Interview: De raison d'être van Ronald Plasterk

Het woord “trots” is van ons

Het zit ex-minister Ronald Plasterk dwars dat rechts de PvdA een elitepartij vindt die zich niet bekommert om gewone mensen. En: ‘Waarom zou het links zijn om laatdunkend te spreken over het draaiorgel?’

TIJDENS ZIJN STUDIE in Leiden, tweede helft jaren zeventig, bewogen de meeste van zijn politiek actieve vrienden zich in partijen met een academisch geurtje, D66 of de PSP. Ronald Plasterk daarentegen koos bewust voor een politiek bestaan in een ander milieu, dat van de PVDA, waarin hij niet alleen met academici maar ook met arbeiders verkeerde. ‘Een partij waarin ik wat meer mijn best moest doen’, zegt hij nu.

Vanouds was Leiden zowel een fabrieksstad als een intellectueel centrum, dankzij de grote en prestigieuze universiteit, de oudste van Nederland. In de jaren zeventig stierf de Leidse industrie in rap tempo, een koude sanering die diepe sporen in het plaatselijke leven trok. Symbolisch was hoe de Grofsmederij, een complex van negentiende-eeuwse fabriekshallen en zware hijskranen, ten koste van honderden arbeidsplaatsen sloot, om plaats te maken voor een wijkje met dure huizen in de stijl van een Amerikaanse suburb, het Waardeiland.

Beide leefwerelden waren vertegenwoordigd in het plaatselijke ledenbestand en in de gemeenteraadsfractie van de Leidse PVDA. In de gemeenteraad zat de promovendus in de natuurwetenschappen Plasterk naast Wim van der Pluijm, een diepdrukker bij de Rotogravure, en oud-verzetsstrijdster Toos Fallaux, die al voor de oorlog om de Meiboom danste. In de ledenvergadering luisterden ontstelde Rooie Vrouwen, werkzaam aan de universiteit, naar de oude Leidse arbeider die met trots verkondigde dat zijn vrouw dankzij zijn loon niet hoefde te werken. 'Ja, ik herinner me dat tafereel nog goed, met die vrouwen die gegeneerd naar het plafond zaten te kijken. Maar deze Fred, zo heette hij, hoorde er wél bij, met zijn bijna levenslange geschiedenis in de sociaal-democratische beweging’, zegt Plasterk.

TOT DE TRADITIE van de sociaal-democratie behoort dat zij maatschappelijke elites in één beweging samenbrengt met arbeiders. De leidende krachten van de partij waren doorgaans afkomstig uit gegoede kringen. Politieke tegenstanders betitelden de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), een van de partijen die in 1946 in de PVDA opgingen, daarom wel als schoolmeesters-, doktoren- en advocatenpartij. Die spotternij was een geuzennaam voor de sociaal-democraten. Zij meenden dat het ideaal van gelijkheid mensen uit alle rangen en standen kon verenigen op één belang, dat van de materiële lotsverbetering en emancipatie van de arbeider.

In zijn politieke vormingsjaren in Leiden ervoer Plasterk die sociale verscheidenheid in de PVDA als een leerschool: 'Terwijl mijn studievrienden vaak als vanzelf bij D66 of PSP uitkwamen, stapte ik in de PVDA een wereld binnen waarin ik wat meer mijn best moest doen. Ik kwam in buurten waar de sociale gevolgen van de sluitende fabrieken schrijnend zichtbaar waren, ik stond als jong studentje bij de poort van de Grofsmederij actie te voeren voor het behoud van banen, ik moest me verdiepen in de mij vreemde wereld van de sociale zekerheid. Ik heb dat vanaf het begin als spannend en uitdagend, interessant en belangrijk ervaren. De PVDA bracht in Leiden de werelden van academici en arbeiders bij elkaar op heel concrete, plaatselijke onderwerpen. De inrichting van buurten, verkeersplannen, cultuur, volkshuisvesting, welzijnswerk.’

Plasterk erkent dat politieke tegenstanders een partij met deze traditie in het hart treffen wanneer zij haar verwijten een 'elitepartij’ te zijn die is losgezongen van de werkelijkheid van gewone mensen. Vooral sinds de revolte van 2002 is dat de zwakke plek van de PVDA. Pim Fortuyn maakte toen diepe wrok onder een grote groep burgers zichtbaar, nadat de PVDA met VVD en D66 Nederland bijna acht jaar had geregeerd. Die wrok is nog niet geweken, blijkt uit het aanhoudende succes van Fortuyns erfopvolger Geert Wilders.

Voorzover dat inderdaad een teken is dat mensen die het verschil kunnen maken, zoals politici, onvoldoende ontvankelijk zijn voor het gemoed van de natie, moet de PVDA zich dat volgens Plasterk aanrekenen: 'Maar niet alleen de PVDA. Zo'n verwijt treft alle partijen. Wij hebben er wel méér last van dan de andere, door onze verplichting aan de sociaal-democratische traditie om een brug te slaan tussen de maatschappelijke groepen.’

De elites, die hij overigens liever als 'voorhoede’ aanduidt, zijn volgens Plasterk tekortgeschoten in hun richtinggevende rol. Het heeft ze ontbroken aan 'positief paternalisme’, in zijn woorden. In grote penseelstreken schilderend, onderscheidt Plasterk drie bepalende ontwikkelingen in de naoorlogse welvaartsstaat waaraan onvoldoende tegenwicht is geboden. De overeenkomst is dat ze alledrie weliswaar bevrijdend hebben gewerkt, maar ook 'positief paternalisme’ behoefden om niet te ontsporen. De elites waren daarin al te terughoudend, meent hij.

'Ik heb het in de eerste plaats over de ongekende technologische ontwikkeling. De tv deed haar intrede, het vliegtuigtoerisme kwam op. Mensen konden verder reizen, meer van de wereld zien, hun eigen muziek kiezen. Ze konden opeens naar hun goeroe in India vliegen. Een tweede ontwikkeling is de welvaartsexplosie. Kijk naar Woodstock, het icoon van die periode. Het bleek opeens voor massa’s jongeren mogelijk op een vliegtuig te springen om een lang weekeinde in de modder te gaan liggen, drugs te gebruiken en naar hun lievelingsmuziek te luisteren, waarna ze terugvlogen en weer aan het werk gingen. Voor het eerst in de geschiedenis beschikte de middenklasse over deze luxe. De mensen genoten een ongekende vrijheid. Contrasteer dat nu eens met de toestand daarvoor, de periode die Bordewijk in Karakter beschrijft. Katadreuffe moest sappelen en bikkelen om genoeg geld te hebben voor de huur. Dat is maar één generatie eerder. Ongekende technologische mogelijkheden, meer vrijheid, meer welvaart. Dat is allemaal prachtig, zonder meer, maar uiteraard niet zonder problematische kanten. Bij the powers to be, de elites, was er evenwel onvoldoende bereidheid om daaraan tegenwicht en richting te geven.’

IN DE POLITIEK verbeeldden de PVDA, D66 en de kleine linkse partijen PSP en PPR in de jaren zestig en zeventig die nieuwe vrijheidsgeest. Ze toonden zich in die tijd zelfbewust en overtuigd van het eigen gelijk, een houding die in de PVDA nogal eens ontspoorde in drammerigheid. Kan dat verklaren waarom die partij de kop van Jut is in de populistische kritiek op de 'linkse elite’?

Plasterk: 'Nog steeds is de vergroting van de persoonlijke autonomie van individuen een grootse prestatie van links. We hoeven niets af te doen aan de vrijere seksuele moraal, de acceptatie van homoseksualiteit, de erkenning van jongeren als een eigen persoon met een eigen smaak en een eigen doel. In de jaren vijftig moesten kinderen zich nog als een kopie van hun ouders gedragen. In plooibroek en colbertje naar school. Nu wordt geaccepteerd dat er zoiets als jeugdcultuur bestaat en dat jongeren recht hebben op hun eigen leefruimte en -wereld. Al die positieve verworvenheden kleven aan links. Het is dan logisch dat de keerzijde ervan ook aan links wordt toegeschreven.

In dat licht is het wel wrang dat wat is misgegaan in de jeugdcultuur meer te maken heeft met commercialisering en schaalvergroting, typisch dingen van rechts. De popmuziek is begonnen als protestmuziek, op boereninstrumenten als een gitaar, tegen de gevestigde orde. Bekijk op YouTube Woody Guthrie, met This Land Is Your Land. De eerste demonstratie waaraan ik meedeed was voor het behoud van piratenzender Veronica. Het regende licht en op het Malieveld traden Mariska Veres en de Dizzy Man’s Band op. Veronica, er is niks links meer aan. De popmuziek is een hypercommerciële toestand geworden. De markt is slim als zij winst ruikt, dus het bedrijfsleven heeft al spoedig de jeugdcultuur naar zich toe getrokken.’

Naast de technologie en de welvaart is het trauma van de Tweede Wereldoorlog volgens Plasterk de derde verklarende factor voor de schroom van de elites om richting te geven: 'Dat was een traumatische erfenis. Nooit meer de nationale staat heilig verklaren, was een les die we meenden te hebben geleerd, want daar komt ellende van. Nooit meer denken dat een volk of een cultuur superieur kan zijn, dus een keuze voor cultuurrelativisme. Nooit meer inmenging achter de voordeur, nooit meer iemand die op de deur klopt. Sofort aufmachen, dat willen we niet meer horen. Door dat trauma van de oorlog hebben we een samenleving gekregen waarin de elites terugschrikken voor een richtinggevende rol. Daarmee zijn we iets kostbaars kwijtgeraakt, dat wat ik aanduid als positief paternalisme. De bereidheid om tegen mensen te zeggen wat goed voor hen is. Dat verklaart mede waarom Nederland het zo moeilijk vindt een miljoen nieuwe landgenoten in te passen. Veel problemen met de integratie zijn veronachtzaamd. Dat heeft te maken met dat gebrek aan positief paternalisme.’

Het valt op dat Plasterk met de nationale staat en het cultuurrelativisme precies de thema’s noemt waarmee de PVV zich roert. Oefenen de populisten kritiek uit waar de PVDA iets van kan opsteken? 'De essentie van effectieve populisten is dat ze goed kijken wat er aan de hand is. De onvrede die ze signaleren is er echt en heeft ook een reële grond. Dus ik ben niet verlegen als noties die ik zelf heb ook terug zijn te vinden in een populistische agenda, te meer daar de PVDA die agenda al veel eerder had. Het idee van meer positief paternalisme komt in z'n geheel voort uit ons eigen denken, niet uit een reactie op Wilders. Er is ook geen enkele reden om verongelijkt rechts als baken voor de eigen koers te nemen.

Als het gaat om de nationale staat grijp ik graag even terug op mijn eigen denken. In 2005 heb ik in mijn afweging over het referendum over de Europese grondwet, na lang wikken en wegen, besloten dat ik het verhaal van het kabinet niet overtuigend vond, niet coherent. Dat verhaal deed onvoldoende recht aan de grote waarde die we in Nederland aan onze nationale soevereiniteit hechten. Ik stemde tegen. Ik kon dat doen, zonder enige aarzeling, omdat ik mij na twintig jaar in de internationale wetenschappelijke wereld totaal vanzelfsprekend als een internationalist beschouwde. Al die kritiek dat een tegenstem provinciaal zou zijn of nationalistisch deed me niets. Dat was onzin. Je hoeft mij niet te vertellen hoe de wereld in elkaar zit. We gingen ons opsluiten in een soort vesting Europa, met kunstmatige grenzen, waarin we Europese eisen gingen stellen aan het recept van de smeltjus in Hongarije.’

VOLGENS PLASTERK wordt er in het politieke debat een valse tegenstelling gecreëerd tussen internationalisme en de waarde van de nationale staat: 'Ik denk dat we er goed aan zouden doen het grote belang van de nationale staat en de nationale identiteit te erkennen. Vanuit die positie kan ons land zich veel krachtiger internationaal manifesteren en, als dat nuttig en nodig is, zich verbinden met andere landen. Je kunt je gemakkelijker met anderen verenigen als je weet waar je zelf staat. Laat ik het aan een woord ophangen. Het woord “volk”. Dat is een besmet woord, er hangt iets onplezierigs omheen. Das Volk. Dat is weer zo'n trauma van de oorlog. Volk en Vaderland was de NSB-krant, de Duitsers lag het woord in de mond bestorven. Terwijl het Angelsaksische woord people totaal geaccepteerd is. Bij We, the people… schieten de tranen ons in de ogen, zeker als ze vallen bij de inauguratie van Obama. Dan vinden we het opeens prachtig. Dat verschil is niet goed. Laten we gewoon blij zijn met gestolde vormen van nationale identiteit, zoals monumenten, molens en volkscultuur. Dat is geen onderwerp om met dedain over te praten. Waarom zou het links zijn om laatdunkend te spreken over het draaiorgel? Dat is een schitterende vorm van publieke cultuur! Dus dat trauma over het begrip “volk” moeten we nu maar eens achter ons laten.’

De vraag ligt voor de hand hoe te voorkomen dat trots op de eigen nationaliteit doorslaat in angst voor het vreemde. 'Je moet de woorden naar je toe durven halen en niet voortdurend schrikachtig reageren op rechtse bewegingen. We moeten het woord “volk” dus gewoon gebruiken, zij het in de meest inclusieve zin van het woord. In een land dat een aanslibsel van Franse rivieren is, zoals Lodewijk XIV Nederland betitelde, ligt het voor de hand dat veel mensen in de verte van immigranten afstammen. Reken maar dat Ahmed Marcouch Nederlander is. Mijn vader kwam hier in 1939, uit Berlijn, na de Kristallnacht. Hij sprak alleen Duits. Op zijn eerste rapport had hij een 3 voor Nederlands. Die taal was hem volkomen vreemd. Maar hij belandde bij de paters op de kostschool en dankzij hen haalde hij bij zijn eindexamen een 9 voor Nederlands. Daar ben ik trots op. Het woord “trots” vind ik ook een mooi woord, net als “volk”. Ik ben trots op Nederland. Hoe terecht de kritiek ook mag zijn op wat er mis is gegaan bij priesterordes, mijn vader is daarin liefdevol opgenomen, door mensen die dat niet hoefden maar op het juiste moment toch het goede deden. Die trots op Nederland strekt zich ook tot hen uit. Je moet dat begrip naar je toe halen. Het woord “trots” is van ons, helemaal niet van een of andere naargeestige rechtse beweging.’

Hoezeer h ij het ook noodzakelijk vindt dat elites weer richting durven geven aan het volk, dat wil volgens Plasterk geenszins zeggen dat ze zich niet hoeven bekommeren om wat er onder de mensen leeft. De grote leiders uit de geschiedenis van de sociaal-democratie zijn ook in dit opzicht een voorbeeld voor hem. Ook de schoolmeesters, doktoren en advocaten onder hen verloren volgens hem niet uit het oog dat zij hun mandaat ontleenden aan het volk. De macht die zij ontplooiden als politicus was 'een geleende fiets’, in Plasterks beeldspraak. Dat schiep verplichtingen aan degenen die zij vertegenwoordigden. Dat is nu niet anders, zegt Plasterk.

'Ik krijg de indruk dat sommigen zelfs het begrip “volksvertegenwoordiger” populistisch vinden. Dan ben je toch de kluts kwijt? Ik bedoel allesbehalve dat een volksvertegenwoordiger niet méér is dan een doorgeefluik van de wensen van zijn achterban, integendeel. Anders zou mijn pleidooi voor een positief paternalisme nergens op slaan. Maar dat neemt niet weg dat een volksvertegenwoordiger een verantwoordelijkheid heeft jegens degenen aan wie hij zijn mandaat dankt. Ik heb laatst in de Bart Tromp Lezing een vlammend pleidooi gehouden tegen bezuinigingen op cultuur. Ik heb daar te elfder ure wel een alinea aan toegevoegd die ik bij nader inzien essentieel vond. Ik heb gezegd dat ik de mensen die nu terecht schreeuwden om cultuur de volgende keer ook weer hoopte te horen tegen bezuinigingen op de sociale werkplaatsen of de jong gehandicapten. Deze mensen zullen beter gebekt zijn dan de gemiddelde werknemer van een sociale werkplaats. Dat geeft hun een bijzondere verantwoordelijkheid. Een vergelijkbare notie geldt in nog veel sterkere mate voor volksvertegenwoordigers.

Hier zien we weer een verschil met verongelijkt rechts. Dat grijpt de bezuinigingen op de kunsten gewoon aan om een nummer te maken tegen de elite. Ik ben vóór de subsidiëring van cultuur in Nederland. Als wij dat niet doen, dan hebben we geen ballet meer, geen toneel meer, geen opera meer. Dan wordt Nederland cultureel het Jutland van Europa. Maar ook als minister van Cultuur in Balkenende IV heb ik de cultuursector altijd aangesproken op haar taak al het mogelijke te doen om de mensen binnen te halen en geen spoor van kakkineus dedain te vertonen tegenover het publiek. Ook dansers, musici, toneelspelers moeten zich realiseren dat ze hun werk kunnen doen met de steun van de groenteboer op de hoek. Voor hem mogen ze niet hun neus ophalen.’

KLASSIEKE BEGINSELEN waarmee de sociaal-democratie elites en lagere sociale klassen met elkaar verbond, zoals 'gelijkheid’ en 'solidariteit’, klinken dezelfde klassen tegenwoordig niet zelden verdacht in de oren. Uit onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut in arme buurten blijkt dat veel autochtone inwoners 'gelijkheid’ en 'solidariteit’ associëren met bevoorrechting van immigranten. Plasterk erkent dat dit fenomeen een complicerende factor is voor het sociaal-democratische streven een brug te slaan tussen verschillende maatschappelijke groepen, van hoog tot laag.

'Soms moet je nieuwe woorden zoeken. Ik denk dat het woord “eerlijk” een beter woord is dan “solidariteit”. Ik ben dus blij met de campagneleus voor de Statenverkiezingen: “Het moet eerlijker”. In dat begrip zit toch de kern van ons verhaal over sociale rechtvaardigheid, wat het bestaansrecht van de sociaal-democratie is. Bij monde van Femke Halsema stelde GroenLinks ons onlangs voor een merkwaardige keuze. Wij kwamen in hun ogen alleen voor progressieve samenwerking in aanmerking als we ons zouden uitspreken vóór minder ontslagbescherming. Dat was de lakmoesproef voor progressiviteit. Volgens die definitie is Hans Hillen buitengewoon progressief en Agnes Jongerius conservatief.

Ik weiger in die manier van denken mee te gaan. GroenLinks gaat in haar redenering voorbij aan tal van verworvenheden waarvoor onze voorgangers hebben gevochten. Het recht op vakantie, het recht op medezeggenschap, het recht op zwangerschapsverlof, het recht om ook eens lastig te zijn, het recht met de leiding van mening te verschillen. Dat zijn natuurlijk allemaal rechten die aan de ontslagbescherming vastzitten. Versoepel je die, dan kan je baas straks zeggen: “Tuurlijk, je hebt recht zwanger te worden, tuurlijk, je mag best lastig wezen, maar ik ontsla je wel.”

De ontslagbescherming is cruciaal voor het waarborgen van een open, ontspannen en creatieve werksfeer waarin mensen tot hun recht kunnen komen. Daarom voel ik me in het geheel niet verwant met mensen die daar een beetje laconiek over doen. Ik ben hier, in de Tweede Kamer, deel van een voorhoede van een beweging die zich al meer dan honderd jaar druk maakt om het verdedigen van de rechten van gewone mensen. Daaronder is het recht om niet zomaar ontslagen te worden niet het minste. Die lakmoesproef van GroenLinks kan bijna niet opbouwend bedoeld zijn geweest. Zij vroeg ons zo ongeveer te breken met onze raison d'être als volkspartij.’