Polen is in de greep van angst voor immigranten

Het witste land van Europa

Polen dankt zijn economische groei voor een groot deel aan arbeidsmigranten uit Oekraïne. Maar de spanningen lopen soms hoog op. ‘Sommige Polen zeggen dat de Oekraïners hun werk afnemen, maar er is genoeg werk voor iedereen.’

23 nov 2015, Polen. Oekraïense vluchtelingen arriveren in Polen © Michal Fludra / NurPhoto / Getty Images

In het centrum van Warschau staat op het Europaplein een glinsterende kantoortoren, bekleed met blauw spiegelglas. Frontex, staat op een onopvallend bordje bij de ingang. Frontex is het agentschap van de Europese Unie dat mede verantwoordelijk is voor de bewaking van de Europese buitengrenzen. Is die keuze van vestigingsplaats een ironische speling van het lot? Polen is volgens Eurostat het land met de meest homogene bevolking van alle lidstaten van de Europese Unie. In 2017 was slechts 1,7 procent van de bevolking in het buitenland geboren. Ter vergelijking: in Nederland was dat 12,5 procent, in België 16,5 procent.

Wie van een blanke wereld houdt, moet naar Polen komen. Dit land is waarschijnlijk daadwerkelijk het meest blanke land van Europa, en het lijkt erop dat dat nog wel een tijdje zo zal blijven. De meeste landen in Oost-Europa kennen weinig immigranten, maar in landen als Tsjechië, Slowakije en Hongarije maken de Roma rond de tien procent van de bevolking uit, terwijl deze bevolkingsgroep in Polen klein is.

De huidige situatie was niet altijd zo. In haar vroegere, grotere versie was Polen een multiculturele staat, waarin ongeveer eenderde van de bevolking van niet-Poolse afkomst was. Vandaag de dag is het straatbeeld bijna compleet blank, op wat Vietnamezen en Tsjetsjenen na. Ze zijn er dus niet, maar de angst voor hen is des te groter: vluchtelingen in Polen.

Terwijl veel landen in West-Europa de afgelopen jaren honderdduizenden mensen uit Syrië, Afghanistan, het Midden-Oosten en Afrika opnamen, weigert Polen net als de meeste andere Oost-Europese landen om vluchtelingen op te nemen, ook al nam het Europees Parlement in 2015 een motie aan om 160.000 vluchtelingen uit Griekenland en Italië over de andere deelstaten te verdelen. Dit betekende dat Polen 6200 vluchtelingen had moeten opnemen. Hoewel de vorige regeringspartij PO in eerste instantie aangaf hiermee akkoord te gaan, oordeelde de PiS na de gewonnen parlementsverkiezingen van oktober 2015 compleet anders. ‘We nemen er niet één’, meldde de voormalige premier Beata Szydło ferm. Sindsdien is er niets aan dat standpunt van de Poolse regering veranderd.

De angst voor vluchtelingen was een van de drijfveren voor Polen om op de PiS te stemmen, of actief te worden bij een van Polens vele rechtse burgerbewegingen. Die angst wordt niet alleen door politici, maar vooral ook door delen van de Poolse media aangewakkerd, die de afgelopen jaren elke aanslag in West-Europa breed hebben uitgemeten. Begin 2016 verscheen het populaire weekblad wSieci met een cover waarop een blonde vrouw, gehuld in de Europese vlag, van verschillende kanten door donkere, behaarde armen wordt gepakt. De titel bij het verhaal: ‘De islamitische verkrachting van Europa’.

‘De houding ten opzichte van vluchtelingen is binnen een paar jaar compleet omgeslagen’, meent Agnieszka Kunicka, directrice van de ngo Refugee.pl in Warschau. ‘Tegenwoordig zijn veel Polen bang voor immigranten, omdat hen constant wordt verteld dat vluchtelingen terroristen zijn en ellende brengen. Ik ben het daar niet mee eens, maar ik begrijp hoe het werkt. De meeste Polen hebben nog nooit een vluchteling gezien. Als je dan constant negatieve verhalen hoort en je weet niet hoe media werken, dan ga je die berichten na een tijdje geloven.’

Inderdaad blijkt uit onderzoek dat in 2015 nog zo’n 72 procent van de Polen vóór de opvang van vluchtelingen was. Een jaar later was dit gedaald naar 33 procent. De anti-vluchtelingenpolitiek van de Poolse regering voelen ngo’s als Refugee.pl duidelijk, zegt Kunicka. ‘Tot afgelopen december kregen we subsidie om regelmatig de Poolse asielzoekerscentra te bezoeken, maar dat geld gaat tegenwoordig naar grensbewaking en de integratie van Polen die ooit door de Russen naar Centraal-Azië zijn verbannen en nu zijn teruggekeerd. We hadden in meerdere asielzoekerscentra psychologen, gynaecologen, sociaal werkers en kleuterleiders aan het werk, maar ze moesten bijna allemaal stoppen. We kunnen ze niet meer betalen. We hadden ook goede advocaten, die zes, zeven talen spreken. Veel asielzoekers hebben echt hulp nodig: sommigen zijn geestelijk ziek, sommigen hebben helemaal niets, nog geen kleding als ze aankomen. Soms komen Afrikaanse vrouwen naar ons toe, die meermaals verkracht zijn. Die mensen kunnen we toch niet zomaar in de steek laten!’

Die nieuwe grensbewakers werken bijvoorbeeld in Terespol, aan de grens tussen Polen en Wit-Rusland. Op die plek komen veel Tsjetsjeense vluchtelingen aan. Recentelijk zijn daar ook mensen uit Centraal-Azië bij gekomen, vooral uit Tadzjikistan. De machthebber daar stelt de moslimpartij in zijn land met de IS gelijk, waardoor veel moslims zich vervolgd voelen en vluchten. De meeste Tsjetsjenen komen met de trein vanuit de Wit-Russische hoofdstad Minsk naar Brześć. Ze proberen dan de grens over te steken naar Terespol, waar ze asiel aanvragen. Kunicka: ‘Daar worden ze vaak tegen de regels van het vreemdelingenrecht in gewoon weer teruggestuurd. Soms weten de Tsjetsjenen ook niet dat ze wel echt asiel moeten aanvragen. Elke dag komen er zo’n vierhonderd mensen met de trein aan. Met de ombudsman proberen we te monitoren hoe de asielzoekers aan de grens worden behandeld, maar daarbij worden we tegengewerkt. De procedures om asiel aan te vragen zijn niet duidelijk. De vluchtelingen krijgen ook geen advocaat. Ik weet van gevallen waar mensen twintig, dertig keer hebben geprobeerd om Polen binnen te komen.’

Polen kent vandaag de dag tien asielzoekerscentra, verspreid over het hele land. Hier wonen in totaal zo’n 1500 asielzoekers, in afwachting van een besluit over hun asielprocedure. Daarnaast zijn er twee gesloten centra nabij Kostrzyn en Rzeszów, waar uitgeprocedeerde asielzoekers op hun uitzetting wachten. De meeste centra liggen ver weg van de bewoonde wereld, in bossen, afgescheiden van de Poolse samenleving. De verbindingen met de bewoonde wereld zijn vaak abominabel slecht. Niet zelden zijn de asielzoekerscentra gehuisvest in voormalige legerbases.

Zo’n vijftig kilometer ten zuidoosten van Warschau bevindt zich een van de asielzoekerscentra, nabij het gehucht Linin. Wie het centrum wil bezoeken, dient eerst toestemming van het ministerie van Binnenlandse Zaken te krijgen. Op een ochtend neem ik vanaf metrostation Wilanowska een smoezelige bus richting Linin. Door de smerige ruiten zie ik een grauw landschap van buitenwijken, eindeloze flats, optrekkende vrachtwagens en reclameborden aan me voorbijtrekken. Daarna volgen kleinere plaatsen, maar ook hier is het land overal bebouwd. Reclameborden voor metalen daken, voor badkuipen, voor rolluiken.

Na een uurtje rijden we door Góra Kalwaria, een stadje van zo’n vijfduizend inwoners. De inmiddels bijna lege bus raast over een regionale weg richting het zuiden, totdat de chauffeur zegt dat het tijd is uit te stappen, bij een bushalte aan de rand van een bos. Vrachtwagens denderen langs, ik moet oppassen dat ik in de opgevroren sneeuw niet de weg op glibber. Dan komt een afslag, een eenzame bosweg in. Hier staat een blauw-wit bord, dat naar het ‘centrum voor buitenlanders’ in Linin verwijst.

De weg door het naaldbos is verlaten. Na twintig minuten verschijnt uit het niets een woonwijkje, bestaande uit naargeestige communistische flatblokken. Nog iets verderop wijzen rood-witte metalen bordjes de weg naar een fantasieloos receptiegebouw. Een bewaker strooit zand op de gladde oprit. Ik ben in het asielzoekerscentrum Linin.

Binnen ontvangt in een raamloze receptieruimte Małgorzata Kwaśniewska me, van opleiding econoom, in de praktijk organisatietalent in een van Polens asielzoekerscentra. Aan de wand hangt een plattegrond van de budynki hotelowe (hotelgebouwen), met in groen, blauw en rood keurig aangegeven welke asielzoekers in welke kamers wonen. ‘Momenteel hebben we 96 asielzoekers hier. Het zijn er nu wat minder dan normaal, omdat we een flatgebouw aan het opknappen zijn.’

Misschien zijn het er ook wat minder vanwege de restrictieve politiek van de huidige regering? Daar doet Kwaśniewska geen uitspraak over. Van de 96 asielzoekers is de overgrote meerderheid Tsjetsjeen, vertelt ze, verder zijn er nog een paar Oekraïners en Tadzjieken. Ze komen via de grens met Wit-Rusland, maar een deel komt ook uit Frankrijk en Duitsland, asielzoekers die via de Dublin-regelingen zijn teruggestuurd.

18 maart 2016, Biala, Polen. Tsjetsjeens gezin in een asielzoekerscentrum © Carlos Spottorno / Panos Pictures / HH

Linin is een open asielzoekerscentrum. De bewoners wachten hier op een beslissing of ze wel of niet in Polen kunnen blijven. De bedoeling is dat dat maximaal een half jaar duurt, maar vaak is dat veel langer. Wanneer ze een positief antwoord krijgen, hebben ze nog twee maanden om een woning te vinden. Ook tijdens het afwachten mogen ze al elders een woning nemen. De Oekraïners lukt dat regelmatig. Ze staan qua cultuur redelijk dicht bij de Polen, leren de taal snel en hebben meestal niet zulke grote gezinnen. De hoofdzakelijk islamitische Tsjetsjenen met veel kinderen hebben het moeilijker om ergens in Warschau een flatje te bemachtigen. De meeste Polen willen niet aan vluchtelingen verhuren.

Veel asielzoekers krijgen na een tijdje toestemming een baan te zoeken en vinden dan ook daadwerkelijk werk, bijvoorbeeld in de bewaking in supermarkten. Kwaśniewska: ‘Dat is niet moeilijk, overal worden mensen gezocht, ook in Góra Kalwaria hier vlakbij.’

‘De Tsjetsjenen hier zijn erg agressief, de kinderen willen steeds vechten. Ik heb laatst zelfs een volwassen man moeten neerslaan’

Kwaśniewska neemt me mee over het terrein. De gemeenschappelijke ruimtes op het complex zien er prima uit: een sportzaal, een fitnessruimte, buiten sportvelden, binnen een gebedsruimte met tapijten op de grond. Er is een crèche en een school, waar deze dag niet veel kinderen te zien zijn, omdat de meesten toevallig vandaag op een uitstapje naar Warschau zijn. Voor de vrouwen zijn er manicureruimtes, een naaiatelier en een kapsalon, maar die zijn alle gesloten. ‘Helaas is er nauwelijks nog geld voor zulke projecten’, zegt Kwaśniewska. ‘De projecten werden door de ngo’s uitgevoerd, maar ze kunnen hun personeel niet meer betalen.’ Ook de psychologe heeft minder uren dan voorheen. De arts is er nog wel. Kwaśniewska toont me de mensa. De bewoners krijgen etensbonnen. Ze mogen het terrein ook verlaten, maar dan voor maximaal 48 uur.

In de geel geschilderde gangen lopen besnorde mannen in leren jasjes en sloffen vrouwen in lange jurken voorbij. Niemand wil met me praten. Uiteindelijk ontmoet ik Timur. Hij komt uit Oekraïne, uit de buurt van Charkov in het oosten van het land. Timur is een magere, goed getrainde jongen van zestien. Hij nodigt me uit in zijn kamer. Zijn jongere broertje van zes komt de kamer binnen met een houten speelgoedmachinegeweer. Zijn moeder loopt zenuwachtig rond. Sinds acht maanden zijn ze nu hier. Daarvoor waren ze meer dan een jaar in Duitsland, het land waar ze ook hun toekomst zagen.

‘We komen uit Oekraïne, maar mijn vader heeft de Armeense nationaliteit’, vertelt Timur. ‘Om het nog ingewikkelder te maken: mijn vader is Jezidi. Hij ziet er ook wat donkerder uit dan de meeste Oekraïners. Hij werd vaak lastiggevallen, ook door de lokale politie. Ze beschuldigden hem ervan dat hij een islamist was, hij werd vaak opgepakt. We moesten hem steeds vrijkopen. Uiteindelijk hebben we voor 1500 euro bustickets en een nagemaakte verblijfsvergunning in Duitsland gekocht. We wilden naar de zuster van mijn vader, die al sinds twintig jaar in Ahaus woont, dicht bij de Nederlandse grens. Onze buschauffeur nam alle paspoorten in aan het begin van de reis, dat was beter, zei hij. Hij zou ook de visa voor Duitsland regelen. Uiteindelijk zijn we in Duitsland aangekomen, maar daar bleek dat we een Pools stempel in ons paspoort hadden staan! We konden eerst in Duitsland blijven, in een asielzoekerscentrum in Schweinfurt, daarna hadden we zelfs een tijdlang ons eigen huis. Ik ging gewoon naar school, had Duitse vrienden, zat ook op boksen. Ik was graag daar gebleven, maar na een jaar kwam de politie, die heeft ons volgens de Europese Dublin-wetgeving naar Polen teruggestuurd, het land waar we de EU als eerste zijn binnengekomen.’

Timurs moeder maakt een energieke indruk, maar naar eigen zeggen lijdt ze aan schizofrenie. Ze gaat elke week naar de dokter. In Duitsland verbleef ze zelfs twee maanden in het ziekenhuis. Ze maakt zich grote zorgen over de toekomst. Naar Oekraïne wil ze absoluut niet terug. Het gezin heeft al een afwijzing van hun asielaanvraag in Polen gekregen, maar ze zijn in hoger beroep gegaan. ‘We hebben nog wel een huis in de buurt van Charkov, maar wat moeten we daar? We wonen daar honderd kilometer van de gevechtszone! Het leven is er peperduur, er vliegen constant vliegtuigen over, het oorlogsmaterieel rijdt bij ons voor de deur langs. En de politie probeert mijn man als separatist af te stempelen. Dat betekent hetzelfde als terrorist, hij is in groot gevaar, als we weer terug moeten.’

Het liefst zou ze weer naar Duitsland willen, maar dat lijkt uitgesloten. Timur zou ook vrede hebben met een verder verblijf in Polen. ‘Ik wil gewoon zekerheid, en een huis, een eigen plek om te wonen. Verder niets.’

Het gezin heeft in Linin twee kamers ter beschikking; de zestienjarige slaapt in een stapelbed boven het echtelijk bed. Om zijn tijd te doden, doet hij ook hier veel aan boksen. ‘De Tsjetsjenen hier zijn erg agressief, de kinderen willen steeds vechten. Ik heb laatst zelfs een volwassen man moeten neerslaan. Daarna kwam de politie. De Tsjetsjenen vechten ook gerust met z’n tienen tegen één andere persoon.’

Hoewel de Tsjetsjenen het overgrote deel van de bewoners uitmaken, is niemand van hen bereid om met mij te praten. Ze blijven onder elkaar, en zijn ook niet geliefd bij anderen, volgens Timur. ‘De Poolse schoolkinderen gaan gewoon met mij om, maar niet met de Tsjetsjenen.’

De enige andere persoon op het complex die ik te spreken krijg is Hafez, een Jehova’s getuige uit Azerbeidzjan. Ook hij woont al sinds anderhalf jaar in Polen. Voor hem geldt hetzelfde verhaal: hij had een kennis in Duitsland, wilde er met zijn gezin naartoe, maar werd vanwege het Dublin-akkoord en het Poolse stempel in zijn pas naar Polen teruggestuurd. ‘Ik zou hier willen blijven, in Polen is het rustig’, vertelt de zachtaardige gezinsvader.

In Azerbeidzjan werkte hij als onderzoeker aan de universiteit. Maar ook hij kreeg problemen met de regering; waar het precies om ging, wil hij me niet vertellen. ‘Het is beter dat ik niet veel vertel. Iedereen kent iedereen, en de politici in Azerbeidzjan zijn corrupt. Als je het met ze aan de stok krijgt, wordt het zeer gevaarlijk.’

Hafez heeft als een van de weinige bewoners van het asielzoekerscentrum een eigen auto. Hij wil me terug naar Warschau brengen; hij moet sowieso die kant op. Terwijl een kennis van hem, een zwaar gesluierde Tsjetsjeense, met haar dochtertje achterin stapt, vertelt Hafez over de stemming onder de Poolse inwoners van Góra Kalwaria, het dichtstbijzijnde stadje. Ze willen het liefst dat het asielzoekerscentrum gesloten wordt. ‘Afgelopen zomer hebben ze meer dan tweeduizend handtekeningen voor de sluiting van het centrum verzameld. Ze houden niet van ons, vooral niet van de Tsjetsjenen.’ >

Stemmingmakerij werkt erg goed wanneer het om angsten voor buitenlanders gaat, vertelt Gagik Grigryan me een dag later. Grigryan is een Georgiër die al jarenlang in Polen woont, en zich voor de rechten van vluchtelingen inzet. ‘Politici versterken de angsten van de bevolking. Ze denken alleen op korte termijn. Ik vind dat onverantwoordelijk.’

Grigryan ziet er met zijn goed verzorgde, gitzwarte baard en bleke huid een beetje uit als Conchita Wurst. De jongeman kwam vijf jaar geleden uit Georgië naar Polen en werkt sinds enkele jaren voor Ocalenie, de grootste ngo in Polen die zich met migranten bezighoudt. Het bureau van Ocalenie bevindt zich in het centrum van Warschau, op een binnenhof achter grote winkelpanden. In de kantoorruimtes praten medewerkers met mensen uit de voormalige Sovjet-Unie. Zuid-Amerikanen vragen in het Pools waar de taalcursus begint. In een boekenkast staan cd’s met bouwvakkerstermen in het Tsjetsjeens, Russisch, Engels en Pools. Grigryan: ‘We werken met gedocumenteerde en ongedocumenteerde migranten. Iedereen, behalve EU-burgers, kan bij ons gratis taalonderwijs volgen. De meeste lessen worden door vrijwilligers gegeven.’

Ocalenie kan haar werk nog uitvoeren, maar sinds er een nieuwe regering aan de macht is, is er wel het een en ander veranderd. ‘Tot 2015 kregen we Europees subsidiegeld, dat eerst aan het ministerie werd uitbetaald, waarna we daar subsidieaanvragen moesten indienen. Inmiddels liggen de prioriteiten anders. Bovendien is het administratief enorm ingewikkeld om dat geld te ontvangen. We proberen daarom nu meer geld via privédonaties te werven.’

Hoewel Grigryan persoonlijk nog geen fysiek geweld heeft ervaren, voelt hij zich niet veilig in de binnenstad van Warschau. ‘Ik merk de agressiviteit, ik word regelmatig uitgescholden. Dat is de afgelopen jaren duidelijk meer geworden. Vaak door dronken jongeren. Dresiarze noemen we ze, trainingspakdragers. Het gebeurt soms gewoon overdag. Niemand kent mijn taal, dus als ik in de bus met vrienden Georgisch praat, vinden mensen dat bedreigend. Soms denken ze dat het Arabisch is. Ik merk ook dat mensen in de bus niet naast me willen zitten. Sommige mensen zijn echt bang voor me, denken dat ik een bom in mijn rugzak heb. Mijn huidskleur is vrij licht, maar het zal door mijn baard komen. Daarom probeer ik mijn snor zo veel mogelijk als een hipster te dragen, haha.’

Volgens Grigryan is het aantal gewelddaden tegen buitenlanders en vluchtelingen meer dan verdubbeld, sinds de PiS-regering aan de macht is - dit blijkt ook uit statistieken van meerdere ngo’s, die de situatie monitoren. ‘Een paar weken geleden nog werd er een brandaanslag gepleegd op een van de drie moskeeën in Warschau.’

‘Ik heb hier meer vrienden. Ik kan hier projecten beginnen, subsidies aanvragen, alles functioneert. Waarom lukt dat in Oekraïne niet?’

Adam Bodnar, de Poolse ombudsman, waarschuwt al jaren voor de toenemende haat jegens moslims in Polen en roept de regering op hier actie tegen te ondernemen. In plaats daarvan is hij inmiddels door de neofascistische groepering onr (Obóz Narodowo-Radykalny, het Radicaal-Nationale Kamp) wegens smaad aangeklaagd. Het liefst zou ook de PiS de kritische ombudsman kwijt zijn.

Vaak zijn in Polen de nationaal-conservatieve PiS en de katholieke kerk het roerend met elkaar eens, maar dat geldt niet altijd. De liberale bisschop Tadeusz Pieronek bijvoorbeeld zei afgelopen jaar dat de opname van een paar honderd vluchtelingen geen probleem zou moeten zijn voor Polen. ‘Geen vluchtelingen opnemen betekent praktisch hetzelfde als het opgeven een christen te zijn’, zei hij. ‘Ik schaam me voor de mensen die hun plicht niet willen doen, niet alleen als christen, maar ook als mens.’

6 mei 2017, Krakow, Polen. Anti-Oekraïense leuzen – ‘Oekraïners weg’ – in de metro © Artur Widak / NurPhoto / Getty Images

Een van de argumenten die de PiS aanvoert om geen moslimvluchtelingen op te nemen, is de stroom Oekraïners die de afgelopen jaren naar Polen is gekomen. Niemand weet precies hoeveel het er zijn, maar algemeen wordt aangenomen dat al meer dan één, misschien wel twee miljoen Oekraïners in Polen wonen. ‘De opvang van de Oekraïners is de Poolse bijdrage aan het Europese vluchtelingenvraagstuk’, zei de Poolse premier Morawiecki daarover in 2018 tegen het Duitse weekblad Der Spiegel.

De Oekraïners in Polen zijn echter geen oorlogsvluchtelingen, maar zijn bijna zonder uitzondering op zoek naar werk naar Polen gekomen. De cijfers bevestigen dit: slechts enkele dozijnen Oekraïners krijgen per jaar de vluchtelingenstatus. De rest werkt als schoonmaker, in de bouw, de horeca, de verpleging of de IT-sector.

Dat wil echter niet zeggen dat de migratie naar Polen niets met de burgeroorlog in het oosten van Oekraïne te maken heeft, volgens Larysa Vitshkaya. Ze kwam in juni 2015 met haar man vanuit Kiev naar Warschau. Haar dochter studeerde hier al en werkte inmiddels bij een groot farmaceutisch bedrijf als programmeur. In Kiev ging het niet meer. ‘Mijn man had verschillende banen gehad, maar werd steeds weer ontslagen, de laatste keer omdat hij bij een bedrijf werkte dat verpakkingen maakte die door bedrijven in Loehansk in het oosten werden afgenomen. Sinds de burgeroorlog lag de verkoop bijna compleet stil.’

Zelf werkte Vitshkaya als lerares, maar de lonen waren erg laag, de prijzen stegen, de economische situatie was rampzalig. ‘Toen hebben we besloten om dichter bij onze dochter te gaan wonen. Onze flat in Kiev hebben we nog wel, maar we hebben hem onderverhuurd aan familie die uit Loehansk is gevlucht. In Warschau hebben we eerst bij mijn dochter gewoond. Toen we hier naartoe kwamen, hadden we nog geen werk, maar we hadden goede hoop dat het zou lukken, omdat in Oekraïne bekend is dat veel landgenoten hier werk vinden.’

Zo liep het ook. Vitshkaya stuurde haar cv naar allerlei bedrijven en nam in het begin elk werk aan dat ze kon krijgen. Haar man werkte als hulpje in een restaurant, zelf begon ze als schoonmaakster. Stap voor stap kwam ze verder. ‘Ik kende hier nauwelijks Oekraïners, dus heb ik via Facebook mensen opgeroepen om een praatgroepje te beginnen. Dat werkte. Met een van de vrouwen, ze kwam uit de Krim, raakte ik bevriend en met haar besloot ik begin 2016 een zaterdagschool voor Oekraïense kinderen op te richten. Elke zaterdag geven we nu les. Dat gaat heel goed. We werken voorlopig als vrijwilligers, de ouders doen donaties. We hebben inmiddels zo’n twintig leerlingen, de interesse is groot, we denken erover na om uit te breiden. We zijn nu ook in contact met het Oekraïense ministerie van Onderwijs, dat ons materiaal heeft gegeven. Een vergelijkbare school was er nog niet in Warschau.’

Vitshkaya deed de afgelopen vijf maanden ook onderzoek voor de Universiteit van Warschau naar de Oekraïners in Polen. Volgens haar is deze groep in twee categorieën op te delen. ‘Je hebt de Oekraïners die hier tijdelijk naartoe komen, allerlei baantjes aannemen, niet al te veel vragen stellen en die snel weer terug willen. Ze werken heel hard, tien tot twaalf uur per dag. Er is ook nog een tweede groep, die in Polen haar toekomst ziet, hier een bedrijf wil opzetten, hier wil integreren.’

De eerste groep wordt steeds zelfbewuster. ‘Je ziet dat steeds meer Oekraïners niet meer illegaal willen werken, dat ze hun rechten kennen, een arbeidscontract willen, niet meer voor acht złoty per uur gaan werken, beter onderhandelen. De sociale media spelen hierbij ook een rol, mensen vertellen elkaar onderling hoe de regels zijn in Polen. En werkgevers die de Oekraïners slecht behandelen, worden met naam en foto op het internet gezet. Daarna wil niemand meer voor hen werken.’ Veel Oekraïners komen ook naar Polen, of naar ‘Europa’, zoals ze het noemt, om eerste ervaringen in de EU op te doen. Mocht het in Polen niet goed genoeg zijn, dan kunnen ze altijd verder reizen naar andere landen. Polen als stepping stone. In Polen verdienen ze drie euro per uur, in andere landen vijf tot zeven euro.

Volgens Vitshkaya houdt de stroom van Oekraïners die naar Polen komen onverminderd aan, en zijn er daardoor wel spanningen ontstaan. ‘Sommige Polen zeggen dat de Oekraïners de Polen hun werk afnemen, maar dat klopt niet, er is genoeg werk voor iedereen.’

Hoewel Oekraïne geen deel uitmaakt van de EU is het voor de inwoners van het land relatief eenvoudig een Karta Polaka te krijgen, een werkvergunning voor een half jaar. Deze kan vrij simpel met een half jaar verlengd worden. Door de economische groei in Polen, het vertrek van veel Polen naar andere Europese landen, en de vrijgekomen banen kunnen deze prima door Oekraïners worden ingevuld.

Larysa Vitshkaya is tevreden met haar leven in Warschau. Met haar man heeft ze nu een eigen flat. Hij werkt intussen als programmeur bij Dream Hostels, een keten van Oekraïense hostels in Polen. ‘Ze hebben zelfs een prijs voor hun concept gewonnen’, vertelt ze trots. Zelf heeft ze inmiddels veel contacten en maakt ze graag gebruik van het brede culturele aanbod in Polen. ‘Als ik zou willen, zou ik de hele tijd met Oekraïners kunnen optrekken. We hebben een eigen krant, sociale media, een eigen cultureel centrum, de Ukraiński Dom, Oekraïense winkels. Er bestaat zelfs een heel netwerk van mensen die, op bezoek in Oekraïne, bepaalde producten voor je kunnen meenemen.’

Haar leven is in Polen veelzijdiger geworden. ‘In Oekraïne ging ik alleen maar van mijn huis naar mijn werk en omgekeerd, dat was mijn hele leven. Hier ga ik naar yoga, naar workshops, ik heb hier meer vrienden. Ik kan hier projecten beginnen, subsidies aanvragen, alles functioneert. Waarom lukt dat in Oekraïne niet?’

Inmiddels vraagt een deel van de Poolse werkgevers zich af of er de komende jaren wel genoeg Oekraïners de Poolse arbeidsmarkt op zullen blijven stromen, aangezien ze in de hele EU sinds kort tot negentig dagen visumvrij mogen reizen. Officieel mogen de Oekraïners, anders dan in Polen, nog niet in andere lidstaten werken, maar algemeen wordt het besluit van de EU gezien als een stap in deze richting. Niet alleen Oekraïners zijn – gezien het grote aantal Poolse arbeidskrachten dat naar andere Europese landen is vertrokken – noodzakelijk om de Poolse economie draaiende te houden, ook vele Wit-Russen werken inmiddels in Polen.

De economische groei in Polen lag de afgelopen jaren boven de vier procent, en was alleen mogelijk door de inzet van de Oekraïners en Wit-Russen. De arbeidsmigranten uit het oosten nemen vaak genoegen met een relatief laag loon, wat de inflatie en loonkostenstijging beperkt houdt. Aangezien de Poolse werkloosheid met 6,6 procent inmiddels een all time low heeft bereikt, kan de economie alleen blijven groeien als er voldoende nieuwe arbeidskrachten bij komen. Dat is een hele opgave voor Polen, aangezien de bevolking in een hoog tempo vergrijst. Analisten hebben uitgerekend dat de komende drie decennia maar liefst vijf miljoen arbeidskrachten vervangen moeten worden. Momenteel werken van de Poolse bevolking (38 miljoen mensen) slechts zo’n zestien miljoen mensen. Om het tekort aan arbeidskrachten op te vullen, denkt de regering inmiddels over creatieve oplossingen na, zoals het naar Polen halen van Filipijnen. Deze katholieke Aziaten zouden cultureel goed bij Polen aansluiten. Voorlopig echter worden verreweg de meeste vrijkomende banen ingevuld door Oekraïners.

Een van hen is Anna Shevchenko, een psychologe van begin dertig, afkomstig uit Centraal-Oekraïne. Shevchenko kwam naar Warschau omdat ze in Kiev rechten had gestudeerd, daarna met psychologie verder wilde, maar geen goede mogelijkheden in Oekraïne zag. Shevchenko wil in Polen blijven; ze heeft hier haar Poolse en Oekraïense vrienden. Maar ze voelt zich nog wel altijd Oekraïense. Daarom heeft ze ook geen Pools paspoort. ‘Als ik er wel eentje had, zou ik kunnen stemmen. Maar ik ben geen Poolse. Dus ga ik ook niet demonstreren.’

Eigenlijk vreemd, omdat ze zich wel degelijk over de conservatieve politiek van de Poolse regering opwindt. ‘In Oekraïne kun je in principe abortus laten plegen, in Polen is dat praktisch onmogelijk. De Polen zijn erg religieus, duidelijk meer dan in Oekraïne.’ Ook Shevchenko meent dat veel Polen een negatief beeld van de Oekraïners hebben. ‘Ik hoor het om me heen als ik in de metro of in de bus zit. En dat terwijl de meeste Oekraïners harde werkers zijn.’

Als ze Polen en Oekraïners moet vergelijken, dan zijn Oekraïners wat flexibeler en vrijer, zegt Shevchenko. ‘In Polen draait alles om God, de Polen zijn erg religieus. In Oekraïne maakt het niet uit met wie je getrouwd bent, en ook niet waar je partner vandaan komt. In Polen is dat anders. Tja, we zijn buurlanden, veel dingen lijken op elkaar. We zijn beide Slavische volken, spreken talen die erg op elkaar lijken, maar deels zijn we dus ook anders.’

In het algemeen voelt Shevchenko zich thuis in Polen; hier ziet ze haar toekomst. ‘Ik ben bezorgd over de politieke ontwikkelingen in Polen, de neiging tot autoriteit. Ik herken het uit Oekraïne, het parlement dat zonder consultatie in de nacht er nog snel een wet doorheen jaagt. Dat baart me zorgen, ik ben bang dat Polen steeds meer zoals Oekraïne wordt.’

Dit is een enigszins ingekort en bewerkt hoofdstuk van het boek Polen, geen land voor vegetariërs en fietsers van Jeroen Kuiper, dat deze week verschijnt bij uitgeverij Dato