Het zal wel dom van me zijn

Wat zoek ik in andere mensen?
Spinoza zei dat je in de ander jezelf moet zoeken. Dat heb ik nooit echt begrepen. De term ‘zoeken’ bevalt me al niet. ‘Vinden’ zou al beter zijn. Maar ook daar ben ik niet op uit. Wat wil je vinden? Wanneer vind je in de ander jezelf? Wat is jezelf? Dat zijn allemaal dingen die ik niet weet, hoe lang ik er ook over nadenk.

Ik hou niet echt van mensen; gelijkgestemde geesten boezemen me angst in. Ik verkeer graag in de nabijheid van mensen die juist tegengesteld zijn aan wat ik ben, want ik ben nooit mezelf.
De laatste tijd schok ik mijn omgeving door te vertellen dat ik discrimineer. Ik weet niet wat ik prettiger vind: dat ik die mensen schok of dat ik eerlijk zeg dat ik discrimineer?
Ik vertel bijvoorbeeld in gezelschap dat ik een hekel heb aan Marokkanen. Ik wacht dan af. Omdat ik in De Groene schrijf (intellectueel blad, goede meningen), denkt iedereen eerst dat ik ironie bedrijf, hetgeen min of meer zo is. Dus zeg ik: ‘Aan negers heb ik geen hekel, integendeel. Aan joden ook niet. Maar aan Marokkanen heb ik een hekel.’
Het duurt dan nog tamelijk lang voordat iemand zegt: 'Dat is ballerige borrelpraat.’ Dan zeg ik: 'Dat weet ik, maar ik meen het. Ik heb een hekel aan Marokkanen.’
Dan volgt de enig juiste vraag: 'Aan alle Marokkanen?’
Waarop ik dan het enig juiste antwoord geef: 'Nee, niet aan alle Marokkanen, maar wel aan sommigen.’
De verwarring die dit oplevert, bevalt mij zeer. Ik kan twee kanten op: ik kan verder nuanceren ('Ik heb een hekel aan die fundamentalisten die hier zitten’ - hetgeen juist is), maar ik kan ook volhouden dat ik 'de meeste’ Marokkanen niet in onze samenleving vind passen. Ik doe altijd dat laatste, omdat ik daar de meeste mensen mee treiter. De redenering die ik volg is dan: 'Waarom mag ik dat niet vinden? Ik heb gewoon een ongegronde hekel aan die mensen. Die is op niets gebaseerd. Ik vind ze gewoon lelijk, dom en gevaarlijk.’
Ik krijg dan nooit de vraag: 'Waarom?’ maar altijd zegt men dan: 'Dat is discriminatie.’
De dialoog gaat dan aldus: 'Dat weet ik, dat het het discriminatie is. Ik discrimineer ook. Ik vind ze lelijk, dom en gevaarlijk. Dat is op niets gebaseerd en dat is dom. Maar ik voel het zo. Ja, rationeel niet, maar wat betreft gevoel wel, zoals ik Marianne ook mooier vind dan Anna. Ik vind Anna ook lelijk, dom en gevaarlijk, terwijl ze haar einddiploma oude talen heeft. Maar dat is mijn mening. Dat mag toch? Waarom mag ik dan niet een hekel hebben aan Marokkanen?’
'Je discrimineert. Die mensen zijn niets minder waard dan jij.’
'Dat zal best. Het zal ook dom van me zijn, dat ik val op Marianne en niet op Anna. Maar ik wens het recht te hebben om dom te zijn, ik wens ook het recht te hebben om te discrimineren. Ik wil onbeschaafd zijn.’
Tegenwoordig zeg ik ook tegen iedereen die het maar horen wil dat ik eigenlijk een fascist ben. Ik hou dat vol, zo goed ik kan; ik ondervind weinig begrip, maar tot nu toe heeft niemand getoond niet met me om te willen gaan.
Wat zoek ik in andere mensen?
Ik wil eigenlijk dat er een punt komt waarop zij zeggen: 'Je hebt gelijk, want ik kan niet tegen je redenering op, en dat wil ik ook niet. Ik vind je gewoon een lul.’
'Aha’, zal ik dan zeggen, 'je redeneert nu net zo als ik. Je discrimineert ook, je gaat ook van vooroordelen uit.’
De ander moet dan zeggen: 'Inderdaad, klootzak.’
Kijk, dan zou ik praten met een vriend. Maar die heb ik nog niet gevonden.