Het winnende boek is…

Als u dit leest, is het allemaal weer achter de rug, maar ik begin op dit moment een tikkeltje nerveus te worden. Het is namelijk de vooravond van de uitreiking van de Gouden Uil, op maandag 4 mei.
Door eerdere nominaties weet ik in grote lijnen wat me te wachten staat. Onder de vijf schrijvers die voor de prijs in aanmerking komen, zal een wat lacherige sfeer ontstaan tijdens het diner. Vooralsnog ga ik er vanuit dat we met z’n allen aan één tafel zitten: Pia de Jong, P.F. Thomése, Jan van Loy, Robert Vuijsje en ik. Hoewel het kwinkslagen regent, merk je aan alles dat we in een wachtkamer zitten. Het is alsof er onder de tafel een tijdbom tikt. Niemand spreekt het uit, maar iedereen weet dat één van de vijf schrijvers dadelijk de prijs in de wacht sleept, en alle anderen een randje teleurstelling moeten verwerken.
Allemaal veinzen we eigenlijk niet op de hoogte te zijn van alle voorafgaande speculaties, de door Humo en De Standaard gepubliceerde winprognoses, de schaduwjury’s en internetblogs en -polls, terwijl we in werkelijkheid natuurlijk een Google Newsalert hebben aangemaakt en alles bespieden zoals aandeelhouders doen met beurskoersen.
Al bij het voorgerecht zal er consensus bestaan over de stelling: ‘Ach, die prijzen… het is eigenlijk één grote loterij.’ Dat is waar, en toch kun je ze daarom nog niet zomaar negeren. Hoewel de literatuur geen competitie is, ontkom je er niet aan in het concourscircuit mee te spelen. Een nominatie betekent media-aandacht en extra drukken voor een boek dat de winkeliers anders al van uitstaltafels naar verticale kastgraven hadden verplaatst.
AKO, Libris en Gouden Uil: in het overvoerde boekenklimaat zijn het de poorten naar een lezerspubliek geworden, en dat betekent stress die exponentieel groeit bij longlist-, shortlist- en winnaarbekendmaking.
De tijdbom tikt door. Bij het hoofdgerecht vertellen we elkaar de bekende verhalen over jury’s die niet tot een unanieme winnaar konden komen en daarom een compromiskeuze bekroonden. ‘Het zegt dus niets’, beweer ik, en schenk nog wat wijn bij.
Nou ja: niets? Het zegt iets over het banksaldo en de naamsbekendheid van de uitverkorene.
Bij het dessert zullen we collectief gniffelen om de malle interviewvragen die we de laatste tijd hebben gekregen, en over de ervaring met de filmploeg van Canvas, die met ieder van ons zes uur bezig is geweest voor een filmpje van twee minuten. Zelf zal ik de anekdote vertellen dat ik acht keer achter elkaar een cappuccino moest bestellen, wat steeds niet bevredigend genoeg in beeld kwam, en uiteindelijk niet eens in het filmpje is opgenomen.
Dit zal aanverwante verhalen losmaken bij mijn disgenoten, en intussen tikt die tijdbom maar door.
Totdat het acht uur is. Op aandringen uit Nederland zullen er twee minuten stilte in acht worden genomen. Een interessant psychologisch experiment: is het mogelijk de slachtoffers van de holocaust te herdenken terwijl er camera’s draaien en een juryvoorzitter met een envelop klaarstaat met mogelijk de titel van jouw boek erin en 25.000 euro?
Om de waanzin te completeren is 4 mei ook nog eens elk jaar weer mijn verjaardag, waardoor de situatie ontstaat dat er vooraf allerlei felicitaties komen, waarna ik de verwarring die dit onder mijn geschrokken collega’s teweegbrengt, moet zien te repareren.
Na die twee minuten stilte breken de ergste minuten aan. Eerst is er de bekendmaking van de publieksprijs voor jeugdliteratuur, dan die van de echte jeugdliteratuurprijs, met tussendoor de juryrapporten en de dankwoordjes.
Dan komt de volwassen publieksprijs (de winnaar krijgt een ets of boekenbon en spreekt zijn dankwoordje uit), en inmiddels kun je een badkuip vullen met het zweet van vijf schrijvershanden en -voorhoofden, terwijl de juryvoorzitter er een sadistisch genoegen in schept om uit te weiden over hoe moeilijk het was een keuze te maken, en dan te verklaren: ‘Het winnende boek is een boek dat dicht op de huid gaat zitten… Een boek dat de grenzen van het genre verkent… Dat sprongen maakt tussen uiteenlopende werelden… Een beklemmend en beklijvend boek…’
Nauwgezet heeft hij gepuzzeld aan kwalificaties die op álle boeken van toepassing zijn, zodat alle schrijvers zich in elk geval éven op die zalige wolken rond de Parnassus kunnen wanen, om daarna des te harder terug op aarde te vallen bij het verlossende woord.
Als u dit leest, is het allemaal weer achter de rug. U kent de uitslag al en daar benijd ik u fel om.
Of moet ik juist genieten van deze uren waarin het allemaal nog mogelijk lijkt?