Radicaal rechts in Europa

Het wordt niet minder, minder

Terwijl gevestigde partijen de ideologische veren hebben afgeschud, houden radicaal rechtse partijen hun tooi in ere. De partijfamilie van de PVV is in bijna heel West-Europa salonfähig geworden. Dat betekent echter niet dat ze zich ideologisch matigen.

Medium anp 45297934

Het gaat goed met radicaal rechtse partijen in West-Europa. In Oostenrijk heeft fpö-kandidaat Norbert Hofer op een haar na het presidentschap veroverd. De partij maakt volgens de peilingen grote kans op het premierschap, mochten er nu nationale verkiezingen gehouden worden. De pvv steekt momenteel wat virtuele populariteit betreft met kop en schouders boven alle andere Nederlandse partijen uit. In Frankrijk heeft Marine Le Pen, die in 2011 het leiderschap van het Front National (FN) overnam van haar vader, de partij naar nieuwe electorale hoogten geleid. En ook Alternative für Deutschland (AfD) in Duitsland, de Lega Nord (LN) in Italië, de Sverigedemokraterna (SD) in Zweden, UK Independence Party (ukip) in het Verenigd Koninkrijk en het Vlaams Belang (VB) bij onze zuiderburen doen het goed in recente peilingen.

Uiteraard zijn het slechts peilingen, waarin radicaal rechtse partijen profiteren van recente terreuraanslagen en de vluchtelingencrisis. Maar ook bij verkiezingen scoren ze goed en dat deden ze al vóór de recente vluchtelingencrisis. Nationale verkiezingen van de afgelopen decennia laten een beeld van gestage groei zien. In de jaren negentig haalden radicaal rechts-populistische partijen gemiddeld acht procent bij nationale verkiezingen, inmiddels is dat gestegen tot gemiddeld 12,5 procent (zie tabel 1). Met dit percentage is het radicaal rechts-populisme de meest succesvolle stroming die sinds de Tweede Wereldoorlog is opgekomen.

Dat radicaal rechtse partijen een centrale plek hebben veroverd in West-Europese democratieën blijkt niet alleen uit hun electorale successen. Ook hun deelname aan regeringscoalities laat zien dat ze belangrijke spelers op het politieke toneel zijn geworden. Veel radicaal rechtse partijen, zoals de fpö, de Lega Nord, de lpf, de Finse PS en de Zwitserse svp, hebben inmiddels regeringservaring opgedaan. Daarnaast hebben de Deense DF en de pvv quasi-regeringsverantwoordelijkheid gedragen als gedoogpartner van een minderheidskabinet. Als men de kabinetten die op dit moment aan de macht zijn in Finland en Noorwegen meetelt, hebben radicaal rechtse partijen deelgenomen aan welgeteld zestien West-Europese regeringscoalities sinds de millenniumwisseling.

Het baart inmiddels weinig opzien meer als radicaal rechtse partijen regeringsmacht krijgen. Hoe anders was dat in 2000, toen er internationaal kritiek kwam op de regeringsdeelname van de fpö. De lidstaten van de EU kondigden sancties af en het Nederlandse publiek sloeg de skivakantie in Oostenrijk over. Ondanks alle kritiek koos Wolfgang Schüssel, de leider van coalitiegenoot övp, indertijd toch voor de fpö als coalitiepartner. Hij pareerde de protesten tegen regeringsdeelname van de partij met de bezwering dat hij de ‘draak zou temmen’. Met andere woorden, regeringsdeelname zou de fpö tot matiging dwingen. Toen in Nederland de pvv in 2010 werd gekozen als gedoogpartner werd hetzelfde argument gebruikt. De pvv zou zich volgens voorstanders in cda- en vvd-kringen gaandeweg gaan matigen als de partij regeringsverantwoordelijkheid moest dragen.

Het is een aannemelijke bewering, die ook door politicologen vaak wordt gedaan. Immers, regeringsdeelname betekent in West-Europa vrijwel altijd dat partijen een coalitie moeten aangaan met één of meer gevestigde partijen en dus compromissen moeten sluiten. Regeren betekent ook dat de beleidsvoorstellen op hun realiteitsgehalte getest worden. Bovendien wordt het lastiger voor de radicaal rechtse partijen om zich te profileren als buitenstaanders ten opzichte van de politieke elite. Goede redenen dus om te verwachten dat ze zullen matigen als ze meeregeren. Ook van de wens om te regeren kan al een matigende werking uitgaan, omdat potentiële coalitiepartners op de hoogte gebracht moeten worden van de regeringsintentie van de partij.

Uit eerder onderzoek is gebleken dat andere nieuwe partijfamilies, zoals groene en religieuze partijen, meer mainstream werden als ze zich moesten bewijzen als betrouwbare coalitiepartners. Ze geven hun meest radicale standpunten op en veranderen hun gedrag. A priori zijn er geen redenen om te veronderstellen dat deze dynamiek niet bij radicaal rechtse partijen bestaat. Sterker nog, vanwege het radicalisme en het populisme van deze partijen kan verwacht worden dat deze matiging nog sterker optreedt.

Oftewel, het lijkt een bijna onontkoombaar proces dat nieuwe partijen tammer worden op het moment dat ze de oppositiebanken verruilen voor het regeringspluche. Toch laat ons onderzoek zien dat deze ‘dressuurwet’ nauwelijks opgaat voor radicaal rechtse partijen. Ze matigen nauwelijks op hun kernprogramma en ideologie als ze regeringsverantwoordelijkheid op zich nemen. Bovendien is een eventuele matiging tijdelijk van aard. Deze partijfamilie vormt dus een uitzondering op een belangrijke politicologische en politieke regel.

Het ideologisch profiel van de radicaal rechtse partijen is een combinatie van ‘nativisme’ (dat wil zeggen xenofoob nationalisme) en populisme, waarbij het accent ligt op het anti-immigratieprogramma. Ze concurreren electoraal en ideologisch vooral met gevestigde partijen door zich te richten op onvrede over immigratie en integratie en op de angst voor de islam. Daarnaast spelen veiligheid en criminaliteit en Europese integratie, die als een ondermijning van nationale grenzen en soevereiniteit beschouwd wordt, een belangrijke rol. Sociaal-economische issues zijn van secundair belang. Ook het populisme zorgt voor electorale aantrekkingskracht, aangezien deze partijen zich hebben opgeworpen als de buitenstaanders die het stilzwijgen en de politieke correctheid van de gevestigde partijen en media durven te doorbreken.

Het radicaal rechts-populisme is de meest succesvolle stroming die sinds de Tweede Wereldoorlog is opgekomen

Ons onderzoek toont aan dat regerende radicaal rechtse partijen op inhoudelijke thema’s als immigratie en integratie hun standpunten niet matigen. Ook richten ze zich, wanneer ze regeringsverantwoordelijkheid dragen, slechts in beperkte mate op traditionele sociaal-economische kwesties. Wat betreft populisme houden ze retorisch doorgaans hun buitenstaandersrol overeind. Het enige belangrijke matigingseffect dat we gevonden hebben is dat deze partijen zich wat gedrag betreft minder populistisch gaan opstellen; als ze deel uitmaken van een regeringscoalitie gedragen ze zich volgens de spelregels.

Het geval van de fpö, die in 2000 als een van de eerste radicaal rechtse populistische partijen in de regering kwam, leek het bekende patroon van matiging door regeringsdeelname aanvankelijk te bevestigen. De conservatieve coalitiepartner övp had al ruim voor de verkiezingen eisen gesteld: de fpö moest radicale voorstellen voor een plebiscitaire democratie opgeven, de integratie van Oostenrijk in de EU accepteren en zich zonder meer distantiëren van het nazisme. De fpö kwam daaraan tegemoet.

De toenmalige leider Jörg Haider distantieerde zich bijvoorbeeld van het antisemitisme door een Oostenrijks-joodse intellectueel kandidaat te maken voor het Europees Parlement en door afstand te nemen van het Duitse nationalisme in het partijprogramma. Hij verklaarde samen met övp-leider Wolfgang Schüssel in een preambule bij het regeerakkoord dat de partijen hun steun gaven aan het EU-lidmaatschap en dat ze tolerantie hoog zouden houden. Ook deed de fpö belangrijke concessies bij de verdeling van regeringsposten. De partij legde zich erbij neer toen twee regeringskandidaten van de fpö werden afgewezen door de toenmalige president Thomas Klestil. Om protesten de wind uit de zeilen te nemen hield Haider zich op de achtergrond; hij nam niet deel aan de regering en trad terug als partijvoorzitter. De partij matigde dus flink onder druk van coalitiepoartner övp en nationale en internationale protesten.

Het immigratie- en integratiebeleid van het nieuwe kabinet week niet erg af van dat van vorige kabinetten, ook omdat de övp al opgeschoven was naar rechts in dit opzicht. Eenmaal in de regering liepen de spanningen binnen de partij echter snel op door kelderende peilingen en een ontevreden achterban. In 2005 ontstond een partijsplitsing: de fpö trad uit de regering en een deel van de partij ging als bzö onder leiding van Haider door met regeren. In de oppositie radicaliseerde de fpö weer snel. De nieuwe leider Heinz-Christian Strache ging luidkeels in de aanval en toonde zich niet bereid tot samenwerking.

Immigratie en EU werden de centrale thema’s bij de nationale verkiezingen in 2008 en die voor de EU in 2009. Strache noemde de EU corrupt en bevangen door ‘asielgekte’. De fpö deed het electoraal goed en liet de bzö achter zich. Vanaf 2010 begon de fpö weer voorzichtig toenadering te zoeken tot de övp. Strache probeerde vooral het imago van ‘partij met een naziverleden’ bij te stellen. Toen fpö-presidentskandidaat Barbara Rosenkranz controversiële uitspraken deed over de holocaust distantieerde Strache zich en riep haar na haar verloren gooi naar het presidentschap op om af te treden. Ook het felle anti-islamprogramma werd op nationaal niveau wat afgezwakt. Recent liet Strache weten dat ‘er ruimte is voor moslims in de fpö’.

Maar regionaal bleef de partij zich sterk profileren. In Styrië eiste de fpö een verbod op de bouw van moskeeën en minaretten. In Wenen voerde de partij een anti-islamcampagne en herinnerde de kiezers aan de Ottomaanse verovering van de stad. Het nationale programma van de fpö was vooral kort en vaag, en gaf de fpö de mogelijkheid om flexibel en selectief te zijn al naar gelang de omstandigheden. In de recente campagne voor het presidentschap liet ook fpö-kandidaat Norbert Hofer de kiezers nadrukkelijk weten dat niemand bang voor hem hoefde te zijn. Om zich te distantiëren van het nazi-imago van de partij reisde hij naar Israël en onderstreepte daarmee dat antisemitisme niet aan de orde is. De fpö maakt in de peilingen nu de kans om de grootste partij te worden.

De manier waarop de fpö zich in 2000 ter wille van deelname aan de regeringsmacht gebogen heeft naar de eisen van coalitiepartner övp zal niet worden herhaald. Zelfs als de fpö niet de grootste zal worden in de eerstvolgende verkiezingen, dan nog heeft de partij geleerd dat het electoraal funest is om al te veel in te leveren. Andere radicaal rechts-populistische partijen hebben daarvan geleerd. Zij zijn minder snel bereid onder druk van coalitiegenoten in te leveren.

De pvv bijvoorbeeld leverde in 2010 weinig in op het kernprogramma. De belangrijkste effecten van regeringsdeelname waren dat de partij zich qua gedrag aanpaste en dus in feite minder populistisch werd. Toen de pvv in 2010 een regeerakkoord sloot met vvd en cda hoefde de partij wat de islam, immigratie en integratie betrof nauwelijks compromissen te sluiten. In het regeerakkoord was zelfs een bepaling opgenomen dat de coalitiepartners overeenkwamen om het oneens te zijn over de islam. De pvv hield op dit punt bewegingsvrijheid. Daar tegenover stond wel dat de partij moest inleveren op sociaal-economische standpunten. Wilders maakte bijvoorbeeld een flinke draai met betrekking tot de verhoging van de pensioenleeftijd, een kwestie die hij in de verkiezingscampagnes nog als breekpunt had genoemd.

Hoewel de PVV zich retorisch profileerde als buitenstaander gedroeg zij zich conform de Haagse spelregels

Er was dus wel sprake van matiging, maar niet op de kwesties waarop de partij zich het meest nadrukkelijk profileerde. Wat de populistische opstelling van de partij aanging lag dat anders. Hoewel de pvv zich retorisch nog steeds profileerde als een felle buitenstaander die zich verre hield van de gevestigde Haagse politiek gedroeg de partij zich in feite conform de Haagse spelregels. pvv’ers stemden keurig volgens de lijnen van het regeerakkoord, onthielden zich van moties van wantrouwen en werkten constructief samen met andere partijen.

Ook bij andere radicaal rechts-populistische partijen met regeringsverantwoordelijkheid is dit patroon te observeren, al zijn er enkele uitzonderingen. De Noorse FrP, een van de meest gematigde partijen binnen de radicaal rechtse partijfamilie, zwakte standpunten over immigratie en integratie af toen de partij in 2013 toetrad tot de regering. De Finse PS deed concessies ten aanzien van de uitgesproken eurosceptische standpunten. De PS was vanaf de oprichting in 1994 eurosceptisch en pas later, vanaf 2003 ongeveer, werd de partij geleidelijk een anti-immigratie- en anti-islampartij. De EU was dus een kernpunt; de partij was voor hervormingen van de EU en voor een exit uit de eurozone en een referendum daarover. Timo Soini, de partijleider, greep de financiële crisis aan om dit te onderstrepen. Hij opponeerde heftig tegen hulp aan de Grieken, noemde aanvankelijk de Griekse bail-out ‘immoreel’, maar maakte eenmaal in de regering een ommezwaai en steunde uiteindelijk de tweede bail-out.

Niettemin geldt voor de meeste partijen dat ze als regeringspartijen niet of nauwelijks ingeleverd hebben op hun anti-immigratie- of anti-EU-programma’s. Ze blijven bovendien sterk gericht op sociaal-culturele issues en retorisch stellen ze zich op als buitenstaanders. Alleen qua gedrag gaan ze meer lijken op gevestigde partijen.

Medium 2016 rechtsradicalen 2

Ook op de lange duur valt dit patroon waar te nemen. Dat kan geïllustreerd worden aan de hand van de Deense DF en de Zwitserse svp. Zij hebben de langste regeringservaring. De DF regeerde tussen 2001 en 2011 onafgebroken, ook al was dit als gedoogpartner van een minderheidskabinet. De svp zit al langer ononderbroken in de Zwitserse federale regering, maar heeft zich pas sinds de eeuwwisseling tot een uitgesproken anti-immigratiepartij ontwikkeld. Deze partijen zouden door hun langdurige bestuurlijke oriëntatie het meest veranderd moeten zijn, maar ook op de langere termijn blijken de scherpe kanten van het anti-immigratieprofiel niet te verdwijnen.

De DF heeft anders dan de fpö gekozen voor de positie van gedoogpartner sinds 2001. Dat heeft de partij tot op de dag van vandaag volgehouden. Het geeft meer ruimte om een radicaal profiel overeind te houden en electoraal verlies te beperken. De partij heeft met de coalitiepartners vaak een uitruil weten te realiseren waarbij strenger immigatiebeleid tegenover concessies op sociaal-economisch terrein werden geruild. Denemarken is onder druk van DF een land met uiterst strikte integratie- en asielwetgeving geworden. De recente geruchtmakende wet die asielzoekers verplicht vermogen boven tienduizend kronen in te leveren past in een langdurige trend van steeds striktere wetgeving ten aanzien van asiel, familiehereniging en integratie. Denemarken loopt sinds de regeringssteun van de DF in dat opzicht voorop in West-Europa.

Wat populisme betreft zien we bij de DF slechts enige retorische matiging. Opvallend is vooral een aanpassing qua gedrag. De partij kritiseerde bij monde van leider Pia Kjaersgaard ‘de in zichzelf gekeerde politieke en culturele elite die geen enkel gevoel heeft voor de condities waaronder het volk leeft’. De nieuwe leider Kristian Thulesen Dahl is iets minder geneigd om de elites te beschuldigen van verraad van het gewone volk. In de opstelling naar coalitiepartners heeft de DF er vanaf het begin naar gestreefd een ‘normale’ partij te worden, waar op gerekend kon worden als er eenmaal politieke akkoorden waren gesloten. Sinds de partij meeregeert is er geen enkel incident geweest als het gaat om schending van afspraken. De partij stemde sindsdien vóór de jaarlijkse begroting en steunde vrijwel alle wetsvoorstellen. De DF is inmiddels zozeer geïntegreerd dat in 2015 zelfs de sociaal-democraten de verkiezing van voormalig DF-leider Kjaersgaard tot voorzitter van de Folketing steunden.

De svp verkeert in een wat uitzonderlijke positie, omdat het Zwitserse systeem van directe democratie het mogelijk maakt om een oppositierol met regeringsdeelname te combineren. Bovendien bestaat de federale regering uit vaste coalities, onafhankelijk van verkiezingsuitslagen, en zijn er geen coalitieonderhandelingen. Dat geeft de svp veel ruimte om een oppositierol te blijven accentueren in combinatie met regeringsdeelname. De partij grijpt deze kans aan om volksinitiatieven van de grond te trekken die soms dwars tegen het regeringsbeleid in gaan, zoals het recente initiatief om criminele vreemdelingen zonder tussenkomst van de rechter uit te zetten. Maar ook al zijn er spanningen rond de regeringsrol van de svp in de coalitie en werd om die reden partijleider Christoph Blocher vervangen door Eveline Widmer-Schumpf in de regering in 2007, op andere terreinen is de svp een betrouwbare en coöperatieve coalitiegenoot gebleken.

Radicaal rechtse partijen willen best coalities sluiten, maar laten zich ideologisch nauwelijks temmen

In het algemeen kan gesteld worden dat radicaal rechts-populistische partijen vooralsnog betrouwbare coalitiepartners zijn. Voor al deze partijen is het duidelijk dat een ideologisch scherp en herkenbaar nativistisch en populistisch profiel electoraal gezien winstgevend is. Daarom zullen ze ook als ze in de regering zitten er zo veel mogelijk aan vasthouden. Zodra ze het regeringspluche verruilen voor de oppositiebanken zal dat profiel weer opgepoetst worden. Ze verkiezen een electorale strategie boven een strategie gericht op het verkrijgen van bestuurlijke posities, ook al streven ze wel degelijk naar regeringsmacht. Het komt zelden voor dat ze het aanbod om mee te regeren afslaan. De enige uitzondering is de Finse PS, die in 2011 de verleiding van het pluche weerstond.

Maar verkiezingswinst gaat boven alles. Via electorale macht hopen radicaal rechtse partijen coalitiebereidheid en regeringsdeelname af te dwingen. Daarom haalt Geert Wilders zijn schouders op over de claims van andere partijen dat zij niet met de pvv zullen gaan regeren. Als de pvv maar groot genoeg wordt gaan de anderen vanzelf om. ‘Geloof me, het zijn allemaal machtspartijen. Ze zouden hun schoonmoeder nog verkopen om aan de macht te komen’, zei hij. De prioriteit ligt dus bij stemmenwinst in de hoop dat die de weg naar het begeerde centrum van de macht zal banen.

Hoewel de radicaal rechts-populistische partijen hun anti-immigratie-, anti-islam- en anti-eliteboodschap met volle kracht overeind proberen te houden, zijn ze zich welbewust van de grenzen. Niet alleen vanwege de coalitiebereidheid van andere partijen, maar ook vanwege de legitimiteit tegenover kiezers moeten ze associaties met extremisme en racisme zien te vermijden. Dit geldt met name voor partijen die wortels hebben in extreem-rechtse hoek. Extreem-rechtse partijen, waarvan neofascistische en neonazistische partijen klassieke voorbeelden zijn, zijn antidemocratisch, racistisch, antisemitisch en ze verheerlijken geweld. Voor radicaal rechtse partijen die (gedeeltelijk) hun wortels in neofascistische subculturen hebben, zoals Front National, fpö, en Vlaams Belang, is het vaak lastig om beschuldigingen van extremisme te pareren.

Neem het Front National. Het FN is een fusie van verschillende radicale en extremistische organisaties, waarvan de oprichter en oud-leider, Jean-Marie Le Pen, in het verleden omstreden uitspraken over de holocaust heeft gedaan. Zijn dochter Marine Le Pen heeft sinds haar overname van het leiderschap in 2011 een tactiek van ‘de-diabolisation’ ingezet. Zij neemt afstand van antisemitische sentimenten in de partij en is met name om deze reden gebrouilleerd geraakt met haar vader. Ook de fpö probeert zich van dat oude imago te ontdoen. Met het oog op regeringsdeelname distantieerde partijleider Strache zich enige tijd geleden van een fpö–parlementslid dat racistische opmerkingen maakte over een voetbalspeler van Afrikaanse origine en dwong hem terug te treden.

Anderzijds hebben de partijen vaak moeite om consistent en ondubbelzinnig afstand te nemen van racisme. De Deense DF en de Finse PS houden parlementariërs die over de schreef gaan en zelfs door de rechter veroordeeld zijn soms de hand boven het hoofd. pvv-leider Geert Wilders, nageaapt door Philip Dewinter van Vlaams Belang, zette de zaak op scherp met zijn ‘minder, minder’-uitspraak. We kunnen dan ook niet zonder meer zeggen dat deze partijen in de loop van de tijd gematigder zijn geworden in dit opzicht. Vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw waren ze zich al bewust van de noodzaak geaccepteerd te worden als legitieme partijen wilden ze electoraal kunnen doorbreken. Sindsdien ontdoen de partijen met wortels in neofascistische subculturen zich vaak met enige moeite van deze erfenis, maar tegelijk wordt de anti-immigratie- en anti-islamboodschap eerder versterkt dan afgezwakt.

Radicaal rechts-populistische partijen laten zich ideologisch nauwelijks temmen omdat ze een niche gevonden hebben in de electorale markt die erg winstgevend blijkt te zijn. Om zich te differentiëren van centrum-rechtse partijen, die in de loop van de tijd ook steeds verder opschuiven naar rechts wat betreft immigratie en aanverwante zaken, zijn radicaal rechtse partijen geneigd om verder te radicaliseren. Deze electorale dynamiek en concurrentie verklaart waarom matiging op kernstandpunten uitblijft. Deze partijen zullen, als ze coalities moeten sluiten ter wille van het regeringspluche, proberen zo min mogelijk in te leveren op deze punten. Dat kunnen ze realiseren door ‘logrolling’: een uitruil waarbij ze bijvoorbeeld concessies doen op sociaal-economische punten en daarvoor wat terugkrijgen op het terrein van immigratie. Ook het sluiten van overeenkomsten gebaseerd op ‘agreeing to disagree’ is een manier voor radicaal rechts om zich te vrijwaren van concessies op hoofdpunten, zoals bijvoorbeeld anti-islamstandpunten. Ten slotte grijpen radicaal rechtse partijen waar mogelijk naar middelen van directe democratie om via referenda de druk op de coalitiepartners op te voeren.

Kortom, ze stellen alles in het werk om hun profiel als anti-immigratiepartijen scherp te houden en hun electorale niche te beschermen. Met behulp van bovengenoemde strategieën lukt het hen vaak om concessies op deze punten te beperken. Zo slagen ze er vooralsnog aardig in om ver van het ideologisch gezien kaalgetrapte middenveld te blijven.


De auteurs zijn verbonden aan de faculteit der maatschappij- en gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Zojuist verscheen hun boek: T. Akkerman, S.L. de Lange, M. Rooduijn (red.), Radical Right-Wing Populist Parties in Western Europe: Into the Mainstream? Londen: Routledge, 2016

Beeld: (1) Wenen, 24 april. FPÖ-aanhangers tijdens Norbert Hofers laatste verkiezingsbijeenkomst op de Stephansplatz (Christian Bruna / ANP); (2) Regeren schaadt rechts-radicale partijen niet