Het wonder Wu-Tang

Method Man van de Wu-Tang Clan tijdens het Ship Show Music Festival in Alameda, Californië, 2017 © Tibrina Hobsom / Getty Images

Binnen de hiphopwereld is er geen groep zo mysterieus als de Wu-Tang Clan. Zeker de ontstaansgeschiedenis van het inmiddels klassieke debuutalbum Enter the Wu-Tang: 36 Chambers (1993) is omgeven door rafelrandjes en vraagtekens, meer dan eens overigens door het rapcollectief zelf de wereld in geholpen. Vooral voorman RZA was daar druk mee bezig, aangezien hij het achterliggende concept nauwkeurig had uitgedacht. En hij had de negen groepsleden verzameld: familieleden, jeugdvrienden, kennissen, allemaal afkomstig uit dezelfde arme wijken in New York en vrijwel allemaal opzienbarend goede artiesten. Het geluid van de Wu-Tang was ongepolijst en grimmig, en nooit eerder werd het straatleven uit een Amerikaans getto op zo’n stijlvolle en doordachte manier bezongen. En wat het allemaal te betekenen had? Zelfs de trouwste fans hebben nog niet alle lagen doorgrond. Waar stonden al die – vaak onbegrijpelijke – aliassen voor die de groepsleden aannamen? Wat hielden de vele verwijzingen naar ‘Shaolin’ en ‘Mekka’ in, wat betekenden de Chinese kungfufilms waar aldoor aan gerefereerd werd? En wat had dit alles in vredesnaam te maken met deze negen zwarte jongens die voor hun 25ste allemaal al met justitie in aanraking waren gekomen en daar in versluierde vorm ook over rapten?

Onmiskenbaar was het een sterk staaltje zelfmythologisering, zoals de Wu-Tang Clan zichzelf de hiphopscene in katapulteerde. Een nieuw geluid, een eigen subuniversum. Maar nog los van het feit dat het moeilijk is zulke mythes in stand te houden – de Clan maakt nog altijd muziek en is nu beduidend minder boeiend dan 25 jaar terug – slaat zo’n zorgvuldig geplande cultus al snel over in interessantdoenerij. De vroege Wu-Tang had echter twee grote troeven: de muziek klonk – en klinkt – gewoonweg zeldzaam sterk, en ging intussen voelbaar over méér dan de Clan-leden zelf.

Wat kan iemand die niets met hiphop heeft hiermee? Vrij veel

Dit laatste is duidelijk wat de Britse Will Ashon (1969), eerder werkzaam als muziekjournalist en veelgeprezen labelbaas, heeft geïnspireerd voor zijn Chamber Music. Het is een boek over het debuut van de Clan, maar toch ook weer niet: dat album vormt weliswaar de aanleiding en houdt de 36 losse ‘chambers’ (hoofdstukken) min of meer bijeen, maar Chamber Music is geen geijkt muziekverhaal. Geen veredelde groepsbiografie, geen reconstructie hoe de muziek noot voor noot tot stand kwam. Ashons aanpak is breder en spannender: in Chamber Music gaat hij in op de geografische, muzikale en vooral sociale context die ertoe heeft geleid dat een groep als de Wu-Tang Clan kon ontstaan, waarom jongens als deze begin jaren negentig in kansarme getto’s opgroeiden. En als je daarover schrijft, dringt zich automatisch de vraag op hoe zulke getto’s ontstonden, waar kwamen de drugs en de wapens precies vandaan, waarom kozen zo veel mensen begin jaren negentig plots voor rap en hoe was die muziek eigenlijk opgekomen?

Elke bewering die Ashon doet roept nieuwe vragen op, en zodoende krijgt Chamber Music iets prettig weids. Ook door die onderverdeling in 36 hoofdstukken trouwens, eigenlijk stuk voor stuk kleine essays die soms amper nog met de Wu-Tang van doen hebben: Ashon leunt niet op een dwingende hoofdvraag en kan zich zodoende vrijelijk laten leiden door zijn associaties en interesses. Het ene hoofdstuk lees je nog over de geschiedenis van zwarte muziek, daarna over de totstandkoming van de fbi en het vroegste slavernijverleden, er volgen hoofdstukken over het racistische beleid van Nixon en Reagan, over de crackepidemie, over de precieze inrichting van New York, over de geschiedenis van copywrite-recht, over de Nation of Islam en de religieuze Five Percent-beweging en de veelbesproken ‘wederopstanding van het zwarte volk’ en voor je het weet ben je verdiept in een verhandeling over de geschiedenis van stoomschepen. (Je zou geweldige Triviant-rondes uit dit boek kunnen destilleren: de straffen voor crackgebruik liggen honderd keer hoger dan voor cocaïnegebruik, wat is het scheikundige verschil tussen de twee? Dat bestaat niet. Alleen wordt crack vooral gebruikt door zwarten en cocaïne door witten.)

Chamber Music is een wonderlijk mengsel van geschiedenis, research en analyse. Zo opgesomd klinkt het overvol, bij tijd en wijle overspoelt Ashon de lezers inderdaad met namen, gebeurtenissen en jaartallen, of zoekt hij overdreven veel achter de Wu-Tang-nummers die hij aanhaalt – maar, en dat is een grote prestatie: het werkt wel. De springerige structuur. De brede, bijna grotesk ambitieuze opzet en de tegelijk nergens pedante toon van het geheel, waarbij Ashon zichzelf en zijn hiphopliefde overigens secuur wegcijfert: het woord ‘ik’ valt niet.

Aanvankelijk dacht ik dat Chamber Music bij uitstek geschikt zou zijn voor rapluisteraars zoals ikzelf: gedetailleerd en uitgebreid, en dan ook met één specifiek album als losvast uitgangspunt – wat kan iemand die niets met hiphop heeft hiermee? Gek genoeg vrij veel; deze bundel waaiert dusdanig uit dat de stukken vanzelf boeiend worden voor buitenstaanders, en misschien nog wel het meest voor degenen die in rap nog steeds niets horen dan wat agressief, wereldvreemd geschreeuw over harde beats. Want als Chamber Music iets overtuigend laat zien, is het dat cultuur nooit zomaar ontstaat. Dat de context altijd vormend is, en breder dan je in eerste instantie denkt. En dat het niet zomaar toeval was toen achtergestelde, door drugs en armoede overspoelde zwarte wijken ontstonden. Net zoals het geen toeval was dat juist daar, op die meest kansloze plaatsen, vervolgens zoiets wonderlijk krachtigs als Enter the Wu-Tang werd gemaakt.