Het woord als wapen

De communist, vertaler en criticus Nico Rost (1896-1967) had een voorliefde voor de Duitse literatuur, en vereenzelvigde zich na de regeringsovername van Hitler in 1933 met de uitgeweken Duitse schrijvers. Hij maakte hun zaak tot de zijne. Ook uit politieke overtuiging.

‘Hun zaak verdedigen was voor mij het fascisme bestrijden.’ Rost probeerde de nazi’s en hun barbarij te bestrijden door over de ‘klassieke Duitse literatuur met een democratische ideologie’ te schrijven, en stil te staan bij het werk van kritische tijdgenoten als Joseph Roth, Hans Fallada en Ernst Toller.

In 1942 werd Rost opgepakt. Na de gevangenis in Scheveningen en Kamp Vught kwam hij in Dachau terecht. In het kamp vroeg hij zich af of hij het goede had gedaan. Kon je met schrijven genoeg verzet bieden tegen de nazi’s? ‘Ik weet dat ik ook andere dingen deed, maar ben ik niet toch nog te veel – literator gebleven? Het was gevaarlijk – en is ten slotte ook spaak gelopen – maar was het doeltreffend genoeg? Verzet alleen met geestelijke middelen is nu immers onvoldoende, want de geestelijke waarden worden thans verkracht door materiële wapenen, en dienen dus ook door materiële wapenen bevrijd te worden.’ Maar Rost was er de man niet naar om kogels af te schieten; hij bleef zijn eigen wapen trouw.

Dus blijft hij lezen en over wat hij leest schrijven. Als kale gevangene met bril gaat hij op jacht naar papier: kranten, toiletpapier, oude koortslijsten. Vrienden in het kamp verbergen de beschreven vellen. Hij schrijft niet alleen over de luizen en vlooien die hem plagen, over korsten brood, waterige soep en de SS – maar vooral over literatuur.

‘Het begrip nationaliteit krijgt pas waarde wanneer we het zien in Europees verband’

Waarom leest Rost? ‘Ik ben veel rustiger als ik lezen en schrijven kan, en het zal me helpen niet altijd aan huis te denken, aan Edith’ (zijn vrouw). Maar Rost leest ook omdat ‘klassieke literatuur ons schraagt en helpt’. Omdat hij door Goethe’s Egmont nadenkt over vrijheid en de dood: ‘Ook Egmont meende dat hem niets zou overkomen, maar hij werd toch gevangen genomen en tóch terechtgesteld.’

Het hart van Rost blijft kloppen voor de Duitse cultuur. Daarbij valt op hoe scherp zijn oordelen zijn, bijvoorbeeld over de theoloog, geweldenaar en antisemiet Luther: ‘Luther is en blijft voor mij een genie – een geweldige figuur. Een revolutionair en een reactionair. Ik weet echter nog steeds niet wat hij het meest was, en ik denk vaak dat uiteindelijk zijn invloed een reactionaire uitwerking had. Een juist oordeel zal ik daarover wel nooit krijgen, want het probleem Luther is zo gecompliceerd, omdat het niet van het probleem Duitsland te scheiden is.’ Rost slaat de spijker op z’n kop. In onze tijd komt het nog maar weinig voor dat mensen omzichtig zijn, niet te snel een oordeel hebben. Hier is een man die zelfs in uiterst moeilijke omstandigheden – omstandigheden die maken dat je alle geloof in Duitsland, of de Duitse cultuur zou kunnen verliezen – nog in staat is scherp, kritisch en onafhankelijk te denken.

Medium hh 2650777

Bepaalde klassiekers worden voor Rost onleesbaar, zoals Rousseau’s ijdele Confessions. Wat hem wel bevalt, is Goethe’s Campagne in Frankreich, een verslag van de oorlog tussen het Pruisische en Franse leger na de Franse Revolutie, waarin Goethe zich van het strijdgewoel afzijdig houdt. En zoals Goethe op het slagveld de breking van het licht bestudeerde – omdat het geweld hem afstompte, omdat hij anders gek werd van het leven tussen ruwe soldaten en de zinloosheid van de oorlog – zo bestudeert Rost in de barakken, tussen de bijna-doden, Schiller en Hölderlin. En juist door hen te lezen beseft Rost dat we in een Europese samenleving wonen, en veel kunnen leren van de omgang met andere nationaliteiten: ‘Het begrip nationaliteit krijgt volgens mij toch – ook voor ons Nederlanders – pas waarde, wanneer we het zien in Europees verband. Waarom willen zoveel “goeie” Nederlanders dat niet zien of begrijpen?’

Naar verhouding schrijft Rost weinig over zichzelf, of over zijn bezorgdheid voor zijn vrouw Edith en zijn zoon Tijl. Aan een medegevangene die zijn aantekeningen leest, legt hij uit waarom. ‘Ik heb hem toen uitvoerig verteld waarom ik dit dagboek zó schrijf en niet anders. Het is immers in de eerste plaats een middel om al mijn gedachten en m’n energie op de literatuur te concentreren – elke dag opnieuw als het gaat, om daardoor niet steeds aan Edith en Tijl, aan mezelf, aan eten enz. te denken. Een soort zelfverdediging dus. En tot nu toe heeft het me geholpen.’ Het helpt tot de laatste dag – waarop de Amerikanen voor de uitgeputte, verdwaasde bewoners van het kamp staan: ‘Hello boys, here we are.’

Rost was een kritische individualist, een man die zich soms weinig aantrok van de richtlijnen van de partij. Rost werd verweten te positief te zijn over andere politieke stromingen. Communist of sociaal-democraat, dat maakte hem niet zo veel uit. Hij zag een gemeenschappelijke basis in het ‘humane’. Daarom knoopte hij gesprekken aan met de sociaal-democraat Wiarda Beckman (‘de hele ochtend met Wiarda Beckman op de bank voor de Totenkammer zitten praten’), maar ook met de liberaal Benjamin Telders. Van de liberale voorman tekende Rost een scherp portret: ‘Telders lijkt eigenlijk op een verlopen Romeinse keizer. Een buitengewoon groot hoofd – een ongespierd, wat zwakkerig lichaam. Hij is ook heel onsportief, doch van een geestelijke charme, die me ontwapende vanaf de eerste minuut.’

Lettertype, opmaak, leeslint: het is een mooie, verzorgde uitgave geworden in de boeiende reeks kritische klassieken van uitgeverij Schokland. Een kleine kanttekening: het notenapparaat is erg uitgebreid, en toch niet helemaal goed: wie Marx, Hitler en Goethe waren, weet de lezer wel. Maar wie waren de ‘vele aanhangers van de Idee-groep in Nederland’, die volgens Rost ‘de pioniers van een fascistische ideologie waren geworden’? Dat had ik graag geweten. Maar voor alles past lof. Dit bijzondere kampdocument, dat als boek nog slecht antiquarisch te krijgen was, ligt weer in de boekhandel.