Het windsor-sprookje is ten einde

Als de voortekenen niet bedriegen, stevent Groot-Brittannie voor de tweede maal in honderd jaar op een koningskwestie af - met dit verschil dat nu niet alleen de troonopvolger, maar ook het voortbestaan van de monarchie openlijk ter discussie staat. Het is duidelijk dat de echtelijke perikelen, het financiele wanbeheer en de opzettelijke perslekken van de koninklijke familie - duizendvoudig versterkt door een schreeuwerige boulevardpers - diepe voren door de Britse ziel hebben getrokken. Het komt de door schandalen geplaagde regering-Major natuurlijk bijzonder slecht uit, maar door toedoen van een van de serieuze dagbladen is de kwestie nu uitdrukkelijk op de politieke agenda geplaatst.

The Independent publiceerde afgelopen zondag de uitslag van een enquete onder 1165 landgenoten, waaruit bleek dat de populariteit van de monarchie ernstig tanende is, vooral onder jongeren. Bijna de helft van de ondervraagden beschouwt de koninklijke familie als een luxe die het land zich niet kan veroorloven. Meer dan de helft verwacht niet dat de monarchie de komende vijftig jaar overleeft. Vergeleken met zes jaar geleden vindt een onrustbarend aantal Britten de koninklijke familie tegenwoordig ‘lui’, 'extravagant’, 'onverantwoordelijk’ en 'slecht voor het nationale imago’.
Opmerkelijk genoeg is het niet de huidige koningin die deze twijfel over het huis van Windsor afroept. Driekwart is tevreden over de manier waarop Elizabeth haar grondwettelijke taken uitvoert, slechts zestien procent is ontevreden. De verontwaardiging richt zich volledig op prins Charles, want bij hem ligt de score nagenoeg andersom, terwijl hij nog maar zes jaar geleden even populair was als zijn moeder. Welbeschouwd is dat minstens zo opmerkelijk, want ook hij kwijt zich als hertog van Wales naar behoren van zijn verplichtingen.
Zijn optreden in het openbaar is houterig en saai, maar overigens valt er niets op hem aan te merken, als je zijn opvoeding tenminste in de beoordeling betrekt: naargeestige kinderjaren onder de karwats van zijn egocentrische vader Philip, gevolgd door een verblijf op een kostschool zonder centrale verwarming, waar de afranseling van tengere knapen met flaporen een vast onderdeel van het sportcurriculum was. Zo bezien is het een klein wonder dat Charles zich heeft ontpopt tot een beminnelijke fantast, wiens campagne tegen de sociale en architectonische verloedering van de Britse binnensteden velen uit het hart gegrepen lijkt. In elk geval is hij een verademing vergeleken bij de kleurloze prinses Anne, wier publieke verschijning het meeste wegheeft van een stilleven met paardegebit.
Evenmin heeft Charles zich omringd met buitengewoon aanstootgevende vrienden, althans vergeleken bij de keur aan excentrieke uitvreters, salonfascisten, paardekontenkletsers en klinische idioten die zich de afgelopen honderd jaar in Windsor Palace recu mochten noemen. En de hemel weet dat zijn buitenechtelijke affaire met Camilla Parker-Bowles geen uitzondering in de familie-annalen is: over zijn voorganger George IV, die regeerde van 1820 tot 1830, meldt de geschiedschrijving dat hij reeds bij zijn leven bekend stond als de 'grootste drinker, grootste gokker en grootste rokkenjager van het koninkrijk’. En het feit dat Charles weinig voeling heeft met zijn volk is in historisch perspectief ook al geen bezwaar. De vorst waarmee de Britten zich de afgelopen eeuw het meest identificeerden - met die kinderlijke mengeling van ontzag en aanhankelijkheid die door monarchisten de 'mystiek van het koningschap’ wordt genoemd - was nota bene van Duitse afkomst. Toen Victoria van Saksen-Coburg in 1818 voor het eerst voet aan Britse wal zette, begroette zij haar toekomstige onderdanen met de uit het hoofd geleerde woorden: 'Ei em mohst gretful for yur congratuleschens end gud uishes.’ Als rechtgeaarde Duitse prinses sprak zij van huis uit namelijk Frans, alsmede een mondje Duits om het personeel te kunnen uitfoeteren.
Nee, Charles’ dramatische populariteitsverlies valt alleen te verklaren uit het mediagevecht dat volgde op zijn mislukte huwelijk met Diana, en dat de natie in twee kampen dreigt te verdelen. Hoezeer hij zich ook inzet voor allerlei goede doelen, het moddergevecht met zijn eega doet volk en volksvertegenwoordiging wanhopen aan zijn vermogen om de natie anders dan per charitatieve videoclip tot enige saamhorigheid te inspireren. Als laatste uitvlucht wijzen verstokte monarchisten dan ook met de beschuldigende vinger naar de tabloids met hun hysterische opmaak en hoerige verslaggeving, maar ook die uitleg wordt door de familiekroniek weerlegd. Gekuiste berichtgeving kan een troon namelijk evenzeer doen wankelen. De verhouding van koning Edward VIII met de mooie, intelligente en geestige mevrouw Simpson in de jaren dertig was door de publieke opinie zeker positief ontvangen, ware het niet dat de romance op gezag van de verzamelde hoofdredacteuren door de gehele Britse pers werd doodgezwegen. Juist dank zij die nationale zelfcensuur kon de puriteinse premier Baldwin in het diepste geheim Edward dwingen om te kiezen tussen het koningschap en de reeds tweemaal gescheiden Amerikaanse. Dank zij de absolute vrijheid die de Britse pers zich tegenwoordig aanmeet, behoren zulke ondemocratische machinaties voorgoed tot het verleden.
De aangekondigde val van het huis van Windsor is een heus teken des tijds: het privilege op grond van geboorte heeft zijn langste tijd gehad. Het sprookje is ten einde, zo schrijft The Independent in een begeleidend commentaar: in 1980 werden wij geacht te dansen van vreugde over het prinselijk huwelijk, en nu datzelfde huwelijk uiteenspat kan men niet verwachten dat wij ons discreet afwenden. Het dagblad verklaart zich als eerste Britse krant onomwonden tot voorstander van de republiek en belooft dit standpunt de komende tijd uit te dragen. Wel voegt de commentator er wijselijk aan toe dat Elizabeth in de gelegenheid moet worden gesteld om haar tijd uit te zitten en dat de invoering van de republiek geleidelijk en langs de weg van een referendum dient plaats te vinden. Hopelijk zal de Britse politieke kaste dan ook tijd vinden om zich te buigen over de enige werkelijk verontrustende uitkomst van de enquete, en wel het gegeven dat de helft van de Britten totaal onverschillig staat tegenover de vraag welke staatsvorm het beste is voor het land. Daar zou ik als politicus pas echt van wakker liggen.