Het woord komt later

In ‘Een zweem van licht’ en ‘De prachtige geschiedenis van de fotografie’ van Péter Nádas kan de lezer meekijken met de schrijver.

Het is heel respectabel dat de uitgever die eerder veelgeprezen titels van de Hongaarse schrijver Péter Nádas (1942) heeft laten vertalen, ook minder bekend werk van hem brengt, in dit geval een boek met foto’s die de schrijver tussen 1958 en 1998 maakte. Toch zijn de foto’s in mijn ogen wat te gaaf en te herkenbaar. ‘Herkenbaar’ slaat op de onderwerpen - wat de fotograaf uitkiest: de uitsneden dus - zoals een imposante boom, een stuk muur. Portretten zijn moeilijk te beoordelen als je de mensen niet kent; en de foto’s van onbekende mensen vragen om uitleg. Bij een foto van een kale boom aan het water, met een verwaarloosde stoel en tafel, vertelt Nádas dat hij ooit lange tijd in een oud, verlaten zomerhuis verbleef, waar hij aan een roman werkte terwijl hij leed. Meer dan een vage mededeling is dat niet, zodat ook de slotzin blijft zweven: 'Hooguit was er een zweem van licht, dat ook zonder voorwerpen zichzelf in stand hield.’ Hooguit? Licht dat zichzelf in stand houdt? Zoals Nádas denkt dat iets op de foto dezelfde indruk maakt als op hem in werkelijkheid, zo gelooft hij wat al te snel dat als hij gevoelens op papier uitspreekt de lezer die vanzelf met hem deelt. Nádas schijnt te vergeten dat het woord 'hartstocht’ nog geen hartstocht is, hooguit hartstochtelijk klinkt of een gemis aan hartstocht verraadt.
'Ach, praat u niet zulke onzin. Wat hebt u aan een foto? Niets. Uit het bestaan van de Schepper kunt u de wereld verklaren, maar dan geeft u toe dat u voor de Schepper Zelf geen verklaring hebt. Zo dom zijn vrouwen nu eenmaal.’ 'Dat bedoel ik nu juist, jij arme ziel. Het beeld gaat altijd aan de verklaring vooraf. Het geeft niet prijs wat het niet prijs wil geven. Het woord komt later pas, en daarom heeft het te veel praatjes.’
Dit zijn zinnen uit de gelijktijdig vertaalde novelle De prachtige eschiedenis van de fotografie uit 1992. Was dat 'prachtig’ nu maar ironisch bedoeld. 'Een jonge fotografe maakt met gevaar voor eigen leven opnamen van de dageraad van Triëst vanuit een luchtballon.’ Dat had een aardig verhaal kunnen opleveren, maar deze zin op de flap van het boek is geen samenvatting van de novelle die ik heb gelezen. Ik las een draak van een verhaal, bevolkt door zwijmelende typen en tjokvol oningeloste suggesties. De beoogde fotografe is een hysterische tante die aan epilepsie lijdt en aan al of niet denkbeeldige verliefdheden, die geëxalteerde zinnen debiteert over fotografie en het niets, waarbij ze respons krijgt van een al even hooggestemd type: 'In sublieme, eeuwigdurende zielsverbondenheid zou ik met u willen leven.’ De zelfontspanner is 'het werktuig van haar eigen waanzin’; de sluitertijd verbindt de twee romantische geliefden. Niet uitgesloten dat het verhaal zich vroeger of nu in een inrichting afspeelt. Dat verklaart iets maar het maakt niks goed.