Het zeegat uit

Een meisjesstem deed de dingen ophouden vanzelfsprekend te zijn. De twintigste eeuw van spijkerverzamelaar, filosoof en P.C. Hooftprijswinnaar Cornelis Verhoeven. ‘Schrijven is het enige dat ik nog mag van die ambtenaren.’

HET WAREN DE laatste minuten van het laatste college-uur over Leibniz, eind 1993. Op een brancard werd hij afgevoerd. Een hartaanval. De naderende dood kwam filosoof en schrijver Cornelis Verhoeven (71) naar eigen zeggen behoorlijk platvloers over. ‘Ik voelde het aankomen. Ik zei: “Leibniz heeft wat moeite met het slot en gaat dan plechtig doen. Ik geloof dat ik ook wat moeite heb met het slot. Ik voel mij niet goed en denk dat ik hulp nodig heb.” Het klonk als een flauwe grap, maar de decaan die erbij zat dacht: hé, dat doet-ie niet zomaar. Ik dacht dat ik doodging en dat het best meeviel.’ Hij zag zich in het harnas sterven - 'Die clichés gaan dan door je heen’ - en dacht nog even na over het doodgaan. 'Daar is niets plechtigs bij. Geen afscheid nemen van de kinderen, bedanken, enfin: alles wat je in toneelstukken ziet.’ Het leven en, evenredig, de dood, als een slecht gearticuleerde grap. Pare un libro stampato, het praat als een gedrukte roman. 'Wat gedacht wordt, is niet werkelijk en wat werkelijk is, kan niet gedacht, door denken ingehaald en geëvenaard worden’, schrijft Verhoeven in zijn autobiografie De glans van oud ijzer. De echte banaliteit zou nog komen. 'Toen mijn kinderen mij kwamen opzoeken en aan mijn bed stonden te huilen, lag ik diep weggezakt bij te komen. Wat ik platvloers noem is het feit dat je er eigenlijk niet meer bij bent. Ik heb niet de pretentie dat ik mijn hele leven in handen heb, maar ik wil er wel graag getuige van zijn. Meer verwacht ik eigenlijk niet. Erbij zijn, getuige zijn, erover nadenken.’ ONDER ZIJN HUIS stroomt de Binnendieze en punteren de rondvaartbootjes. De straat in Den Bosch heeft een hoog Anton Pieck-gehalte. Patronaatsgebouw en kloostertuin vormen de borstwering. Binnen heeft de gewezen hoogleraar wijsbegeerte zich omringd met perkamenten banden van klassieke schrijvers. Vóór zijn benoeming op de prominente zetel aan de Universiteit van Amsterdam was Verhoeven 27 lange jaren leraar klassieke talen op een lyceum in Den Bosch. Tot zijn volle tevredenheid en in alle rust. In de wat wereldvreemde combinatie van slippers, survivalbroek en colbert overhandigt hij alvast wat gedachten op papier aangaande zijn gedwongen ontslag wegens de pensioengerechtigde leeftijd. Hij had het er in 1993 zichtbaar moeilijk mee de UvA uitgetrapt te worden wegens functioneel leeftijdsontslag. Al was dat vóór de hartaanval. Die voltrok zich een half jaar later tijdens een dankbaar aangegrepen gastcollege in Tilburg. 'Het verbaast mij zelf ook wel eens dat ik niet helemaal een chagrijnige en zure oude man ben geworden’, schrijft de 'op de schroothoop gegooide en dood verklaarde’ emeritus a priori. Hij lacht erbij; heeft nu veel vrije tijd om zijn beschouwelijke lusten te botvieren. Hij essayeert: 'Misschien kun je zeggen dat een kinderhand gauw gevuld is of dat je een beetje onnozel moet zijn om tevreden en optimistisch te zijn. Zeg dat maar rustig; ik zal het niet tegenspreken. Maar wat ik wel even wil zeggen is dat ik voor een deel mijn optimisme of mijn redelijk goede humeur ook te danken heb aan mijn somberheid over het onvermogen van mensen om de situatie helemaal naar hun hand te zetten. Alles wat met zoveel parmantigheid wordt geregeld, loopt in de soep. Schrijven is het enige dat ik nog mag van die ambtenaren, regelaars, mensen die ervoor zorgen dat de wereld plat blijft’, merkt hij op met bommeliaans aplomb. Even een spotlachje. 'Ik was boos op de wetgever en op de staat en op alle dingen waar ik toch niet van kan winnen. Ik had toen een collega die daarover procedeerde, maar dat is vechten tegen de bierkaai en ik vecht niet. Zeker niet tegen een bierkaai. Die weet niet eens dat je tegen ’m aan het vechten bent. Wat is trouwens een bierkaai? Ik had kunnen kiezen voor een onzinnige, absurde, parmantige en knullige strijd en een zure oude dag.’ Hij kijkt wel linker uit, maar vindt ook iedere strijd au fond parmantig. Werkelijkheid en waarheid zijn nooit hetzelfde, dus waarheen wil de strijder? THUIS, OP DE boerderij in Udenhout, was hij de middelste in een katholiek gezin van zeven kinderen in een tondeldoosachtige wereld van verdwenen gebruiken. Ellegoed, een lap stof in de richting van het licht gehouden, gekeurd en op de el afgemeten door zijn moeder. Een rand van rossig haar op de schedel van de marskramer. Wat later werden alle kleren in een grote ketel zwart geverfd en droeg hij een jaar lang rouw. Zijn moeder stierf toen hij acht jaar oud was. Cees, ook nu nog de naam voor intimi en studenten, kon goed leren en ging naar het seminarie, de welhaast natuurlijke bestemming van tweede zonen. Het verschil tussen waarheid en werkelijkheid drong zich alras op in alle terreinen des levens. Neem het zingen, schrijft Verhoeven: 'Al zingende moest ik altijd veel nadenken over de woorden die wij zongen. Meestal waren die nogal onzinnig en zongen we alleen maar dat we een vrolijk lied zongen omdat we gezonde jongens waren of spoorden we elkaar aan toch vooral het zeegat uit te trekken. Bijna altijd beweerden wij al zingende dat wij iets deden dat we in feite helemaal niet deden en ook niet van plan waren ooit te doen.’ De Wereld liet Noord-Brabant en het seminarie op zijn beurt eveneens links liggen. De mobilisatie van 1939 maakte op de jonge Verhoeven een wat wezensvreemde indruk. 'Ons werd natuurlijk wel bijgebracht dat dat niet de echte wereld was. Ik was sowieso een boekemenneke. Ik oefende in het schrijven. Het Nederlandse leger dacht dat het tot de tanden toe gewapend was met 26 fietsen - ze hadden geloof ik ook een tank. Dat was natuurlijk heel erg komisch. Ze fietsten dapper rond op grote rijwielen, tegenover mijn ouderlijk huis. Groen geverfd, opdat de vijand ze niet zou opmerken. Opnieuw: parmantig. De mug die een olifant wil zijn.’ Maar het hele leven leek met geweld naar buiten gestulpt, vervreemd en onder controle gebracht te worden. De jaren dertig, met de druk van het offer, de cultus van de wilskracht, van flinkheid en marcheren hebben hem een levenslange afkeer bezorgd van alles wat in de maat wil lopen. En toch: het leven drong zich op. Voor het eerst en als een dissonant. Verhoeven was achttien jaar en seminarist en in de koepel van zijn bestaan bevangen in de grenzeloze rust van zijn eigen verhevenheid. De wereld was bladstil, in een nauwelijks ademhalen. Geen zucht, geen gehunker of geritsel wees erop dat deze stilte niet eindeloos voort zou duren. 'Plotseling klonk op het fietspad achter de tuin een luid zingen dat de hele omgeving liet volstromen met zijn profane nadrukkelijkheid. Ik herkende meteen de stem van een meisje dat ik wel eens door het dorp zag fietsen, in mannenkleren op een herenfiets. Zij zong daar lang, hard en brutaal, met een stem zoals ik die pas tientallen jaren later weer eens heb gehoord in de popmuziek.’ Verhoevens ogen fonkelen: 'Een snijdende gebeurtenis in mijn jeugdige bestaan. De verleiding van een heel ander leven zat daarin. Dat heeft me diep geroerd. Ik heb er een scherpe voorkeur voor schelle vrouwenstemmen en ordinaire smartlappen aan overgehouden. De smaak voor het ordinaire. Ik weet niet wat het is. Ik had die meid nog wel eens in het dorp zien fietsen. Een schitterende ordinaire del! Luide stem. Dat was het leven zelf misschien wel. Het moment waarop de dingen ophouden vanzelfsprekend te zijn.’ Al meer dan vijftig jaar hoort hij, op rustige momenten, die schelle stem die zijn eenzelvig leven bedreigt en openbreekt. Niet lang daarna zou hij het seminarie verlaten. Gebrek aan roeping. Verhoeven gaat in Nijmegen Grieks, Latijn en filosofie studeren en promoveert in 1956, 'ondanks duizend angsten’, op De symboliek van de voet. Cum laude, niettegenstaande een ruzie in de senaatskamer over de brutaliteit waarmee de jonge doctor een woordafleiding van de heilige Thomas van Aquino als 'holderdebolder-etymologie’ afdeed. Lag aan De symboliek van de voet de bevallige gang van een mooi meisje ten grondslag, de kwieke tred van de roomse jongens van goeden huize die zich in Nijmegen klaarstoomden, kon Verhoeven maar matig bekoren. 'Jongetjes van negentien die oefenen. Hun studie misbruiken als een maatschappelijke springplank. Die kwieke d speelt zich immer af op een springplank die zo lekker veert.’ Hij moet er niet aan denken om aan die arrogante en zelfverzekerde doelgerichtheid mee te doen. In de maat te lopen. Een andere vorm van marcheren. Nog steeds neemt hij ze niet au serieux. 'Ik heb geloof ik geen oud-studenten die driftig bezig zijn in de politiek en zo…’ Dan, ietwat weifelend: 'Misschien heb ik mijn eigen allergieën te gemakkelijk tot een soort van omvattende theorieën gemaakt. Ik heb mij misschien ook wel te veel geoefend in het vinnig uitspreken van die theorieën. Nog sterker: ik heb er een duivels genot aan beleefd en dat geeft me een gelukkige terugblik op mijn leven, op de venijnigheden die ik heb uitgehaald.’ Dan, resoluut: 'Dat was het hoofdstuk jeugd.’ HIJ SCHENKT BIER en water in en rommelt in de keuken. Sinds 1965 schreef hij elk jaar minstens een boek. Het zijn er nu 75 en het grote boek der boeken van zijn jeugd is nooit gekomen en hij heeft daar vrede mee. 'Een mooie zin’ is de hoogste lof die je hem kunt toezwaaien, zoals hij op zijn beurt zijn vriend Kees Fens bewondert over het mateloze van het detail. De essentie van de wereld gevat in laat-antieke goudglazen, het ritardando van een sopraan of de glimlach van een kind. Verhoeven verzamelt ijzeren spijkers en kijkt in het seizoen naar Goede Tijden Slechte Tijden. Dat laatste om het sentiment. Om de klassieke thema’s als het weerzien van vader en zoon en dat soort dingen. 'Mijn kinderen lachen me erom uit.’ Hij wil er binnenkort over schrijven. De spijkers gaan nog wat dieper: 'Herinneringen en gevoelens, bijeengeraapt, opgeslagen, vervormd en gekoesterd, verroest en weer bijgeschuurd als oud ijzer dat glanst in het maanlicht, het dierbaarste, het hardnekkigste’, begint Verhoeven De glans van oud ijzer. Hij schetst in zijn filosofische boeken de wereld als een daags en doenerig dag verblijf van schijn en zotteklap. Zoals in Plato’s allegorie van de grot 'waarin gewichtige discussies over de schaduwen worden gevoerd, wedstrijden over de samenhang van de vertoonde beelden gehouden, de beste gissers groot prestige genieten en met massieve ernst het toevallig aanwezige wordt beschouwd als het enig mogelijke.’ Hij schreef het boek Rondom de leegte, werd als exponent van het progressief katholicisme gezien, trouwde en kreeg twee kinderen, bezag met enig dédain en veel ongeloof Mei '68 en werd al snel beloond met het epitheton conservatief en reactionair. 'Waren de jaren dertig een voorlopig dieptepunt, de jaren rond 1970 concurreren er aardig mee. De Nieuwe Mens en zo. Ambities verbergen in idealen, bah wat laf!’ Hij speelt afkeer. Met smaak herinnert hij zich de strijd tussen rietsuiker en bietsuiker, als ging het om de beruchte strijd der Vierde eeuw om de wezenseenheid van de Zoon met de Vader. 'Boeven als mijn broer verbouwden bieten. Tot ik bij W.F. Hermans las dat niet de arme suikerboer maar de Nederlandse Handels Maatschappij de wereld der rietsuiker bestierde.’ Spoedig zou het hem nog persoonlijker raken. 'Weigeren met je onderdrukker naar bed te gaan, daarmee werd iedere man, zelfs zo'n sul als ik, tot onderdrukker bestempeld. Dat vind ik nogal dom eigenlijk. Ongevoelig, dom, ideologisch. Marcheerderig.’ Zijn vrouw liet zich van hem scheiden. 'Onderdrukkers gaan niet weg, onderdrukkers worden weggestuurd.’ Inmiddels gaan ze weer goed met elkaar om, maar de steek was vlijmend: 'Tot mijn vreugde kregen ze allemaal ruzie, die krengen. Of dat reactionair is, dat weet ik niet. Deze jaren nu zijn veel prettiger. Gedifferentieerder, vrijer en individueler. Geëmancipeerder. Vrouwenemancipatie lijkt nu voor een groot deel vervangen door een vrijheid die meer productief kan zijn. De strijd toen leverde onderlinge ruzie op, nu heb je vrouwen die gewoon hun gang gaan. Misschien danken ze dat wel aan de vorige generatie die zich als kanonnenvlees opofferde? Ik waag het te betwijfelen. Die dachten toch aan hun eigen baan en bazigheid? Het is een zo essentiële vraag dat ik daar geen antwoord op weet.’ IN 1979 KRIJGT Verhoeven de P.C. Hooftprijs. 'Staatsprijs voor hypocrisie en conservatisme’, kopt een krant. Verhoeven, die de werkelijkheid beschouwt als 'het andere ten opzichte van het denken en van wat wordt gedacht’ is niet onder de indruk van de kritiek. De wereld is altijd anders en méér dan gedacht kan worden, vindt hij. Noem het conservatief of hypocriet, noem het contemplatief of religieus; het heeft niet de pretentie de wereld naar de hand te zetten. Gispend wijst hij op een recent opiniestuk naar aanleiding van Kosovo. 'Waar blijven Nederlandse Intellectuelen?’ Het doet hem denken aan het beruchte stuk van Menno ter Braak Waarom ik Amerika afwijs. 'Daar zullen ze in Amerika wakker van hebben gelegen! Een Nederlandse zanger, waarvan ik de naam niet ken, weigerde met een brok in de keel op televisie op te treden omdat hij aan de kinderen in Kosovo dacht. Het is leuk om je te profileren als nobele ziel, je in de grachtengordel te afficheren als de innemer van het juiste standpunt. Daar hebben die mensen toch niks aan? Waarom gewoon niet je machteloosheid geïncasseerd? Dat is het dus: mensen kunnen niet zoveel. En collectief kunnen ze misschien nog wat minder dan individueel. Destijds was er ook grote bewondering voor Jan Palach, die zichzelf verbrandde. Ik schreef toen op dat ik dat onzin vond. Ik was hard in die tijd. Palach oogstte bewondering als een soort Jezus die zich opofferde, maar wat het effect was van die opoffering dat weet toch niemand? En of het wel effect had. Een zinloos offer van zijn eigen leven. Het was een expressiedaad die werd uitgelegd als doelhandeling. Niet meer dan gewoon een verwisseling van categorieën. Ik geloof dat een expressiehandeling ook een recht van bestaan heeft, maar zolang die wordt uitgelegd als bijdrage aan het verwezenlijken van een doel, ga ik geweldig twijfelen.’ De man die op het Plein van de Hemelse Vrede de tank tegenhield kan daarentegen op zijn bewondering rekenen, net als Nelson Mandela. Het zijn indrukwekkende doelhandelingen, geen zelfexpressie. Maar verder is er veel onbenul. 'Pas nog werd een kamercommissie ingesteld “om de feiten te onderzoeken en lering te trekken”. Ik moest erg lachen om die formule. Noem nou toch, Meijer, één voorbeeld dat mensen ooit uit de geschiedenis lering hebben getrokken. Terwijl de beschouwelijke houding op iets dat we dan maar waarheid noemen helemaal geen kwaad doet, schept de geruststellende bewering dat we iets van de geschiedenis leren de voorwaarde om dezelfde stommiteit nog eens te begaan. Heb je al plannen voor het eten?’ IN HET LITERAIRE leven heeft Verhoeven een wat ongelukkige hand. Twee keer, in 1969 en in 1984, was hij jurylid van het P.C Hooftprijscomité. Beide keren werd de prijs niet uitgereikt. Dat eerste jaar niet vanwege onenigheid in de commissie. En toen Verhoeven in 1984 voorzitter was van die commissie, ontstond de grootst denkbare rel toen minister Brinkman weigerde de staatsprijs voor de letteren uit te reiken aan Hugo Brandt Corstius. Het betekende meteen het failliet van de staatsprijs. De keuze voor Brandt Corstius, die Verhoeven eerder 'een roomse gluipkop’ had genoemd, was opmerkelijk. Verhoeven - 'Ik lek niet vanuit de commissie’ - wil alleen zijn eigen rol toelichten: 'Als je eenmaal tot het duizelingwekkende niveau geroepen bent van voorzitter van de jury, dan laat je je niet meeslepen door zulke kleinigheden. Ik sloot me aan bij de meerderheid. Bovendien ben ik niet geheel verstoken van enige intelligentie; als wij niet eenstemmig onze kandidaat voordroegen zou de minister misbruik maken van onze verdeeldheid. Maar de man was harder dan ik dacht. Ik vond hem overigens wel aardig en nieuwsgierig. Ik heb natuurlijk wel kwade dingen van hem gezegd. (lacht nu malicieus) Ik was dan toch ook weer niet te beroerd om voor te stellen de prijs waar hij tegen was uit te reiken op carnaval of zo, maar dat vond hij geloof ik een flauwe roomse grap. Ja, hij stond daar, hij kon niet anders en dat gelul.’ Het lukt hem trouwens aardig de wereldse verplichtingen te omzeilen. 'Ik heb een goeie hand van hem drukken. In Amsterdam zei je dan: “Ik moet naar Den Bosch.” En dat is een heel eind.’ EEN HEEL EIND of maar een goed uur sporen; tussen Dommel en Binnendieze zijn de zebrapaden van carraramarmer. De Spaanse architecte Beth Gali, die de restyling van ’s Hertogenbosch ter hand genomen heeft, liet weinig ijzeren spijkers over. 'Den Bosch is altijd een verwaande stad geweest.’ Hij woont er graag, downtown tussen de mensen. 'Waarom? Mag ik eens een nobele uitspraak doen? Omdat ik van mensen hou.’ De jonge kok van het specialiteitenrestaurant - een kok als in een stripverhaal, met buis en ruitjesbroek - ziet de stapel boeken van Verhoeven. 'Ik heb een artíest als klant!’ roept hij opgetogen. Binnen de kortste keren is Verhoeven enthousiast in gesprek gewikkeld aangaande de bedrijfsvoering van Frans-Brabantse restaurants. Een kinderhand is gauw gevuld.