A.F.Th., De Movo tapes

Het zeegat uit

In De Movo tapes begint A.F.Th. van der Heijden onder andere naam aan een nieuw hoofdstuk van zijn imposante oeuvre. Dat hij voor een andere schrijversnaam gekozen heeft, is niet verwonderlijk voor wie dit inleidende deel op de Homo duplex-reeks leest. Hij probeert alle schepen van zijn eerdere werk achter zich te verbranden, verlaat gebruikelijke westerse uitgangspunten van de romankunst en kiest pas nu onverbloemd en ongegeneerd voor een schrijfwijze die hij in de laatste twee delen van de cyclus De tande loze tijd al uitprobeerde: het scenisch schrijven binnen een groteske uitvergroting van maatschappelijke visies en verhoudingen. Niet meer de min of meer realistische ervaringen van een ik binnen een netwerk van vrienden en maatschappelijk relevante gebeurtenissen staan centraal, zoals in zijn vroege werk, maar een caleidoscopisch beeld, misschien moet je zeggen stemmenbeeld, van maatschappelijke illusies. Natuurlijk is het niet nieuw een roman in vervolgen te schrijven — zie het werk van De Balzac, Proust, Vestdijk en tegenwoordig in Amerika dat van bijvoorbeeld William T. Vollman — maar A.F.Th. blaast dit genre nieuw leven in en hij zet het op de tocht: hij probeert afscheid te nemen van een centrale ik, van chronologie, van een alomvattende visie, van spanningsbogen, van gebruikelijke romanwetten dus en wil daarvoor in de plaats een manier van schrijven creëren die we langzamerhand maar van een eigen begrippenkader moeten voorzien omdat ze niet meer mee wil doen aan wat we tot nu toe geneigd waren de naam «literatuur» te geven. A.F.Th. is aan een eigen genre begonnen waarbinnen niet meer het verhaal de boventoon voert, maar waarin de menselijke stem de lijnen van het verhaal inkadert. De discussie is geopend.

In deze «proloog» werkt hij met een goddelijk vertelperspectief. De eerste zin luidt: «Ik kan me niet eens fatsoenlijk aan u voorstellen, want ik heb mijn naam verpatst.» Deze ik blijft naamloos, maar voor wie enigszins thuis is in de Griekse mythologie is het snel duidelijk dat hier Apollo spreekt, god van het licht. Typisch afthiaans is overigens dat de omkering van het woord «naam», «maan» oplevert en verderop blijkt dat in de visie van Apollo, bij de landing van de eerste mens op de maan, tegelijkertijd een ernstige bezoedeling van de natuurlijke loop der dingen heeft plaatsgevonden. De maan is bezoedeld door de mens. Zowel de naam als de maan is beschadigd.

Deze god vertelt zowel het verhaal van de ooit talentvolle voetballer annex pornoster Tonnis Mombarg, die later leider wordt van Rotterdamse hooligans, als dat van Tibbolt Starink, boodschapper van Amsterdamse voetbalvandalen, die zichzelf wil transformeren tot zijn tegenpool Movo (afkorting van «moeilijke voeten») en tijdens een autotocht in 1997 zijn voorgeschiedenis op tientallen tapes inspreekt. Beide geschiedenissen zijn «in handen» van Apollo die op zoek is naar menselijke drama’s en tragedies. Hij vertelt de eerste als toeschouwer en soms zelfs deelnemer, de tweede als onderzoeker die in 2025 de hand weet te leggen op de tapes én de transcripties daarvan.

Af en toe refereert de verteller, altijd spottend en badinerend, aan zijn godenbestaan. Hij vertelt over zijn liefdes, zijn zusjes, zijn vader, de Olympus et cetera, en op die momenten weten we weer aan wie we in deze roman zijn overgeleverd, alsof de schrijver duidelijk wil maken dat niet hij, maar iemand anders vertelt, waarbij overigens in het midden blijft waarom deze godheid aan lager wal is geraakt en zich juist van de geschiedenissen van Tonnis en Tibbolt bedient om — letterlijk — «aan het woord te komen». Liggen hier de wortels van de huidige menselijke tragedie: voetbal en pornografie? Er valt veel voor te zeggen: onderscheidingsdrift, hebzucht, illusoire seksualiteit en doodsdrift gaan binnen deze maatschappelijke fenomenen een merkwaardig verbond aan, A.F.Th. legt hier op z’n minst intuïtief fraaie verbanden. Natuurlijk is die god als verteller een vertellerstruc, maar hij werkt wel: tussen ons en de wereld van dit boek bevindt zich een goddelijke tussenpersoon die alles kneedt, vormt, filtert en beziet. Via hem krijgen we een deprimerende blik op de wereld. Waar A.F.Th. aan de ene kant de klassieke ik-verteller wegwerkt, haalt hij, paradoxaal genoeg, aan de andere kant toch een alomvattende visie zijn boek binnen.

Die voortdurend aanwezige godenwereld — ook Oedipus strompelt op gezwollen voeten over de bladzijden — geeft aan dit werk zeker een extra dimensie, maar de vraag is waarom A.F.Th. er zo expliciet mee werkt. De drijfveer van Apollo om bij porno-opnames aanwezig te zijn, is onduidelijk. Het idee om Tibbolt Starink geboren te laten worden met een ongelukkige gezwollen voet bracht mij weliswaar stevig aan het raden naar nog meer clous uit de Oedipus-geschiedenis — en die zijn er! — maar het waarom hiervan hangt in de lucht. Ook zonder goden zou A.F.Th. een hartverscheurend verhaal kunnen bedenken en dat opschrijven in de hartverscheurende stijl die hij tot in zijn vingertoppen beheerst. Of laat hij dat liever aan A.F.Th. van der Heijden over?

Over de drijfveren van de verschillende figuren valt wel meer op te merken. Waarom die Starink in het gigolocircuit terecht is gekomen, wordt bijvoorbeeld niet verklaard; de scènes daarover met adellijke dames (en heren), die luisteren naar merkwaardige namen als Walvarinne Wendalijne baronesse de Balbian Verster, zijn nu in hoofdzaak alleen burlesk, de tragiek ervan wil niet goed van de grond komen. Zeer onduidelijk is ook waarom een talentvolle jonge voetballer als Tonnis Mombarg zich laat overhalen om in goedkope pornofilms te spelen. Waarom levert hij zijn status van het Rotterdamse antwoord op Johan Cruijff zomaar in? Ik durf er veel onder te verwedden dat we in volgende delen een antwoord krijgen, maar in dit «voorwoord» is het waarom weggelaten, wat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid, hoe afthiaans schitterend de porno-opnames ook beschreven zijn. A.F.Th. weet meer van het vervolg van zijn werk dan wij, dat spreekt vanzelf en daar leg ik me bij neer, maar verklaringen achteraf lopen de kans te veel te gaan lijken op het slot van de wat slechtere detectiveromans waarin op de laatste bladzijden de butler een tweelingbroer blijkt te hebben, de huishoudster de dochter van de zus van de vermoorde jachtopziener is en de gesloten kamer via een bovenlichtje toch betreden kon worden.

Dit boek is een weergave van spreken. De scènes over Tibbolt zijn als je het goed bekijkt transcripties van diens monologen tijdens een autotocht (soms staat dat er ook bij). Gejaagde monologen zijn het vaak, soms ook dialogen tussen Tibbolt en zijn kwaadaardige alter ego Movo. Maar altijd op zoek naar spreektaal. A.F.Th. versterkt de opgewonden gejaagdheid van deze monologen door met puntjes te werken. Kenmerkend citaat: «…Altijd dat benauwde vakantiehuisje aan het stinkende Wolfsven… de van gluurders en kinderlokkers vergeven bossen rondom… op hete dagen de aanwaaiende geur van smeulend naaldbos… het kraaien van de rode haan… de opgedrongen vriendschap met Hansje Kradolfer, allang voordat hij Praalhans Neuken Meester werd… en tenslotte, de doodsteek voor mijn Mierlose zomers, het verschijnen van de zwarte Venus Sabberita.» Kenmerkend citaat voor de bittere, zwartgallige kijk op de wereld, kenmerkend voor de fraaie, rijke schrijfstijl die altijd openbarst van de losse, warme metaforiek. A.F.Th. mag dan proberen de literaire uitgangspunten van zijn alter ego A.F.Th. van der Heijden voorgoed achter zich te laten, diens stijl heeft hij op zijn reis meegenomen, die kun je nu eenmaal niet van je afschudden zoals een hond na het zwemmen op de kant het water van zich afschudt.

De geschiedenis over Tonnis Mombarg bestaat voor een groot deel eveneens uit de weergave van praten. Monologen van allerlei soort: hardop gesproken, gedacht of gefantaseerd. Maar ook dialogen en samenspraken. Iedereen spreekt in dit boek, door elkaar heen soms, maar ook langdurig, altijd zwart en somber, vernietigend over menselijke illusies, opgejaagd, over doodsangst, over angst, over tijd, over de armzalige incestueuze seksualiteit van gehuwden, over verliefdheid, over het leven dat in werkelijkheid op het kerkhof ligt.

En nu heb ook ik dus heel even gesproken en richt ik me ten slotte op. En ik zwaai uitbundig vanaf de kant naar het wonderlijke schip de Homo duplex dat zojuist de pieren van IJmuiden is gepasseerd, voorafgegaan door een wonderlijke sleepboot. Tranen springen in mijn ogen, gefeliciteerd, gefeliciteerd, daar gaat het, daar gaat het. O, dat ik het terug mag zien, tegen mag komen op zijn tocht over de zeven wereldzeeën!

A.F.Th. De Movo tapes

Uitg. Querido, 713 blz.,

€ 27,50 (paperback); € 34,50 (gebonden)