemmingsplan waarin de hoogte van de goot vaststond, inventief omzeild. De goot ligt laag, twee meter boven de grond, daarboven rijst een absurd hoog dak op, want de nokhoogte was niet in het bestemmingsplan aangegeven. Aan architecten dus de taak om prototypes te ontwerpen, die anderen tot navolging kunnen bewegen.
Twee recente voorbeelden illustreren hoe dat kan. Jan Jongert van 2012 Architecten stelde de Villa Welpeloo samen op basis van bouwmaterialen die in de omtrek van vijftien kilometer gevonden konden worden. Het is zijn commentaar op lange en dus energieverslindende bouwtransporten. En zo kwam een kubistische villa tot stand met pallets als buitenwand en metalen strips als verbindingselementen. 2012 Architecten heeft zichzelf als ideaal gesteld de verspilling een halt toe te roepen; restmateriaal dat nodeloos wordt weggegooid, kun je juist een creatieve toepassing geven. In het experimentele muziekcentrum WORM in Rotterdam - ook van 2012 - laveert de bezoeker tussen autobanden (ideale zitelementen), afgedankte luchtzuiveringspijpen en hergebruikte stellingkasten. Zoals WORM geen zootje is geworden, zo is ook Villa Welpeloo een overtuigende vorm van hergebruik die andere architecten in deze crisistijd aan het denken zou kunnen zetten.
Op IJburg werd eerder dit jaar het volledig autarkische huis van Pieter Weijnen (FARO Architecten) ingewijd. De windmolen op het dak levert de energie terwijl het hele huis net als Villa Welpeloo is opgetrokken uit herbruikbaar en hergebruikt materiaal. Daaronder bevindt zich Rockwool, isolatiemateriaal dat bij sloop ogenblikkelijk in de container verdwijnt, maar hier een tweede leven heeft gekregen. Het ideaal van Weijnen is dat de woning demontabel is, zodat geen enkel onderdeel het milieu belast. En de capaciteit van de windmolen is zodanig dat hij op termijn zelfs energie kan verkopen aan de buren.
Van een leien dakje is het niet gegaan. Met energiegigant Nuon leverde Weijnen een gevecht over de stroomleveranties die standaard zijn gekoppeld aan de woningen op IJburg. Weijnen moest gemeente en Nuon ervan overtuigen dat hij die energie niet nodig had; bovendien kostte het moeite een vergunning voor een windmolen op het dak te krijgen. Je zou in deze tijd een wat verlichtere houding van de autoriteiten verwachten - waarom zouden particuliere windmolens net als zonnepanelen niet wat ruimhartiger worden toegestaan? In plaats daarvan trekt de overheid de subsidie in, en zijn sommige windmolenfabrikanten gedwongen hun productie en afzet naar China te verplaatsen.
De conclusie die je uit de experimenten van 2012 en FARO kunt trekken, is dat er perspectieven zijn voor coalities tussen innovatieve bedrijven, architecten, slopers en hergebruikers, idealisten en realisten. Omdat het om zulke kleinschalige initiatieven gaat, zijn de investeringen ook nog overzichtelijk. De noodlijdende woningcorporaties kunnen daar op dit moment niet eens aan denken, druk bezig als ze zijn met overleven. De zelfbouwwijken zouden daardoor meer dan nu het geval is proeftuinen kunnen worden, die een mozaïek aan nieuwe mogelijkheden en technieken laten zien. Dat maakt de rariteiten die er nu staan minder bizar, sterker zelfs, je zou ze moeten beschouwen als prototypes die de weg effenen naar nieuwe woningtypologieën. Als ergens uitvindingen kunnen worden gedaan, is het in de zelfbouwwijk.