Het zelfbenoemde genie

Een van de clichés in de jaren zestig/zeventig was dat een experimentele schrijver eerst een lineair verhaal schreef en dat vervolgens in stukken knipte. Iemand die dat in die tijd letterlijk deed, niet om met dat cliché de spot te drijven maar omdat hij het van voorgangers had afgekeken, was de beat-schrijver William Burroughs, die zijn techniek cut-up noemde: verticaal de schaar erin en een halve tekst at random tegen een andere halve, heel andere tekst aan-geplakt. -Burroughs zal niet geweten hebben dat honderdvijftig jaar eerder een Duitse duivelskunstenaar, de jurist, musicus, tekenaar en schrijver E.T.A. Hoffmann (1776-1822) die techniek al uiterst effectief had toe-gepast. Hij stelde het voor als een bedrijfsongeval. Via via, zo vertelt de Bezorger in zijn voorwoord, had hij een manuscript in handen gekregen en doorgespeeld aan een uitgever. Het was een autobiografie geschreven door een kater. Gelezen heeft hij het niet, de uitgever evenmin, want pas bij de drukproeven ontdekte men dat stukken Katerleven doorspekt waren van tekstfragmenten uit een biografie van Johannes Kreisler, een kapelmeester. Slordigheid troef, en dat nadat, zo bleek, de kater bij het schrijven een boek uit de bibliotheek van zijn baas had gebruikt als unterlage: onderlegger, vloeiblad, maar het woord betekent ook documenten, voorbeeld, te gebruiken (bewijs)materiaal. Stukken die de kater uit het boek had gekrabd waren in zijn eigen tekst terechtgekomen. In de roman is telkens aangegeven wanneer om beurten de kater of de biograaf aan het woord is.
Het levensverhaal van de kater sluit telkens keurig aan, van het andere verhaal zijn inderdaad alleen stukken over zodat er gedeeltes ontbreken. Onder de verschillende voorwoorden is er ook een van de kater, bescheiden ondertekend met Étudiant en belles lettres, maar ook een tweede, dat niet voor druk bedoeld was, opgeblazen van toon: ‘Mocht iemand zo roekeloos zijn enige twijfels te willen uiten over de gedegen waarde van dit uitzonderlijke boek, dan moge hij bedenken dat hij van doen heeft met een kater die geest en verstand bezit en ook scherpe klauwen’, ondertekend: (homme de lettre très renommé). Van aankomend scribent had de kater zichzelf dus al schrijvend gepromoveerd tot befaamd letterkundige; gebildet was hij én ingebeeld. De niet gewaarschuwde lezer duizelt het na de intro van dit rollenspel. De mystificatie van het gevonden manuscript was in die tijd een geijkte truc. Het bijzondere aan Hoffmann is dat hij zijn kaarten meteen open op tafel legt, en dat blijft doen, onder meer door expliciet te vertellen van wie hij - oftewel de kater - soms hele bladzijden heeft overgeschreven of anderszins gekopieerd; ook dát is een cut-up-techniek.
Hoffmann kon of moest wel openlijk te werk gaan omdat hij iets anders beoogde dan de twee ritssluitende teksten qua genre beloofden. Kater Murr beschrijft zijn leven chronologisch, gefaseerd als een heuse Bildungsroman: 'de maanden van mijn jeugd’, waarin de weetgierige geest zichzelf leert lezen en schrijven, vooral gedichten; 'Levenservaringen van de jongeling’, een eerste grote liefde, voor Miesmies die hem weldra verlaat voor een meer herculische kater; 'Leermaanden’: een woest leven buiten de deur en de ene poging na de andere om bij de hogere soorten, honden en mensen, in het gevlij te komen en erkenning te vinden; 'De rijpere Maanden van het mannenleven’. In alles is en blijft het zelfverklaarde genie een autodidact die opkijkt tegen degenen wie alles van nature en door stand is aan komen waaien. Aan Murr is alles namaak, zelfs in de liefde kan hij niet zonder te spieken in boeken als die van Ovidius. Op z'n eentje is hij minstens zo potsierlijk als een halve eeuw later het weetgierige tweetal Bouvard en Pécuchet van Flaubert.
Ergens halverwege zijn zelfstudie maakt broeder (en rivaal) Mucius kater Murr duidelijk dat alle zelfstudie voor niks zal zijn, hij is toch een benepen burgermannetje, een filister. Murr kent het woord niet eens; volgt er prompt een gegoogelde uitleg. Het blijkt een gevoelig raakpunt tussen het verhaal van de kater en dat van musicus Kreisler. Die naam gebruikte Hoffmann eerder als schuilnaam voor de muziekkritieken die hij schreef. Kreisler is de bevlogen romantische kunstenaar: net als Hoffmann opgeleid tot ambtenaar, dus filister van beroep maar ook vrij kunstenaar met woeste buien. De ware kunstenaar heeft een demon in zich die hem wel eens tot een echte waanzinnige zou kunnen maken. Dat was wellicht gebeurd in het derde deel, waar Hoffmann niet aan toegekomen is.
Heel sluw heeft hij in het begin een figuur opgevoerd die voor Murr én Kreisler belangrijk is geweest: Abraham, een maître de plaisir tovenaar aan het hof van een groothertogdom, (be)goochelaar en heksenmeester. Hij heeft Kreisler gevormd en vertelt hem van de vondst van het wijze katertje - hij is dus de opvoeder van beiden, en meer dan dat. Het interessante aan Hoffmanns roman is dat niet schematisch de kunstenaar tegenover de burger wordt geplaatst. Kreisler is scherpzinnig genoeg om in de gaten te hebben dat ook of juist onder het gedweep van kunstzinnige dames, maar ook in de extase van veelzogenaamde (romantische) kunstenaars een kleinburgerlijk gemoed schuilgaat. De rol van Meester Abraham is ook in dezen belangrijker dan op het eerste gezicht lijkt: hij is de ironicus, de man met meerdere gezichten en misschien wel levens, bouwer van wonderlijke apparaten, thuis in de wereld van dubbelgangers en boze geesten. Kreisler is in zoverre een tovenaarsleerling dat ook hij verschijnt en verdwijnt; zelfs zijn herkomst is duister. De ironische tovenaar Abraham houdt alles in de gaten. Op tijd draagt hij het huisdier aan zijn leerling Kreisler over. Het verhaal van Murr is het rechtlijnige verslag van een woorddronken kater; dat van Kreisler is zoals zijn naam cirkelvormig en kronkelig. Vreemd dat van deze grote schrijver er eerder (voorzover ik weet) alleen de novelle De zandman is vertaald.

E.T.A. HOFFMANN
LEVEN EN OPVATTINGEN VAN KATER MURR
Uit het Duits (1820-1822) vertaald door Wilfred Oranje,
Atlas (De Duitse Bibliotheek), 524 blz., € 39,90