De lenteschool

‘Het wordt in ieder geval gezellig’

In de meivakantie naar school gaan om niet te blijven zitten: duizenden leerlingen nemen deze week deel aan de lenteschool. Hoewel die minder effectief blijkt dan de zomerschool zijn leerlingen en personeel tevreden.

Medium beeldunie 00111830
Als ik schreef: ‘Dit gaat hem niet meer worden’, appte mijn vriendin: ‘Je gaat heel trots zijn op jezelf.’ Dan ging het weer © Bram Budel / De Beeldunie

Het is een hete ochtend in de meivakantie van 2017 als het uitgestorven schoolplein van gymnasium Felisenum in Velsen-Zuid volstroomt met scholieren op fietsen. Geen loodzware Eastpacks op de rug, enkel een plastic tasje met een lunchpakket. Ze trekken hun oortjes uit en laten hun fietsen loom in de rekken vallen. Het valt niet mee om ook in je vakantie vroeg op te staan en je vrije dagen op te offeren voor de lenteschool, een bijspijkerweek voor degenen die komend jaar dreigen te blijven zitten.

Sommigen zijn hier helemaal vrijwillig, zoals Rosalien (17) die eigenlijk geen onvoldoendes staat, maar een ‘stuntel’ is in het vertalen van Latijn, en Jeff (17) die zich het hele jaar een slag in de rondte leert, maar hogere cijfers wil halen omdat hij, zo legt hij met een volle Noord-Hollandse tongval uit, ‘zich positief moet onderscheiden’ tijdens de decentrale selectie van de studie die hij hierna wil volgen: geneeskunde. Anderen zijn hier met frisse tegenzin. David (18) kreeg een maand of wat geleden het dringende verzoek van school om als ‘risicoleerling’ deel te nemen aan de lenteschool. Belachelijk, vond hij, hij wist zeker dat hij zou overgaan naar 6 gym. Oké, zijn cijfers voor Grieks en wiskunde zijn niet briljant, maar ook niet echt beroerd. Voor allebei staat hij een vijf. Grijnzend: ‘Afgerond naar boven dan.’ Een tikje harder werken en alles zou goed komen. Maar ja, hij is hier dan toch maar.

Dit jaar bezoekt een recordaantal leerlingen een zomerschool of een variant daarvan in de meivakantie: maar liefst 18.303 middelbare scholieren offeren vakantiedagen op om bijgespijkerd te worden in een of twee vakken om zo te voorkomen dat ze blijven zitten. Die variant in de meivakantie is inmiddels zo populair dat dit jaar veel zomerscholen werden vervangen door lentescholen. Met alle gevolgen van dien. Want een lenteschool is geen zomerschool-op-een-ander-tijdstip, blijkt uit onderzoek.

Die zomer- en lentescholen zijn volgens voormalig staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker hét middel om het hoge aantal zittenblijvers naar beneden te krijgen. De helft van alle leerlingen in Nederland blijft ten minste één keer zitten tijdens zijn schoolloopbaan (het meest in het jaar vóór het examen).

Doubleurs zelf balen daar natuurlijk stevig van, maar bijna zeventig procent ziet er achteraf toch het nut van in, blijkt uit een enquête die EenVandaag twee jaar terug deed. Hun cijfers gingen omhoog, ze waren beter voorbereid op het eindexamen en kregen meer zelfvertrouwen, zeiden ze. Dat geldt ook voor Jeff en David, die allebei al eens bleven zitten in de onderbouw. ‘Ik kon in de eerste totaal niet plannen’, zegt Jeff. ‘Ik raakte achterop door die enorme hoeveelheden leerstof en stond er dus niet zo goed voor. In de tweede heb ik hulp van een tutor gekregen, een ouderejaars, en ging het veel beter.’

David had een ‘game-probleem’ zoals hij het zelf noemt en hoewel hij na een half jaar strak huiswerkregime zeventien punten hoger stond op zijn rapport was het te weinig om over te gaan. Maar toen hij de tweede opnieuw deed, ging alles hem veel gemakkelijker af en zat hij ‘beter in zijn vel’.

Dat kan natuurlijk een kwestie van perceptie zijn, vinden veel onderwijskundigen. Er is namelijk veel onderzoek gedaan naar de effecten van zittenblijven en die zijn lang niet zo positief. Tegelijkertijd mist het merendeel van die studies een meting onder een controlegroep waardoor ze qua methodologie onbetrouwbaar zijn, concludeert het Centraal Planbureau in een rapport uit 2015. Het bureau vond maar twee solide Amerikaanse studies. Die laten zien dat zittenblijven juist gunstig kan zijn voor de leerprestaties, al ebben die effecten na een aantal jaar wel weg en gaat het in beide gevallen om doubleren op de basisschool. Een ander betrouwbaar onderzoek laat zien dat doubleurs wel een grotere kans hebben om voortijdig van school te gaan. Al heeft zittenblijven in het voorlaatste examenjaar wel tot gevolg dat meer leerlingen een startkwalificatie hebben, zo concludeert het cpb.

Waarom Dekker toch zo hamerde op het terugdringen van zittenblijven, is de kostenpost die het met zich meebrengt. Zittenblijven kost de schatkist veel geld, zo’n achtduizend euro per middelbare-schoolleerling. Als het doubleren zou worden uitgebannen, bespaart de overheid maar liefst een half miljard euro, zo becijferde het Centraal Planbureau. En dus trok Dekker 8,6 miljoen uit om de zomerschool, waarmee in 2013 op kleine schaal was geëxperimenteerd, verder uit te breiden. Want zeshonderd euro per leerling voor een zomer- of lenteschool óf achtduizend voor zittenblijven, dat bezuinigt lekker.

Omdat scholen de voorkeur hadden voor een bijspijkerweek vóór het zomerrapport kwam er de lenteschool bij.

Nu ze er toch zijn, hebben alle drie de vijfdeklassers wel zin in de lenteschool. Ze zijn benieuwd en verwachten dat de nieuwe ingehuurde en waarschijnlijk jonge docenten de stof op een andere manier zullen uitleggen waardoor het kwartje misschien wél valt. En ze zullen veel oefenen, denken ze. ‘Er komen sowieso leuke mensen, dus het wordt in ieder geval gezellig’, zegt Rosalien. Eigenlijk staat ze er goed voor, ook voor Latijn, maar: ‘Dat vertalen! Ik haal mijn cijfer steeds op met proefwerken over cultuur, maar voor het eindexamen volgend jaar moet ik vooral teksten uit het Latijn vertalen.’

‘Bananen bevorderen je motivatie’ – David rolt met zijn ogen: is hij hiervoor zijn bed uit gekomen?

Jeff – twee vijven, voor Engels en scheikunde – zou met deze cijfers ook overgaan, maar geneeskunde is een van de populaire studies waar cijfers, een toets en motivatiebrief van doorslaggevend belang zijn om toegelaten te worden. Hij weet al vanaf de lagere school dat hij thoraxchirurg wil worden. Niet dat hij dokters in de familie heeft – zijn vader is brandweerman, zijn moeder secretaresse – maar hij vindt het menselijk lichaam sinds de eerste biologieles op de basisschool enorm fascinerend. En dus werkt hij hard voor school. Hij zit twee keer zo lang aan zijn huiswerk als de andere twee: dagelijks vier à vierenhalf uur. ’s Ochtends voor de school begint helpt hij in een bloemenzaak.

David en Rosalien vinden dat ze ‘ook een leven hebben’ en ruimen ook veel tijd in voor andere dingen: Rosalien sport fanatiek, zit bij de reddingsbrigade en geeft als vrijwilliger zwemles. David gamet, knutselt met computers en heeft zijn keyboard altijd binnen handbereik.

De eerste dag van de lenteschool begint met een planworkshop. In kleine groepjes begeleid door een student moeten ze in een mooi vormgegeven boekje met tips en opdrachten (‘Eet een banaan. Bananen verbeteren je concentratie en bevorderen je motivatie’ – David rolt met zijn ogen: is hij hiervoor zijn bed uit gekomen?) vragen beantwoorden als: ben je op tijd begonnen? En aangeven wat ze zo moeilijk vinden aan het vak. Waarna ze een planning maken: wat gaan ze die dag doen en hoe gaan ze dat doen?

Dan begint het sommen maken. En het vertalen. Vijf dagen lang van 9.30 tot 16.00 uur. ’s Middags zijn er om het anderhalf uur kleine pauzes waarin ze tien minuten tijd maken voor een energizer: melige spelletjes om het hoofd leeg te maken, zoals met je groepje zonder te praten op aflopende lengte gaan staan. Of een workshop studiekeuze.

De zomerscholen zijn van oorsprong een Amerikaans fenomeen, ontstaan in de jaren vijftig. Na de lancering van de Spoetnik door de Sovjet-Unie in 1957 kreeg de Amerikaanse overheid het zo benauwd dat alles op alles werd gezet om leerlingen en studenten te laten uitblinken in wiskunde en wetenschap. De zomerscholen kregen daarbij een belangrijke rol. Later, tijdens de civil rights-beweging, werden de summerschools meer een middel om ongelijkheid te bestrijden. In navolging daarvan waren zomerscholen in Nederland tot voor kort eveneens een soort remediërende weken voor basisschoolkinderen uit achterstandswijken, gecombineerd met leuke uitjes.

‘Hoewel zomerscholen in de VS al lang bestaan, is er verrassend weinig deugdelijk onderzoek naar gedaan’, zegt Joris Ghysels, universitair hoofddocent aan Maastricht University. ‘Dat wil zeggen onderzoek met een controlegroep.’ Er was wat hoopgevende Amerikaanse research, maar die betrof vooral onderzoek naar kinderen in de basisschoolleeftijd.

Uit het onderzoek dat Ghysels en collega’s onlangs afrondden naar het effect van zomer- en lentescholen blijkt dat zomerscholen inderdaad werken: 87 procent van de leerlingen die eraan deelneemt gaat alsnog over naar het volgende leerjaar. Tegelijkertijd blijkt uit datzelfde onderzoek dat het rendement van de lenteschool beduidend lager ligt: 76 procent van de deelnemers wordt bevorderd. Terwijl die lentescholen steeds populairder worden en een jaar na invoering het aantal zomerscholen overtreffen (155 lente- tegenover 112 zomerscholen in 2017 en 163 tegenover 50 in 2018).

Volgens het onderzoek van Ghysels is het verschil deels te verklaren door het tijdstip van de selectie. Het is voor lentescholen moeilijker om een goede inschatting te maken welke leerlingen dreigen te blijven zitten dan bij de zomerschool, wanneer het hele schooljaar al achter de rug is en de rapportcijfers definitief zijn. Daarbij duurt de lenteschool gemiddeld vijf dagen en de zomerschool gemiddeld tien. Maar er is volgens de hoofddocent ook een verschil in populatie. ‘Voor de zomerschool worden alleen die leerlingen uitgenodigd van wie zeker is dat ze niet zouden overgaan, maar die tegelijkertijd ook een dusdanig niveau hebben dat het in twee weken recht te breien valt.’ Op de lenteschool komt volgens hem een veel bredere groep af: van kinderen die er echt slecht voor staan tot leerlingen die een hoger cijfer willen, om beter het examenjaar in te gaan bijvoorbeeld. ‘En je mist mogelijk juist ook de groep die op het randje zit, die denkt: ik heb nog twee maanden voor het eindrapport, dus dat haal ik op een andere manier wel in door bijles of een beetje harder werken.’

Ouders en leerlingen zijn over het algemeen dik tevreden over de lenteschool, blijkt uit hetzelfde onderzoek. Leerlingen vonden de sfeer goed, ongeveer negentig procent vond het nuttig om deel te nemen en zeventig procent denkt dat het ook heeft geholpen om over te gaan. Rosalien was aanvankelijk chagrijnig over haar begeleider die helemaal geen klassieke talen bleek te studeren maar tandheelkunde. ‘Misschien was ze goed voor de onderbouw, maar mijn vragen moest ze vaak opzoeken. Dat schiet niet op. In de tweede helft van de lenteschool kregen we gelukkig iemand die Latijn studeerde en heel goed was.’ Wel gaven veel leerlingen aan dat de lenteschool niet aan hun verwachtingen voldeed. Ook Jeff, Rosalien en David hadden net als veel andere scholieren verwacht dat er meer klassikale lessen zouden zijn, terwijl het overwegend zelfstudie was.

De VO-raad, de belangenorganisatie van schoolbesturen, reageerde tevreden. Samen met de staatssecretaris hebben ze zich tot doel gesteld om het aantal zittenblijvers in 2020 terug te brengen van 5,8 naar 3,8 procent. De lenteschool bleek weliswaar minder effectief dan de zomerschool, maar driekwart ging na deelname toch maar mooi over, zo luidde ongeveer de reactie.

‘Jongens zullen minder dan meisjes het gevoel hebben van het is nu of nooit, waardoor ze minder gemotiveerd zijn’

Maar zo simpel is het niet. Want wat was er gebeurd als ze niet naar de lenteschool waren gegaan? Uit een vergelijking met de controlegroep blijkt dat de lenteschool dan maar een klein effect heeft. En uitgesplitst naar jongens en meisjes, dat dat effect alleen geldt voor meisjes. Voor jongens maakte het voor hun bevordering niet uit of ze deelgenomen hadden aan de lenteschool of niet. Terwijl juist jongens vaker doubleren dan meisjes en dus de doelgroep bij uitstek zijn voor de lenteschool.

‘Nou ja’, relativeert Ghysels die uitkomst, ‘we hebben voor jongens niet kunnen áántonen dat de lenteschool werkt.’ Zelf wijt hij dat aan de onderzoeksgroep. Voor de zomerschool is die onder jongens en meisjes gelijker, denkt hij. ‘Bij de lenteschool krijg je mogelijk een andere selectie bij meisjes dan bij jongens. Meisjes zijn zorgelijker over hun studie. Zo’n aanbod van de lenteschool zien zij als een serieus signaal, jongens veel minder. Het zou kunnen dat we daardoor meer jongens hebben geselecteerd die er slechter voor stonden.’

Maar volgens Jelle Jolles, hoogleraar neuropsychologie aan de Vrije Universiteit en schrijver van het boek Het tienerbrein, zou gender nog wel eens een veel grotere rol gespeeld kunnen hebben. ‘Jongens zullen bij zo’n lenteschool veel minder urgentie voelen. Ze zijn op dat moment in hun ontwikkeling wat meer op de korte termijn gericht dan meisjes en zullen dus minder het gevoel hebben van het is nu of nooit, waardoor ze ook tijdens de lenteschool minder gemotiveerd zijn.’ En dat is tragisch, vindt hij, omdat juist jongens zouden moeten profiteren van dit soort maatregelen, die ‘een trager groeiende boom tot bloei laten komen’. Jongens doen het steeds slechter op school dan meisjes. Ze blijven vaker zitten, stromen af naar een lager niveau of maken hun opleiding niet af of doen er veel langer over.

Dat heeft te maken met de verschillende manieren waarop ze zich ontwikkelen. Jongenshersenen rijpen over het algemeen in een ander tempo en een andere volgorde dan die van meisjes. Intellectueel zijn er in principe geen verschillen tussen beide seksen. Er zijn slechts subtiele biologische verschillen in de hersenen aan te wijzen die door voorkeur (je doet liever waar je goed in bent) en door cultuur (jongens en meisjes worden nog steeds anders bejegend door ouders, leraren, omgeving en peers) worden uitvergroot tot stereotiep gedrag.

Juist ten aanzien van veel vaardigheden die op school gevraagd worden, rijpen jongens iets trager dan meisjes, zegt Jolles. ‘Meisjes lopen voor op taalvaardigheid, zelfinzicht en zelfregulatie en zijn alerter op wat de omgeving van ze wil. Dat past beter bij het huidige schoolsysteem. Jongens zijn op die leeftijd ondernemender dan meisjes, en ontwikkelen zich meer op het gebied van handelen en bewegen. Dat zorgt voor meer ruimtelijk inzicht (goed voor mathematische vakken), maar ook dat ze meer risico lopen van een confrontatie met de leraar die liever een leerling heeft die luistert.’

Daarbij is het onderwijs flink veranderd. Een vak als wiskunde is bijvoorbeeld taliger geworden. Er moet over de hele linie veel meer zelfstandig en samen gewerkt worden – zaken waar de meeste meisjes op dat moment beter in zijn.

Dat is geen reden om het jongens niet te leren. Je moet ze juist trainen in empathie en communicatie, vindt Jolles: het zijn 21ste-eeuwse vaardigheden die iedereen moet beheersen. En meisjes zouden op hun beurt gestimuleerd moeten worden om ondernemender en ‘stouter’ te zijn. Jongens moeten alleen niet afgerekend worden op die vaardigheden als ze die qua hersenontwikkeling nog kunnen bezitten. ‘Als jongens daardoor afstromen naar een lager schoolniveau kunnen ze die vaardigheden ook niet meer ophalen. Want we zíjn niet ons brein: context shapes the brain! De sociale omgeving en de prikkels die we daaruit krijgen, zijn verantwoordelijk voor de vorming van de hersenen. Ons schoolsysteem zou er toch op gericht moeten zijn om een context te bieden waarin meisjes én jongens tot bloei kunnen komen.’

De zelfstudie die op de lenteschool gevraagd wordt, is op die leeftijd ook lastiger voor jongens. Het heeft volgens Jolles bovendien niet zo veel zin om dezelfde stof op precies dezelfde manier opnieuw aan te bieden: hetzelfde boek, dezelfde sommen. ‘Dan zijn kinderen bij voorbaat verveeld, en dan onthouden ze niets, terwijl kinderen van nature nieuwsgierig zijn.’

12 juli. De laatste dag van de proefwerkweek zit erop. Rosalien, Jeff en David hebben alledrie hard gewerkt, soms wel tot middernacht. ‘Ik zat er aan het eind van de proefwerkweek helemaal doorheen. Maar in onze vriendinnen-appgroep sleepten we elkaar erdoor. Als ik schreef: “Dit gaat hem niet meer worden”, appte mijn vriendin: “Je gaat heel trots zijn op jezelf.” En dan ging het wel weer.’ Rosalien weet haar cijfer voor Latijn al: een 6,5 voor een gecombineerde toets van vertalen en cultuurhistorie. Jeff is ook ‘superblij’ met een eindcijfer 6,5 voor scheikunde, al is Engels een 5 gebleven. David baalt ervan dat hij voor wiskunde op zijn rapport nog steeds een 5 staat. Hij had een veel hoger cijfer verwacht. Tegelijkertijd denkt hij dat al dat ge-oefen wel zin heeft gehad. Gelukkig heeft hij voor het proefwerk dat meetelt voor het schoolexamen een 6,5. Maar hij twijfelt hierdoor voor het eerst aan zijn studiekeuze civiele techniek aan de TU Delft. ‘Misschien moet ik toch maar economie of biologie gaan studeren.’

Ook Rebecca van den Berg, bovenbouwcoördinator van het Felisenum, is tevreden over de resultaten van de lenteschool. Het jaar ervoor ging 88 procent van de vijfdeklassers over. ‘Dit jaar is dat 93 procent, en als degenen die een herexamen moeten doen het halen, 96 procent. Die lenteschool houden we erin.’

Het past ook in de filosofie van het Felisenum. ‘Wij zijn wel van het kansenonderwijs. Vergeleken met andere categorale gymnasia hebben wij een relatief grote groep leerlingen die niet van bemiddelde komaf is. Ze krijgen vanuit thuis minder hulp en er is minder geld voor bijles of examentrainingen. Vandaar dat we de gesubsidieerde lenteschool ook breder hebben aangeboden.’

Tegelijkertijd voelt het ook een beetje als falen, vindt Van den Berg: waarom hebben we een extra week nodig en gebeurt het niet in de les? Dat is volgens onderzoeker Ghysels ook waar veel schooldirecteuren die niet meedoen mee worstelen. Maar Van den Berg is pragmatisch: ‘Voor leerlingen die zich op een ander tempo ontwikkelen is zo’n lenteschool echt een uitkomst. We gaan er zeker mee door.’

David, Jeff en Rosalien gingen allemaal over en zitten op dit moment stevig te blokken voor het centraal schriftelijk eindexamen