Klaus Mäkelä repeteert met het Koninklijk Concertgebouworkest © Marco Borggreve

Op YouTube vond ik een opmerkelijke Vierde symfonie van Brahms. Die begint als blinddoektest. De dirigent is de eerste twintig seconden onzichtbaar. Ongezien zou je hem tot de oudere, gearriveerde eredivisie rekenen. Zo onnadrukkelijk geconcentreerd en langzaam dirigeren jonge krachten niet. Die willen meer en sneller dan de noten kunnen. Deze aanschouwt de berg, taxeert de klim en komt, zijn krachten sparend, in beweging.

Het hoort bij de voorstelling. De weg naar verlossing is bij Brahms een worsteling met moeilijk lyrische, veelstemmig tobbende materie uit een rein, naïef gemoed. De tekst is tachtig, de geest vijftien. Von Karajan dirigeerde Brahms pas op bejaarde leeftijd voor het eerst zoals het moest. Man muss fast siebzig sein, verzuchtte hij, en dat was geen koketterie. Bij andere componisten kom je er met psychologie. Die is er niet bij Brahms. Je moet hem voelen.

Dan klaart het scherm op en daar staat de Finse kapelmeester Klaus Mäkelä, dan 25, voor het symfonieorkest van Oslo. Hij ziet eruit als een ambitieuze student economie of rechten. Postuur skinny, het magere hoofd geconcentreerd naar het orkest gebogen, soms een bemoedigende glimlach, oeroud schitterend.

Na een YouTube-proeve van zijn repertoire, dat hij van Beethoven tot Sjostakovitsj universeel bekwaam beheerst, zie je dat hoofd meerdere gezichten aannemen. Met bril op lijkt hij de vriendelijke intellectuele broer die jou, de sloddervos, genadig met je huiswerk helpt. Zonder montuur wordt hij een ander, moderner, aanvallender, berekenender menstype, ergens tussen Max Verstappen en een prille Hans Teeuwen. Je ziet, naast onbevangenheid, de kracht om macht te willen en in woede te ontsteken. Even veelkoppig zijn muziekmaken. Het Mahlert zo gewiekst verzadigd als het Brahmst. Elke pet past hem. Zijn Vuurvogel-Stravinsky blaast het dak eraf. Hij dirigeert Dvoráks Negende alsof hij het al duizend keer gedaan heeft, binnen de lijnen maar gezond doorbloed, en zijn Negende van Bruckner is hetzelfde laken. Het zachte ademend, de diepten diep, de pauzes ruim. De rust en het vertrouwen waarmee hij Bruckner zijpaden laat inslaan en de godvrezende noten lyrisch laat verdwalen zijn alsof hij er een leven op geoefend heeft. Het is nooit alleen maar heel goed nagedaan van oude meesters, al hoor je ze hem buitengewoon goed kennen – maar de kunst zich te verplaatsen in de wereld van de ander is van hem.

Die jongen, deze maand 27, chef in Oslo en muzikaal directeur van het Orchestre de Paris, is vanaf 2027 chef-dirigent van het Concertgebouworkest. Daar wordt Klaus Mäkelä de achtste chef na Kes, Mengelberg, Van Beinum, Haitink, Chailly, Jansons en de weggestuurde Gatti. Tot zijn inauguratie heet hij ‘artistiek partner’ van het orkest, voornamelijk omdat zijn agenda geen onmiddellijke transfer toestaat. De titulatuur heeft iets potsierlijks, maar zelden heb ik een benoeming in beginsel zo begrepen. Hij is een achterlijk goede dirigent, punt. Maar wat voor een?

Voluptaquas consequate pa enese nonseque porepudita volorro videlesed quidi aut alitat

Alle jonge dirigenten zijn onuitstaanbaar, zei Bernard Haitink, zichzelf niet uitsluitend. Ze moeten de leidersrol acteren waar ze mentaal niet aan toe zijn. In een door gelijkwaardigheid geobsedeerde samenleving is de maestro-staat nu helemaal een ongemakkelijk anachronisme. Je hoeft niet weer Elias Canetti’s veel geciteerde observaties over de dirigent als machtmens op te rakelen om de kloof tussen macht en gezag te begrijpen die ontstaat wanneer de theoretische competentie groter is dan het steeds minder gedulde overwicht. In een orkestrepetitie van Mahlers Tweede symfonie hoor je Haitink in 1965 bits tegen het orkest uitvaren, overduidelijk niet in the mood voor tegenspraak. Misschien was die toon toen normaal en misschien begrijpen we de omgangsvormen van de tijd niet meer, maar je luistert plaatsvervangend beschaamd naar een dirigent die zich later geliefd zou maken met zijn hoffelijke omgangsvormen, en zou opbiechten hoe hij in zijn wordingsfase had geworsteld met zijn rol.

Zou Mäkelä het zeldzame voorbeeld kunnen zijn van een maestro die bedrijfsklaar is geboren? Is hij gewoon een oude ziel? Luisterend naar de Vierde symfonie van Brahms is dat de leidende gedachte. Toch is het om te beginnen vooral training, vroeg begonnen. Toen Mäkelä als zevenjarige koorknaap meezong in een Carmen-voorstelling in Helsinki raakte hij gefascineerd door dirigeren. Terwijl hij parallel werd opgeleid tot cellist ging hij op zijn twaalfde in de leer bij Jorma Panula.

Die Finse dirigent en pedagoog behoort met Franco Ferrara, Hans Swarowsky en Ilja Moesin tot de grootste dirigentenmakers van de afgelopen honderd jaar. Acht Finse pupillen schopten het tot degelijke carrières of tot wereldfaam, een onwaarschijnlijk pedagogisch rendement in een land met vijfenhalf miljoen inwoners; Esa-Pekka Salonen, Jukka-Pekka Saraste, Mikko Franck, Susanna Mälkki, Sakari Oramo, Santtu-Matias Rouvali, Osmo Vänskä, Mäkelä. Naast al het andere leert Mäkelä van hem één cruciale les: dat de rol van een dirigent een faciliterende is. ‘Helpen, maar niet storen.’ In Brahms is dat precies wat je Mäkelä ziet doen door soms even niet of nauwelijks te slaan en de expressie volledig uit het klanklichaam te laten komen. Dat lukt soms wonderbaarlijk. Misschien is het een teken van grootheid; Leonard Bernstein en Carlos Kleiber konden ook zo loslaten. Tijdens een van zijn onvergetelijke Weense nieuwjaarsconcerten zag je Kleiber af en toe genietend ophouden met dirigeren. Dan pakte in het orkest de automatische operettepiloot direct de regie met de verbluffend mooie luie groove die de Wiener Philharmoniker is aangeboren.

Iets anders is wat Mäkelä wil en moet met het Concertgebouworkest. Daar zegt hij op nog vier jaar van zijn officiële aantreden alleen het alleralgemeenste en onschadelijkste over. De diplomaat in hem beschouderklopt benevolent het magische effect van de Concertgebouwakoestiek op de orkestklank, het fameuze Amsterdamse geluid dat hij in geflexibiliseerde vorm vooral wil laten blijven. Ik hoor het woord verkennen en het woord chemie. Zo complimenteert hij ook de musici van het Orchestre de Paris met hun Franse gevoeligheid.

Maar zijn klankfetisj blijft hangen. Mäkelä noemt zichzelf een uitgesproken klank-georiënteerde dirigent. Hij is een liefhebber van historische opnamen, zegt hij, door de volkomen andere manier van spelen. Hij noemt Willem Mengelberg. Bij Mäkelä hoor je aan een enkel ouderwets vibrato of rubato wat hij van die generatie leerde; hoe de vormgeving van muziek mede via het geluid tot stand komt, de breedte en de diepte en de dichtheid van de klank.

Je ziet, naast onbevangenheid, de kracht om macht te willen en in woede te ontsteken

Belangrijker: voor wie gaat hij zijn talent inzetten? Urgente vraag. Een deel van het ijzeren repertoire is met zijn vergrijzende publiek aan het versterven. Het heden dat nog toekomst heeft is klaar met Dvoráks Negende en Sjostakovitsj’ Vijfde, of het obligate getamboereer op de Mahler- en Bruckner-traditie. De canon staat op duizenden cd’s en openbare servers. Omdat het is vastgelegd en dus behouden blijft, en omdat een levende cultuur durft schepen te verbranden, kan en moet de muziek nieuwe wegen inslaan.

Vernieuwen is een zielig woord. Het klinkt naar oplappen. Dat moet juist niet. Een orkest moet deuren durven dichtslaan en bij nul beginnen. Mäkelä moet er gewoon voor zorgen dat het merendeel van de programma’s hedendaags wordt. Hij vindt de idiomatische glasnost van de nieuwe muziek aan zijn zijde. Een nieuwe generatie makers componeert even aantrekkelijk en opwindend als Strauss, Mahler, Ravel en Debussy ruim een eeuw geleden, toen in Amsterdam onder Mengelberg het zwaartepunt zoals het hoort bij de levende componisten lag. Als iemand de groten van morgen op de kaart kan zetten is Mäkelä het, met zijn roem als breekijzer. Het alternatief is de ondergang.

Beseft hij dat? Het enige antwoord dat hij op de vraag naar zijn positie heeft gegeven is zijn repertoire in Oslo en Parijs. Het luidt: een beetje. In Oslo dirigeerde hij dit seizoen Stravinsky, Chausson en Ravel, maar ook Metacosmos van de intrigerende IJslandse componiste Anna Thorvaldsdottir. Zijn aandacht voor vrouwelijke componisten is opvallend, ook voor minder courante namen als de Amerikaanse Julia Perry (1924-1979), van wie hij A Short Piece for rchestra koppelde aan Sjostakovitsj’ Eerste celloconcert en Tsjaikovski’s Zesde symfonie. De Ouverture No. 2 van Louise Farrenc (1804-1875) zit deze maand in Oslo als obscuriteit bekneld tussen Lully, Mozart en Beethoven. Laat het mode en plichtpleging zijn, hij doet het tenminste. Volgende maand dirigeert Mäkelä Maxwell Davies’ Eight Songs for a Mad King vóór Berlioz’ Symphonie fantastique, in maart Beethovens Missa solemnis. In april volgen Stravinsky’s Monumentum pro Gesualdo, vier Gesualdo-motetten, een vioolconcert van Locatelli en Aus Italien van Strauss. De maand mei is honderd procent fantasievrij met Rachmaninoffs Derde pianoconcert en de Vijfde van Sjostakovitsj.

Dan Parijs. Daar combineerde Mäkelä dit seizoen Latest van Betsy Jolas met Mahlers Tweede. In maart 2023 dirigeert hij Kaija Saariaho naast Sibelius’ Vioolconcert en opnieuw de Symphonie fantastique. Een maand later krijgt al weer Tsjaikovski’s Zesde gezelschap van Sibelius’ Valse triste en een nieuw pianoconcert van zijn landgenoot Magnus Lindberg. Volgen Rachmaninoffs Paganini-rapsodie en een Sjostakovitsj-ejaculatie: de Zevende symfonie, de Tweede jazz-suite, het Tweede celloconcert. Zijn volgende Decca-uitgave wordt geen Ligeti-anthologie, dat is duidelijk. En je weet hoe het komt. Een sterdirigent oude stijl, en vooralsnog is Mäkelä dat, moet iedereen tevreden houden. De orkesten, de impresariaten, zijn platenmaatschappij. Dat is de paradox van de macht. Het is geven en nemen. Je betaalt voor Lindberg met Tsjaikovski. Mäkelä’s geslaagde Sibelius-cyclus was zo bezien al haast een heldendaad. Om een echte held te worden, zal hij moeten breken met de machtsstructuren die hem in het zadel hielpen. Met alle risico’s van dien, maar aan pappen en nathouden sterft de sector ook.

Ten slotte dit: je zou haast willen dat Mäkelä eens faalde. Niet uit jaloezie, maar ter geruststelling. Een blinde vlek bewijst de echtheid en bezieling van het kunnen. Het gebeurde afgelopen jaar november, nauwelijks opgemerkt, één keer in het Concertgebouw. Na een vlekkeloze Vierde van Sibelius dirigeerde Mäkelä Mozarts Requiem. Dat was verschrikkelijk. Alle tempi zinloos onspiritueel, de lichtheid ondraaglijk. Voelde hij de last dan niet? Die harmonische zwerftochten van het Introitus – Odysseus was met zulke stappen al het boek geweest. Elk akkoord beschijnt als halo van zwart licht het volgende, hulpeloos wonderbaarlijk voorthinkend op onbegrijpelijke baslijnen die voor geen mens nazingbaar alles willen dragen. Mäkelä kreeg, te jong en ongewis, de doodsdrang er niet uit, schoot vluchtig alle kanten op en faalde jammerlijk. Mooi zo. De mimetische gave kan nog botsen met het wezensvreemde. Er zal nog gestreden worden in dat wonderlijk bekwame hoofd. Je zou haast zeggen: dat belooft wat. 

Klaus Mäkelä dirigeert Strauss’ Alpensinfonie, 12 en 13 januari in het Concertgebouw, concertgebouworkest.nl