Nan Goldin in All the Beauty and the Bloodshed © Laura Poitras / Cineart

In 2010 was in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam de tentoonstelling Poste restante te zien, met oud en nieuw werk van de Amerikaanse fotografe Nan Goldin. Op de openingsavond was Goldin zelf aanwezig, en haar praatje werd ingeleid met een lofrede van schrijver Joost Zwagerman, die voor de gelegenheid in het Engels sprak. Zwagerman vertelde dat hij herkende wat hij op Goldins foto’s zag: de feestjes en het verval; de seks, de drugs, de rock-’n-roll. Hij herkende het, het leven in de marge, het leven on the edge, want hij was erbij geweest. En wat verlangde hij ernaar terug. De plaatsvervangende schaamte die me bekroop tijdens Zwagermans verhaal maakte me licht in het hoofd, en toen moest het woord nog aan Goldin worden gegeven. Verbijsterd was ze, beledigd misschien zelfs. Jouw jaren tachtig, zei ze, waren de mijne niet.

De foto’s van Nan Goldin zijn als een dagboek en tonen het leven van de fotograaf zelf. In rommelige huizen spelen vrienden Monopoly of dansen ze de twist in de woonkamer. Goldin laat ons een kus zien, een omhelzing, achteloos naakt. Ze laat ons bevuilde bedden zien, tranen in de kroeg, haar toegetakelde gezicht. De wereld die in het Nederlands Fotomuseum te voorschijn was gekomen uit Zwagermans woorden was er een van sterke verhalen en provocatie. Een harde wereld, waarin er wordt uitgedaagd, opgenaaid, geschopt en gebluft. In de wereld die Goldin ons laat zien, speelt het harde inderdaad een belangrijke rol, maar waar het haar om te doen is, is alles wat daar tegenin gaat: het kwetsbare, het intieme, de schoonheid, de liefde.

Vier mijlpalen kun je onderscheiden in de carrière van Nan Goldin. De eerste is The Ballad of Sexual Dependency, een fotoserie uit de jaren zeventig en de vroege jaren tachtig die eerst de vorm aannam van een diashow, begeleid door muziek, en die in 1986 werd gebundeld in een boek – Goldins doorbraak. De tweede mijlpaal is I’ll Be Your Mirror, de overzichtstentoonstelling van haar werk die in 1996 werd samengesteld door het Whitney Museum in New York en vervolgens langs verschillende musea reisde. Een van die musea was het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar ik de tentoonstelling zag in de zomer van 1997, zeventien jaar oud en zelf fervent dagboekfotograaf.

Maar de derde en vierde mijlpaal uit Goldins loopbaan hebben betrekking op haar activisme: in 1989 cureerde ze in het befaamde Artists Space in New York een controversiële tentoonstelling als reactie op de aidscrisis en in 2017 richtte ze de actiegroep P.A.I.N. op om aandacht te vragen voor een andere Amerikaanse crisis: de wijdverbreide verslaving aan opiaten, die wordt gevoed door de pijnstiller oxycontin.

Activisme en kunst zaten bij Goldin altijd al dicht tegen elkaar aan: de gemeenschappen die zo’n belangrijke rol spelen in haar foto’s zijn dezelfde gemeenschappen waarvoor ze rechtvaardigheid eist. Toch kwamen die twee elementen uit Goldins leven niet eerder zo zeer samen als in het portret dat documentairemaker Laura Poitras over Goldin maakte: All the Beauty and the Bloodshed.

Poitras snijdt hierin twee verhalen door elkaar heen. Er is het verhaal waarin Goldins eigen foto’s, en haar eigen stem, vertellen over haar leven en oeuvre: een klassiek portret van een belangrijke kunstenaar. Maar er is ook een tweede, urgenter verhaal, waarin de documentairemaker op reportageachtige wijze verslag uitbrengt van de acties van P.A.I.N. In dit verhaal staat er echt iets op het spel: het onderuithalen van de familie Sackler, wier farmaceutische imperium werd gebouwd op de verkoop van oxycontin, en dus op de – vaak fatale – opiatenverslaving van vele Amerikanen. De vraag is: zal het Goldin lukken om de Sacklers via de rechter ter verantwoording te roepen? Of anders om een einde te maken aan de doelbewuste whitewashing van hun reputatie?

Nan Goldin in All the Beauty and the Bloodshed © Laura Poitras / Cineart

Goldin, geboren in 1953, groeit op in een suburb van Boston, in een middenklassegezin met een afstandelijke moeder en een zwijgende vader. Het is Nans oudere zus Barbara die de moedertaak op zich neemt, totdat met de puberteit de verwarring komt. Nan is elf als Barbara, achttien jaar oud, onderdrukt en onbegrepen, zelfmoord pleegt. In All the Beauty and the Bloodshed vertelt Goldin, die zestien is als ze haar eerste camera krijgt, wat het fotograferen voor haar betekent. Het geeft haar een houding, een taal om te spreken. ‘It gave me a reason to be there’, zegt ze. De camera in haar handen geeft haar toestemming om de wereld te verkennen.

Dat er een verschil is tussen een verhaal en een herinnering, zegt Goldin ergens aan het begin van All the Beauty and the Bloodshed. Een verhaal maakt met zijn begin en einde alles kloppend, maar een herinnering is simpelweg een weerslag van wat was. Zelf geeft Goldin de voorkeur aan de herinnering. Ze heeft altijd geweten dat er iets niet klopte aan het verhaal dat haar over haar zus Barbara werd verteld. Is dat de reden dat ze begon te fotograferen? Om zo haar eigen versie van de werkelijkheid te waarborgen?

In Goldins werk stroomt er iets, is tijd niet beklemmend maar bevrijdend

Hoe dan ook is het de reden dat Goldin zich na de dood van haar zus tegen haar ouders begint af te zetten, en al jong het huis verlaat. Ze komt terecht in Boston, waar ze deel uitmaakt van de drag queen-gemeenschap, ‘queens’ noemt Goldin ze simpelweg. Hier is Goldin misschien een buitenstaander, maar haar camera geeft haar ‘a reason to be there’, dus begint ze de queens te fotograferen. Telkens wanneer Goldin haar foto’s heeft ontwikkeld en afgedrukt, vertelt ze in All the Beauty and the Bloodshed, maken de queens een stapel van de foto’s waar ze zelf op staan, alsof het een wedstrijd is. De foto’s die ze niet mooi vinden, verscheuren ze. Goldin vindt het niet erg, zegt ze. Ze wil dat ze zich mooi voelen, dat ze trots zijn. Het fotograferen geeft haar niet alleen bestaansrecht, het is ook een uiting van waardering. Een vorm van intimiteit.

Als Goldin is afgestudeerd aan de kunstacademie trekt ze naar New York. In de armoedige maar bruisende Bowery-buurt in downtown Manhattan vindt ze, als de jaren zeventig op hun einde lopen, een nieuwe gemeenschap om bij te horen. Hier is de seks vrij en het drugsgebruik onbezonnen. Hier fotografeert Goldin haar vrienden dronken, naakt, slapend. Soms hebben ze seks, soms zetten ze een spuit. Haar modellen zijn vrienden, voorbijgangers, minnaars. Ze zijn mooi gekleed of liggen er slonzig bij. Ze zijn ultravrouwelijk of androgyn, soms heteroseksueel maar meestal queer. Op Goldins foto’s lijkt er geen verschil te zijn – alles is fluïde.

Goldin begint diashows te organiseren om haar foto’s te delen met de vrienden die erop afgebeeld staan. Ze zet er muziek onder – It’s a Man’s Man’s Man’s World van James Brown, Downtown van Petula Clark, I’ll Be Your Mirror van The Velvet Underground & Nico, I Put a Spell on You van Screamin’ Jay Hawkins. Het resultaat houdt het midden tussen performance, fotografie en theater. Maar het zijn vooral de foto’s zelf die beklijven, en waar Goldin uiteindelijk mee doorbreekt.

Wie Nan Goldins werk kent, weet hoe haar leven verliep. Sterker nog, precies het feit dat er een verloop in haar foto’s zit, is wat ze zo fascinerend maakt. We leren de mensen op Goldins foto’s kennen, we lopen een stukje met ze op. We zien hoe hun relaties opbloeien en uitgaan, hoe ze trouwen en ziek worden, hoe hun kinderen opgroeien en volwassen worden. We zien hoe ze doodgaan. All the Beauty and the Bloodshed vertelt al die verhalen opnieuw, maakt ze nog wat breder en dieper, voegt er nieuwe informatie aan toe. Voor mij persoonlijk was dat niet altijd een genoegen. Ik hou zoveel van Goldins foto’s dat het voor mij soms de magie verstoorde om er al te veel achtergrondinformatie bij te krijgen, of om bijvoorbeeld bewegende beelden te zien van hoe zo’n foto tot stand kwam.

De kracht van All the Beauty and the Bloodshed, een film die is gemaakt met zorg en liefde, schuilt in iets anders. Door het verleden op overtuigende wijze te verbinden met het heden, het tijdloze met het urgente, laat Laura Poitras zien dat Goldins werk méér is dan een tijdcapsule waarin de Bowery-scene voor altijd is vastgelegd. Ze laat zien dat de rode draad in Goldins leven het thema familie is – families die je verlaat en families die je zelf kiest; de P.A.I.N.-familie die Goldin vormt en de Sackler-familie waar ze het tegen opneemt; haar ouders die, volgens Nan Goldin zelf, nooit kinderen hadden moeten krijgen en haar zus die als een moeder voor haar was.

In Goldins werk schuurt het leven langs de dood. Een bruiloft volgt op een uitvaart, geweld volgt op plezier, ziekte komt na seks. De dood is niet cool of aantrekkelijk. Niet iets om te romantiseren of om mee te pochen. Zwagerman deed het voorkomen alsof Goldin de dood in haar werk bespot, ertegen schopt of ermee flirt. Maar wat hij niet begreep is dat Goldins werk helemaal niet over de dood gaat, maar over het leven. Niet over doodsdrift maar over levenslust. Hierin schuilt ook de betekenis van Goldins activisme – haar strijd tegen het cynisme van de Sacklers en de death cult die het kapitalisme is. Met P.A.I.N. vecht Goldin niet alleen voor rechtvaardigheid, ze kiest voor het leven. De wereld is hard, maar bij Goldin zegeviert het zachte.

Wil je de foto’s van Nan Goldin begrijpen, dan kijk je voorbij de feestjes en het verval. Je kijkt voorbij het idee van een tijdcapsule, want dat zou betekenen dat er op deze foto’s iets wordt gevangen. In Goldins werk stroomt er iets, is tijd niet beklemmend maar bevrijdend. Hier speelt water een van de belangrijkste rollen, veel belangrijker dan seks, drugs en rock-’n-roll. Hier wordt er gebaad en gezwommen, uitgekeken op de rivier. Alles is fluïde en voortdurend. Alles keert terug en begint opnieuw. In Goldins werk wordt de dood overwonnen en de vrijheid gevierd.

All the Beauty and the Bloodshed is nu te zien in de filmtheaters